1320

Strijdbijlcultuur (ca. 3100 - ca. 2500 v. Chr. )

West- en Midden-Europa in het Midden- en Laat-Neolithicum (4200 - 2100 v. Chr.)

Klik hier voor het frame van de pagina

Uit de Trechterbekercultuur ontwikkelde zich aan het eind van het 4e mill. v. Chr. (± 3100 v. Chr.) de Standvoetbekercultuur, het Nederlandse onderdeel van de Strijdhamerculturen.  

De naam Strijdbijlcultuur is in feite een verzamelnaam voor de verschillende culturen die zich ± 2900 v. Chr. ontwikkelden uit de Trechterbeker- en Kugelamphoren-cultuur. Er zijn een twaalftal regionale groepen te onderscheiden, elk met een eigen cultuurnaam, zoals de Fatjanova-cultuur in Midden-Rusland, de Zlota-cultuur in Polen, de bootbijlcultuur in Zweden en de Standvoetbekercultuur in het deltagebied van de Rijn en de Maas. 

De naam Strijdbijl- of Strijdhamercultuur is ontleend aan de strijdhamers die aan de doden werden meegegeven. De stenen bijlen waren natuurgetrouwe kopieën in steen van de koperen bijlen die al sedert 4500 v. Chr. werden gegoten in de Donaulanden. Zelfs de gietnaad die bij het maken van een koperen bijl ontstaat, was niet vergeten. Kenmerkend voor de Strijdbijlcultuur waren ook de aardewerk potten. Deze waren smal en versierd met touwindrukken of met visgraatbanden. Vandaar dat men ook wel spreekt van Touwbekercultuur.

De touwbekercultuur (genoemd naar het met touwindrukken of een visgraatrand versierde keramiek) is net zoals de trechterbekercultuur waaruit hij ontstaan is een verzamelnaam voor een aantal op elkaar lijkende culturen, verspreid over grote delen van Europa. Vanwege de typische stenen strijdbijlen en hamers die als grafgift in de graven uit die periode zijn aangetroffen wordt ook de naam strijdbijlcultuur en steenhamervolk gebruikt. Omdat ze hun doden in afzonderlijke graven begroeven wordt ook nog de naam enkelkamergrafcultuur gebruikt. De variant die in Nederland bestond heet standvoetbekercultuur. Deze stenen bijlen waren imitaties van koperen bijlen, soms is zelfs de typische naad die op koperen en bronzen bijlen wordt aangetroffen meegekopieerd. Het is niet waarschijnlijk dat ze ook gebruikt zijn - veel bijlen tonen geen sporen van gebruik. De touwbekercultuur markeert de overgang van het neolithicum naar de bronstijd.

Verspreidingsgebied van de Touwbekercultuur 

Kenmerkend voor de Strijdbijlcultuur was ook een specifieke wijze van begraven: de doden werden ter arde besteld in individuele graven, vaak in kleine grafvelden. Men spreekt in dit verband daarom ook wel van enkelkamergrafcultuur.

Boven: steenkistgraf uit de tijd van de Strijdbijlcultuur

De verspreiding van de Strijdbijlcultuur wordt wel in verband gebracht met de verbreiding van de Indo-Germaanse talen, waaruit zich later het Grieks, Latijn, Germaans, Slavisch, het Keltisch en het Indisch zouden ontwikkelen. 

Aanvankelijk meenden de archeologen dat er sprake was van immigranten, die zouden afstammen van Indo-Europese ruiters en veeboeren uit de Zuid-Russische steppen. Dit "Strijdbijlvolk" zou met hun paarden en wagens, superieure fijngepolijste wapens en krijgstechnieken in kleine groepen manschappen op zoek naar nieuwe weidegronden enorme gebieden in Europa onder de voet hebben gelopen, zoals Cortes het hele neolithische imperium in Mexico met slechts een kleine cavalerie - afdeling heeft vernietigd. Zij zouden een tijd lang vreedzaam tussen de lokale bekervolkeren hebben gewoond en zij zich uiteindelijk met hen hebben vermengd. 

Als mogelijk bewijs voor de "immigrantentheorie" wordt door sommige archeologen gezien het bij een opgraving in Nederland gevonden model van een tweewielig karretje en massief houten wielen. Deze zouden overeenkomen met die welke eerder (± 3500 v. Chr.) aan wagens in de Russische steppen gebruikt werden. Als zij wagens hadden, hebben ze misschien ook paarden gehad. In elk geval was het een mobiel volk geweest.

