2677 Oejgoeren (Uighurs) (ca. 745 - 840)

Het tweede Gökturkenrijk (716 - 745)

In 744 waren de stammen Karluken, Oghuzen en Basil in opstand gekomen tegen de gehate khagan Ozmysh van het Het tweede Gökturkenrijk. Nadat deze was gesneuveld in de strijd probeerde zijn broer Bomei-Tegin Khan nog als „Bomei Khagan“ de macht in het Oostrijk naar zich toe te trekken, maar hij werd al in 745 door opstandelingen vermoord. Daarmee was er een eind gekomen aan het tweede Gökturkenrijk. De Karluken. Oghuzen en Basmil stichtten nu in het gebied van het Oostrijk (Oost-Turkestan) het rijk van de Oeigoeren

De Oeigoeren behoorden net als de Hunnen, de Hsiung-Nu (Xiongnu), de Gökturken (Blauwe of Celestial Turken en de Avaren (Juan Juan) tot de zogenaamde Altaïsche volkeren of Turks-Mongoolse nomadenstammen. Hun taal, het Oeigoers, behoort tot de Turkse talen. 

De eerste heerser van het Oeigoerische koningshuis was de Chinese soldaat Gulipeiluo. Dit rijk zou tot 840 blijven bestaan. Gulipeiluo nam de titel aan van „Kutluq Bilge-Kül Khagan“ en maakte de stad Kara Balgasun aan de bovenloop van de Orchon, het oude Ordu Balyk en de latere stad Karakorum tot het centrum van zijn rijk. 

De Karluken hadden tenslotte in Kuz Ordu, de huidige stad Balasagun, hun hoofdstad. De Karluken voerden als eerste Turks volk in de geschiedenis  een gemeenschappelijke ambtelijke taal in, die tot in het Perzische Chorasmie werd gebruikt en tegenwoordig wordt aangeduid met Karluk-Chorasmisch of Karluk Oeigoerisch. 

De stammen in het rijk van Oeigoeren waren oorspronkelijk veehoudende nomaden. Ze ontwikkelden ze een rijke cultuur waarin sjamanisme en vooral Boeddhisme een belangrijke rol speelden. In de 8e en 9e eeuw werd het een machtig rijk, dat zich uitstrekte tot de Chinese provincie Xinjiang in het uiterste westen van het huidige China. 

Het rijk der Oejgoeren was de eerste grotere staatkundige eenheid in Centraal-Azië dat vanaf de 6e eeuw vanuit Mongolië onder meer over het gebied rond de Jenissej heerste. Zij stichtten omstreeks 750 . Chr. de nederzetting Ordoe-Balik in de Orchon Vallei in Centraal-Mongolië. In 1220 maakte Genghis Khan deze nederzetting tot hoofdstad van het Mongoolse rijk en wijzigde de naam in Karakorum.

Rechts: donkerrood de huidige Chinese provincie Xinjang (= Nieuwe grens), waar de nu Islamitische Oejgoeren nog steeds de grootste bevolkingsgroep vormt.

In de 4e eeuw vermenden vele Oejgoeren zich met de Juan Juan die in het Centraal-Aziatische steppegebied vestigden. In het midden van de zesde eeuw bereikte deze nieuwe confederatie van stammen, bekend onder de naam Avaren.

Vanaf 630 werd in een serie grote veldtochten heel Centraal-Azië onderworpen door Tang-keizer Tang Taizhong (626 - 649). De Oejgoeren leverden de hulptroepen om dit mogelijk te maken. Zijn troepen drongen zelfs door tot ver buiten de grenzen van het toenmalige Chinese cultuurgebied in het huidige Afghanistan, Kazachstan en Noord-India. In 751 leed de Tang-keizer Xuanzong (712 - 756) echter een zware nederlaag tegen het Islamistische Abssasidenrijk. Hetzelfde jaar slaagden de Oejgoeren er na zeven jaar in de Chinese bezetter uit Oost-Turkestan (Xinjiang) te verdrijven.

