4834 |
Tang Dynastie (626 - 649) |
![]() |
![]() |
In 626 kon
|
Onder
Ondanks zijn talrijke militaire successen wordt Taizhong door latere geschiedschrijvers vooral gewaardeerd voor zijn bestuurlijk talent. Hij wist zich te omringen door de juiste mensen, kon delegeren, waardeerde onderwijs ten zeerste en was tolerant tegenover verschillende godsdienstige opvattingen. In 635 ontving Taizhongs eerste minister Fan Hiuen-ling in Chang'an (nu: Xi'an) de Syrische priester Olopun, voor zover bekend de eerste westerling die verder naar het oosten reisde dan Kashgar, in het verre westen van China. Olopun vertaalde de Bijbel in het Chinees. In 638 vaardigde de keizer een proclamatie uit waarmee hij opdracht gaf om deze Chinese Bijbel te publiceren en te verspreiden, omdat hij van mening was dat daar veel goede zaken in stonden, waar de mensheid baat bij zou kunnen hebben. |
![]() |
![]() |
Op twaalfjarige leeftijd was Wu Zhao als een van de concubines van Gaozu aan het hof binnengehaald. Door haar grote schoonheid en intelligentie viel zij danig op en wist het zelfs tot de formele echtgenoot van keizer Taizhong te brengen en achter de schermen een belangrijke rol spelen. Later zou zelfs keizerin worden (postume keizersnaam ![]() De militaire expansie valt niet alleen te verklaren uit de behoefte en voor het behoud van de eigen macht ook noodzaak om de macht van de Turkse nomadenstammen Juan-Juan in het noorden en Centraal-Azië te breken, maar hangt ook samen met de krijgshaftige achtergrond en mentaliteit van de Tang-elite. |
De kern van de Tang-legers bestond uit de cavalerie; het paard (bij voorkeur de edele rassen, geïmporteerd uit westelijk Centraal-Azië stond centraal in de cultuur van de vroege Tang-elite. Nog in de 8e eeuw bezaten leden van de keizerlijke familie en andere hoogwaardigheidsbekleders grote kudden paarden en kamelen. Polo was binnen de heerserselite een belangrijke vrijetijdsbesteding, die pas onder de Song-dynastie (960 - 1279) langzaam in vergetelheid zou raken. Uit de Naast Chinese cavalerie, aangevuld met bereden hulptroepen uit het steppengebied, bestond de strijdmacht uit de grote maar veel minder effectieve boerenmilitie die vooral het voetvolk leverde.
Vanaf 630 werd in een serie grote veldtochten heel Centraal-Azië onderworpen; tegelijkertijd breidde de Tang zijn macht uit in het noordoosten, in het huidige Mandsjoerije en een deel van Korea. In dit laatste opzicht zette de Tang duidelijk de militaire politiek van de Sui (581 - 618) voort, hoewel deze aan zulke veldtochten te gronde was gegaan. De Tang werd daarbij gesteund door zijn belangrijkste bondgenoot, het Turkse volk van de Oejgoeren (Uighurs), dat in de loop van de dynastie een steeds grotere rol als leverancier van hulptroepen zou gaan spelen Traditioneel wordt de verovering van Centraal-Azië gezien als een belangrijke factor in de toename van contacten met India die de komst van vreemde cultuurelementen naar China zou hebben bevorderd. De Tang wordt wel eens als een bij uitstek kosmopolitische dynastie gezien.maar al lang vòòr de Tang had al zulk cultuurcontact plaats gevonden (bijvoorbeeld op het gebied van de Boeddhistische religieuze cultuur) en ook nadat de Tang vanaf 751 in snel tempo haar controle over Centraal-Azië kwijt raakte, bleven zulke cultuurcontacten nog eeuwen lang plaats vinden (bijv. een eerste kennismaking met katoen, blijkens deze vondst van katoenen stof in Xinjiang, hoewel katoen pas eeuwen later werkelijk ingang vond). De hoofdstad Chang’an was ongetwijfeld gastheer voor tal van handelaren, afgezanten, vluchtelingen en vooral soldaten van vreemde herkomst. Deze brachten hun eigen cultuur mee, maar daarmee werd deze cultuur nog niet noodzakelijkerwijs in de Chinese geïntegreerd. De belangrijkste religieuze cultuur van vreemde herkomst naast het Boeddhisme was het Manicheïsme, afkomstig uit Perzië. Deze cultuur kende haar grootste verbreiding uiteindelijk niet in de hoofdstad Chang’an of de tussenstop Dunhuang, gelegen aan de handelsroutes naar India (de Zijderoute), maar in de oostelijke kustgebieden van de modern provincies Zhejiang en Fujian, waar zij over de zeeroutes door Arabische of Perzische handelaren was geïntroduceerd en tot ver in de dertiende eeuw bleef bestaan. De verdere verbreiding van het Boeddhisme gedurende de Tang, evenals tijdens voorafgaande en navolgende dynastieën, ging steeds gepaard met een duidelijke verchinesing (sinificatie). Zij vormt geen bewijs voor een vermeend kosmopolitisch karakter van de dynastie. Het Chinese gezag in de verre buitengewesten bleef oppervlakkig en labiel, door de lange aanvoerlijnen, het moeilijke terrein, de hoge kosten en de voortdurende dreiging van herovering door de nomaden. In de 8e eeuw werd China in westelijk Centraal-Azië bovendien geconfronteerd met de opkomende macht van de Islam, die vanuit Perzië kwam opzetten (rijk der Abassiden). De slag aan de Talas (751), waar een Chinees leger door de Moslims werd verslagen, geldt als het keerpunt. Het westelijk deel van het Tarimbekken wordt geïslamiseerd en in de late 8e eeuw heeft het Tang-rijk de macht over de buitengewesten geheel verloren. In het westen wordt de Islam nu een dominante religieuze cultuur en blijft dat eigenlijk tot op de dag van vandaag (met officieel zo’n 17 miljoen aanhangers, maar waarschijnlijk veel meer dan het dubbele hiervan). |
![]() |
Een belangrijke verdienste was het opzetten van een betrouwbaar (onafhankelijk van de militaire elite opererend) ambtenarenapparaat.![]() Zo ontstond er binnen korte tijd een machtig, goed bestuurd rijk, waar op religieus gebied tolerantie heerste en waarmee de basis gevormd was voor een periode van grote (wellicht China's meest glansrijke) artistieke creativiteit en geestelijke en religieuze ontwikkeling. In zijn latere periode werd hij het slachtoffer van zijn onbeperkte macht. Hij begon een extravagant leven te leiden, verwaarloosde zijn staatszaken en gaf talrijke opdrachten voor allerlei geldverslindende bouwwerken. |
Laatst bijgewerkt: 22-07-05 |