7113 De reizen van Hsuan-tsang (629 - 643)
China (626 - 649)

Hsuan-tsang was een monnik uit een boeddhistisch klooster in Luoyang, (provincie Henan, China), die in het voorjaar van 629 n.Chr. naar India vertrok omdat hij daar op zoek wilde gaan naar oorspronkelijke religieuze teksten. De teksten waarover men in China beschikte waren door vertaling vanuit het Sanskriet naar het Chinees soms onbegrijpelijk geworden. Zijn reis langs de zijderoute en door India werd een lange (ca. 15.000 km) en avontuurlijke.

NB Er zijn diverse methoden om Chinese karakters te vertalen naar het westerse alfabet. Deze methoden leveren vaak verschillende schrijfwijzen van persoons- en plaatsnamen op. Ook zijn er verschillen in het gebruik van hoofdletters en verbindingsstreepjes. Naast Hsuan-tsang vindt men in veel geschriften zijn naam gespeld als Hsien-tsang, Huan-Tsang, Yuan-tsang, Xuanzang.

Reis China - India (629 - 633)


Eerst trok hij naar Chang'an (thans: Xi'an), dat kort daarvoor hoofdstad van het keizerrijk was geworden. Daar vernam hij dat de Chinese keizer Thaizong (T'ai-tsung)
alle reizen naar het buitenland had verboden. 

In Liangzhou (thans: Wuwei) wist hij 's nachts te ontsnappen aan de autoriteiten die hem wilden tegenhouden.
Bij Guazhou (thans: Anxi) stierf zijn paard en lieten z'n gidsen hem in de steek. Gelukkig vond hij een oud paard waarvan gezegd werd dat het al vijftien woestijnreizen gemaakt had. Terwijl hij één van de laatste wachttoren aan de grens passeerde werd hij opgemerkt en door de wacht beschoten. De pijlen mistten hem maar net.
In de woestijn had hij last van fata morgana's waardoor hij in paniek raakte. Bijna kwam hij van de dorst om nadat hij z'n drinkwater verloor. Hij werd gered doordat z'n paard hem naar een waterpoel leidde.

Rechts: Reisroutes Hsuan-tsang

In Kumul (nu: Hami) werd hij opgemerkt door de koning van Turpan, die hem wilde dwingen om zich daar in een klooster te vestigen om boeddhistische monniken les te gaan geven. Door te dreigen zichzelf dood te hongeren wist hij hieraan te ontsnappen. De zeer gelovige koning was niet haatdragend want hij gaf hem vele kostbare geschenken, een groot geleide en introductiebrieven voor 24 vorstendommen op z'n route mee. Onderweg ontkwam de karavaan maar net aan uitplundering door rovers en de tocht over het Tian Shan gebergte kostte het leven aan 14 leden van de karavaan en aan een groot aantal ossen en paarden.
Aan het Issyk Kul meer troffen zij het winterkamp van de khan der West-Tataren, een Turks-Mongoolse stam. Ook de khan raakte onder de indruk van Hsuan-tsang en wilde hem bij zich houden. Na hem overtuigd te hebben van het belang van zijn reis, mochten ze verder. 

Links: Tian Shan gebergte

Kyzylkum Hindu Kush gebergte
Via Talas en een moeizame tocht door de Kyzylkum woestijn kwam het gezelschap in Samarkand, waar ze bedreigd werden door 'vuuraanbidders' (aanhangers van Zoroaster). Na daaraan ontsnapt te zijn ging zijn tocht verder over het Pamir gebergte, door Balkh in Bactria en met veel moeite over de Hindu Kush, waar hij tijdens een sneeuwstorm door jagers gered werd. Via de Khyberpas, de bovenloop van de Indus en het dal van de Ganges bereikte hij in 633 het kerngebied van het Boeddhisme gelegen in Noord-India.

India (633 - 643)
De volgende tien jaren trok hij door heel India om alle belangrijke boeddhistische plaatsen te bezoeken, leerde hij Sanskriet en bestudeerde en verzamelde talloze manuscripten over het boeddhisme. Ook was hij in de gelegenheid om met vele geleerde mensen van diverse godsdienstige stromingen te spreken, o.a. tijdens een door de boeddhistische koning Harsha in zijn hoofdstad Kanauj georganiseerd symposium.