Vele Oejgoeren vestigden zich binnen de Chinese rijksgrenzen. Omdat de Chinese machthebbers vreesden dat een grote concentratie van deze lieden in de grensgebieden te veel gevaren inhield, werden zij gedwongen zich te vestigen in het binnenland, verstrooid tussen de Han-bevolking. Zij werden verchineesd in taal en gebruiken, maar konden zich toch maar moeilijk integreren in de agrarische maatschappij. Zij kwamen terecht in meer mobiele maar sociaal in minder aanzien staande beroepen zoals dat van beroepsmilitair, handelaar of ambachtsman. Niet alleen rebellenlegers rekruteerden hoofdzakelijk uit deze bevolkingsgroep, maar dat was ook het geval voor regeringslegers - het onderscheid is soms subtiel, want wat de ene dag een rebellenleger is kan de volgende al keizerlijk leger zijn. Zij vormden hoe dan ook een onstabiele en onvoorspelbare factor in de Chinese maatschappij, in tijden van crisis een potentiële haard van opstand.

In 840 n.Chr. werden de Oejgoeren door de Kirgiezen uit hun gebieden in Mongolië verdreven en vestigden zich in het Tarimbekken, in Xinjang, het gebied dat van de 8e eeuw v. Chr. tot c. 177 v. Chr. werd bewoond door de Yuezi en waaruit zij door de Xiongnu werden verdreven. 

De Oejgoeren gaven de belangrijke handelsstad Gaochang in dit gebied de naam Kharakhoja, naar de legendarische held die de mensheid bevrijdde van het kwaad door een woeste draak te doden. De Oejgoeren vermengden zich met de sedentaire landbouwers daar, die de Tochaarse taal (een Indo-europese taal) spraken. Deze bevolking nam later de Turkse taal van haar Oejgoerse meesters over. Van de Sogdianen maakten de Oejgoeren kennis van religies als het zoroastrisme (4de eeuw n.Chr.), manichaeïsme (6de eeuw n.Chr.) en het nestorianisme (7de eeuw n.Chr.) en ook het Sogdiaanse schrift, dat de Sogdianen hadden ontleend aan het Aramees (afkomstig uit: Syrië, Irak en Iran). Het Sogdiaanse schrift raakte langs de hele zijderoute als 'lingua franca' in gebruik.

In de tiende eeuw erkenden de Oejgoeren de soevereiniteit van  Ye-lü A-bao-ji (907-926) van het Khitanrijk (Liao-dynastie). Het laatste kwart van de 10e eeuw werd het Tarimgbeid beheerst door het Tangut-rijk.

In de 13e en 14e eeuw waren de Oejgoeren onderworpen aan het Mongoolse rijk, maar ze behielden een grote mate van autonomie.

De Oejgoeren, die tevoren diverse godsdiensten hadden beleden (boeddhisme, manicheïsme en nestoriaans christendom), gingen in de 15e eeuw over tot de islam.

In het midden van de 18e eeuw werden de Oejgoeren onderworpen door de Mantsjoe heersers, die toen ook over China regeerden. Ook deze onderwerping liet de autonomie der Oejgoeren grotendeels onverlet. Dit veranderde echter toen in 1949 in China de communisten aan de macht kwamen. Door de migratie van etnische Han Chinezen naar Xinjiang komt het behoud van de traditionele Oeigoerse cultuur onder druk te staan, hoewel de Volksrepubliek China als beleid heeft om de culturen van erkende etnische minderheden te beschermen en te stimuleren. Tegenwoordig bestaat de bevolking van Sinkiang voor ongeveer 50% uit Oejgoeren, 10% uit andere autochtone volkeren, zoals Kazachen, en voor 40% uit Han Chinezen, die in vele steden, waaronder de hoofdstad van Sinkiang, Urumqi, de meerderheid vormen. De druk tot culturele assimilatie heeft soms tot verzet geleid, waarover in de buitenwereld echter relatief weinig bekend is. Een belangrijke voorvechtster van de culturele en maatschappelijke autonomie der Oejgoeren is Rebiya Kadeer, die tegenwoordig in de Verenigde Staten leeft.

Gemaakt: 11-08-07

colofon