2272 |
Griekenland (ca. 1150 - 900 v. Chr.) "De Duistere Eeuwen" |
![]() |
Griekenland is een woest bergachtig schiereiland dat zuidoostelijk van het Europese vasteland in de Middellandse Zee uitsteekt. Het heeft hete, droge zomers en koele, regenachtige winters. Vandaag de dag zijn de bergen onbegroeid en rotsachtig, maar in het oude Griekenland waren ze met dichte wouden bedekt. In die tijd kon Griekenland rekenen op een grotere vruchtbaarheid dan nu, al waren de vruchtbare streken van elkaar gescheiden door de bergen. Er bevonden zich kleine stukjes landbouwgrond tussen de zee en het gebergte en in de smalle, kronkelende bergvalleien. Het beste land lag in Midden-Griekenland, tussen Athene en Thebe en verder naar het zuiden, in het binnenland van de Peloponnesus, het zuidelijke schiereiland van Griekenland. | ![]() |
De vruchtbare gedeelten van Griekenland zijn nog het best te vergelijken met oasen in een grote bergwoestijn. Want vanwaar men Griekenland ook nadert, te land of over zee, altijd krijgt men de indruk van een bergland. Het gebergte neemt viervijfde van de oppervlakte van het land in beslag, zelfs nog meer, als men de eilanden meerekent. De berghellingen konden de ontginning evenwel niet tegenhouden. Met veel moeite, maar onverdroten hebben de Grieken de eindeloze rijen steunmuren gebouwd, die voor de wijngaarden aan de zonkant van de berghellingen nodig waren, opdat de aarde niet door de slagregens zou worden weggespoeld. |
![]() |
Na de ineenstorting van de Myceense rijken (omstreeks 1150 v. Chr.), regeerden op het Griekse vasteland lokale hoofden. Het bevolkingspatroon veranderde en het aantal inwoners verminderde. Er gingen nu meer mensen wonen in Attica, Euboea en op de Cycladen. Sommigen emigreerden naar Cyprus. Van deze periode na het verval van de Egeïsche koninkrijken en de migraties is slechts weinig bekend. Geen enkele naam van een koning of stamhoofd, geen nauwkeurige aantekeningen van enige gebeurtenis hebben ons door middel van mythen of legenden bereikt. Alleen een groot aantal grafheuvels is overgebleven, die in deze periode wijd verspreid waren.
In de 10e eeuw hadden de Grieken zich op de meeste Egeïsche eilanden en op de kusten van Klein-Azië, gevestigd. Ze bouwden versterkte steden (polis) om hun landbouwgrond te beschermen. Deze nederzettingen dreven handel met het Nabije Oosten. |
Archeologen bedenken de vreemdste theorieën om deze in hun ogen anachronistische kenmerken te verklaren: het ivoorsnijden was niet uitgestorven, maar bij gebrek aan ivoor maakte men houten beeldjes die niet bewaard zijn gebleven, de decoratiestijl van het aardewerk was gedurende vierhonderd jaar (!) vrijwel onveranderd gebleven; bronzen voorwerpen en wapens werden gemaakt naar het voorbeeld van gedurende generaties gekoesterde erfstukken. Als er echter zo veel "oude" voorwerpen in een "jonge"-context worden aangetroffen, kan er - aldus Peter James in "Centuries of Darkness" echter geen sprake meer zijn van toevalstreffers of conservatieve boeren met opa's zwaard op zolder. Dezelfde onverklaarbare continuïteit wordt aangetroffen in andere regio's. James en zijn medeauteurs komen tot de conclusie dat er iets met de datering iets mis is gegaan. De perioden vóór de Duistere Eeuwen zijn gedateerd aan de hand van de Egyptische chronologie, zoals die is vastgelegd in de Egyptische koningslijsten. Die lijsten blijken juist in de periode tussen 1100 en 700 v. Chr. onbetrouwbaar te zijn. De farao's die toen over Egypte heersten hebben de koningslijsten namelijk opzettelijk vervalst, zodat het leek of zij volkomen rechtmatig hun "voorgangers" hadden opgevolgd. De Egyptische chronologie zou daarom moeten worden bijgesteld, zodat de periode van binnenlandse onrust in Egypte zo'n 250 jaar later, dus rond 850 v. Chr. moet hebben plaatsgevonden en het einde van de Myceense cultuur, (gedateerd rond 1150 v. Chr.), zo'n 350 jaar later. Deze hypothese wordt door de meeste vondsten niet tegengesproken en vaak zelfs bevestigd. |
laatst bijgewerkt: 25-01-11 |