Rechts: Hsuan-tsang met boekrollen in zijn ransel

Reis India - China (643 - 645)

In april 643 begon Hsuan-tsang aan z'n tocht terug naar China. Van koning Harsha, die hoopte een verbond met China te kunnen sluiten tegen de nomaden, kreeg hij vele geschenken, waaronder een olifant en een escorte mee. Bij het oversteken van de Indus verloor hij een vijftigtal manuscripten en de zaden van bijzondere bloemen en planten. Ook deze keer werd hij bij zijn tocht over de Hindu Kush erg geplaagd door sneeuwstormen en harde wind. Z'n reisgezelschap bestond op dat moment uit 7 monniken, 20 dragers, 1 olifant, 10 ezels en 4 paarden.

In het Pamir gebergte werden ze aangevallen door een groep rovers, waarbij ze een aantal lastdieren verloren, waaronder de olifant die in paniek een rivier in rende en verdronk. Een groep handelaren die zich bij hen aangesloten had ging er vandoor en leidde zo de aandacht van de rovers van Hsuan-tsang en zijn groep af. 

Via Kashgar trok hij langs de zuidkant van de Taklamakan woestijn waar het gezelschap werd geteisterd door de hevige zandstormen waar deze woestijn zo berucht om is. Op verzoek van de koning van Khotan bleef Hsuan-tsang acht maanden in die stad om 5.000 monniken te onderwijzen. Terwijl hij daar verbleef ontving hij vanuit India nieuwe kopieën van een aantal manuscripten, ter vervanging van de bij de oversteek van de Indus verloren gegane exemplaren. In het voorjaar van 645 trok Hsuan-tsang via Niya en Lou-lan naar de Chinese grens en nadat hij daar van de keizer toestemming voor had gekregen, z'n vaderland weer binnen.

Na de reis
Hsuan-tsang was 16 jaar eerder als een dief in de nacht vertrokken en nu werd hij tot z'n verbazing als een held ingehaald. De keizer had hem voor z'n ongehoorzaamheid kunnen onthoofden of ontmannen, maar in plaats daarvan ontving hij hem enkele dagen na zijn terugkeer in audiëntie en bood hem een ministerspost aan. De keizer zag het grote belang van alle kennis die Hsuan-tsang verzameld had over de landen waar hij doorheen getrokken was en de goede relaties die hij opgebouwd had met vele vorsten langs z'n route. Hsuan-tsang wees dit aanbod echter beleefd af omdat hij zijn godsdienst wilde blijven dienen.

Hsuan-tsang bracht van z'n reizen 657 manuscripten, een aantal afbeeldingen van Boeddha en 150 relikwieën mee. Om al deze schatten een plaats te geven, liet Kao-tsung die in 649 zijn vader opvolgde als keizer, in Chang'an (thans: Xi'an) tussen 652 en 655 de 'Grote Wilde Gans Pagode' bouwen.
Gedurende de rest van zijn leven heeft Hsuan-tsang 73 van deze documenten kunnen vertalen. Ook zette hij de ervaringen van z'n reis op schrift in 'Verslag over de Westelijke Gebieden van de Grote T'ang Dynastie'. Hierin vertelt hij uitgebreid over de mensen, hun gewoonten, religies, taal en kleding, mythen en sagen, de steden en dorpen, de handelsgoederen en nog veel meer. Later zou zijn verslag de basis vormen voor 'Reis naar het westen', één van de beroemdste Chinese romans. Nog een aantal eeuwen later zou de archeoloog Aurel Stein z'n theorie dat het boeddhisme langs de zijderoute naar China gekomen was vooral baseren op de geschriften van Hsuan-tsang en in 1907 ontdekte hij dat zich tussen de duizenden manuscripten uit de Mogao grotten ook manuscripten van de hand van Hsuan-tsang bevonden.

Links: Grote Wilde Gans Pagode in Xi'an (60 m hoog)

Gemaakt: 05-08-05

colofon