Als er sprake zou zijn geweest van een migratie van Zuidrussische veetelers, dan moet de expansie zeer snel zijn gegaan. Het vertrek uit Zuid-Rusland en de aankomst in de lage landen zou binnen een eeuw hebben plaatsgevonden. (Jan Hagens)

De invloed van deze mensen op de vegetatie was enorm. Om de levenswijze, die zij in hun land van herkomst geleid hadden, voort te kunnen zetten, brandden zij grote stukken bos af. Door branden, kappen of meer geleidelijk door het weiden van vee over grotere oppervlakten werd het bos teruggedrongen. Rond de nederzettingen van deze bekercultuur kreeg de heide snel de overhand. Toch zal in deze periode de menselijke activiteit nog steeds een lokaal karakter hebben gedragen en zullen uitgestrekte wouden zich vooralsnog, vooral op de zware leemgronden, hebben gehandhaafd. Na enkele jaren akkerbouw verschaften zij zo weidegrond voor het vee, dat niet met loof zal zijn bijgevoerd zoals steeds tevoren hier te lande. Dit in tegenstelling tot de Trechterbekercultuur die zich beperkte tot het ontginnen van de naaste omgeving der nederzettingen en het binnen omheiningen houden van het vee.

Het ligt voor de hand dat deze immigranten met hun kudden vrij grote gebieden nodig hadden. Dat zij daardoor veel in conflict gekomen zullen zijn met de landbouwers, die zich hier al hadden gevestigd, die van de Trechterbekercultuur, is eveneens waarschijnlijk. Vermoedelijk is dat de oorzaak, dat men de vroegste bekers niet op de reeds door het Trechterbekervolk ingenomen plaatsen vindt. De Hondsrug bijvoorbeeld bleef stellig aanvankelijk het onbetwiste domein van deze boerenbevolking. Op de westelijke uitlopers van de hogere zandgronden van het Fries-, Drents- en Groninger grensgebied worden de sporen van de Standvoetbekermensen aangetroffen.

Er wordt wel eens gedacht dat het volk een krijgshaftig karakter moet hebben gehad en dat veroveringsnoodzaak voor hun weidegronden daartoe meewerkte. Dit zou dan kunnen worden afgeleid uit hun stenen hamers, zogenaamde strijdhamers, van prachtige modellen. Zeker is dat niet, want de bijlen kunnen ook voor andere dan strijdvaardige doeleinden zijn gebruikt. In ieder geval heeft het stuifmeelkorrelonderzoek van monsters grond van de vloer van grafheuvels van de Standvoetbekercultuur- waar de grond dus ongestoord is gebleven- uitgewezen dat de mensen op sommige plaatsen het bos weghakten en verbrandden. Daarna kwamen kruiden op deze plaatsen tot onwikkeling, waaruit is af te leiden dat beweiding door vee het doel van deze roofbouw was. Maar niet uitsluitend, want graangewassen brachten eveneens stuifmeelkorrels aan en bij het vervaardigen van het aardewerk bleven wel eens graankorrels achter in de weke klei, die bij het bakken weliswaar verbrandden, maar waarvan de achtergebleven indrukken nu nog de mogelijkheden openlaten de bekendheid met landbouw bij deze cultuur te herkennen en de graangewassen, welke in gebruik waren, te bepalen. 

De standvoetbekermensen kenden het wiel. Hun massieve, houten schijfwielen zijn in de Drentse venen gevonden. Of zij het paard reeds gekend hebben, weet men niet; waarschijnlijk werden de wagens door ossen getrokken.
De sporen van een tweemaal vergrote veekraal bij Anlo, waarbuiten hun grafheuvels waren opgeworpen, wijzen op veeteelt; hiernaast is echter ook de bouw van graan belangrijk geweest. In het gebied van herkomst was aan deze mensen het koper en brons al bekend.
Dat blijkt uit het feit dat soms op de strijdhamers een imitatiegietnaad als versiering voorkomt.
Ook in Nederland vinden wij hun graven: hoge of lage grafheuvels, waaronder de dode in hurkhouding op de zijde is begraven, gelegen in een ondiepe kuil; of op het voormalige oppervlak. Vaak ook ontbreekt de heuvel en heeft men met vlakgraven te maken. Als bijgiften vinden wij de beker, de lange vuurstenen spaan en minder vaak een vuurstenen bijltje.
Voor de grafheuvel werd opgeworpen is het graf omringd geweest door een kleine greppel met een palissadering. De vroege standvoetbekermensen en het late trechterbekervolk hebben geruime tijd naast elkaar in een gebied gewoond.

Uit: Jan Hagens: Hij ging voor de bijl. - hoofdstuk 6: Het Neolithicum: de boerenculturen uit de steentijd. - 10. Veroveraars uit Zuid-Rusland.

laatst bijgewerkt: 19-09-02

colofon