3713 | Yuezhi (Jushi) - Tocharen (ca. 800 v. Chr. - ?) |
![]() |
De Yuezhi (Jushi) waren een aan de Scythen verwant samenwerkingsverband van Indo-europese volkeren. Zij spraken een Indo-Europese taal (het Tochaars). Volgens Chinese historische bronnen behoorden vijf stammen tot de Yuezhi: Xiūmì, Guishuang, Shuangmi, Xidun, en Dūmì.
Een stam van de Indo-Europese stammen was na de verspreiding naar het oosten getrokken en had zich gevestigd in Chinees Turkestan. Sinds de 8e eeuw v. Chr. bewoonden zij het Tarim Bekken gebied, in wat vandaag de Chinese provincies Gansu en Xinjiang, zijn. |
![]() |
![]() |
Op basis van onderzoek naar de Tarim mummies zouden volgens Mair en Mallory de oudste bewoners van de Takla-Makan-woestijn het gebied al zo'n 2000 v. Chr. vanuit de steppen in het noorden zijn binnengetrokken. Deze kolonisten waren verwant aan de zogeheten Afanasevo-cultuur in het noordelijke hoogland, die de oostgrens vormde van het Indo-Europese taalgebied. Uit deze Afanasevo-cultuur zou ook het Tochaars zijn ontstaan. De benodigde irrigatietechnieken om aan de noordrand van de woestijn te kunnen overleven zou ze zich onderweg via contacten met Indo-Iraanse culturen hebben eigen gemaakt. Later voegden zich vanuit het westen andere volkeren bij hen, die voor een deel taalkundig door de Tocharen werden opgeslokt. In documenten van de Chinese Han-dynastie (206 v.Chr.-220 na Chr.) staan ze te boek als de Yuezhi, Wusun, en andere uitheemse volken ten westen van het keizerrijk. Hun komst verraadt zich door het bestaan van Indo-Iraanse leenwoorden in het Tochaars. Oorspronkelijk kwamen zij uit Centraal-Azië (Transoxiana: tegenwoordig Uzbekistan en zuidwest Kazakstan in het gebied tussen de rivieren Amu Darya en Syr Darya. Zij werden door de Grieken Tocharoi (Tocharen) genoemd. De Chinezen beschreven hen als de Witte mensen met lang haar). In het Tarim-gebied zijn hun dode lichamen g evonden (Tarim mummies). In Siberië (Pazyryk) zijn de mummies gevonden van hun verwanten. In de 2de of 1ste eeuw v. Chr. stichtten de Yuezhi de stad Gaochang. Deze nomaden werden door de Chinezen Gaoche genoemd, omdat zij wagens gebruikten die bijzonder hoge wielen hadden (Gaoche = hoge wagen). |
Mummies Aan het begin van de 20ste eeuw hebben onderzoekers als Sven Hedin, Aurel Stein en Albert von Le Coq bij hun opgravingen in de Taklamakan woestijn regelmatig goed geconserveerde lichamen gevonden. Daar werd toen vrijwel geen aandacht aan geschonken. Dit veranderde echter nadat in het midden van de jaren tachtig op diverse plaatsen langs de oude zijderoute (o.a. Niya, Cherchen, Miran, Lou-lan, Hami en Urumqi) meer dan 1.000 op natuurlijke wijze gemummificeerde lichamen werden gevonden. |
![]() |
![]() |
Deze bleken tussen de 3.000 en 4.000 jaar oud te zijn. De lichamen en hun kleding waren door de droogte, temperatuur en het hoge zoutgehalte van het woestijnzand in perfecte staat bewaard gebleven. |
Het bijzondere van deze mummies is dat deze mensen geen Chinezen of Mongolen waren maar Indo-Europeanen. Ze zijn lang, hebben rood of licht tot midden blond haar, rechte smalle neuzen, grote diepe oogkassen en misschien wel blauwe ogen. Hun kleding komt het meest overeen met die van de Kelten. Hun aanwezigheid bevestigt allerlei lokale volksverhalen waarin mensen met blond haar, snorren, baarden en blauwe ogen een rol speelden. Op basis van de gegevens die het multi-disciplinaire onderzoek naar de Tarim mummies tot nu toe heeft opgeleverd, en dat onder andere betrekking heeft op begraafrituelen, schedelmetingen en onderzoek naar leenwoorden (het genetisch onderzoek staat nog in de kinderschoenen), hebben Mair en Mallory als werkhypothese het volgende model opgesteld. De oudste bewoners van de Takla-Makan-woestijn zijn het gebied zo'n 2000 voor Christus vanuit de steppen in het noorden binnengetrokken. Deze kolonisten waren verwant aan de zogeheten Afanasevo-cultuur in het noordelijke hoogland, die de oostgrens vormde van het Indo-Europese taalgebied. Uit deze Afanasevo-cultuur zou ook het Tochaars zijn ontstaan. De benodigde irrigatietechnieken om aan de noordrand van de woestijn te kunnen overleven zou ze zich onderweg via contacten met Indo-Iraanse culturen hebben eigen gemaakt. Later voegden zich vanuit het westen andere volkeren bij hen, die voor een deel taalkundig door de Tocharen werden opgeslokt. In documenten van de Chinese Han-dynastie (206 v.Chr.-220 na Chr.) staan ze te boek als de Yuezhi, Wusun, en andere uitheemse volken ten westen van het keizerijk. Hun komst verraadt zich door het bestaan van Indo-Iraanse leenwoorden in het Tochaars.
Pas na de expedities van Mair raakte de westerse wetenschappelijke wereld in de ban van de Tarim-mummies. Op dit moment zijn zo'n duizend mummies uit hun graven gehaald, waarvan een beperkt deel door archeologen. De meeste zijn inmiddels vergaan of liggen in de open lucht te rotten op de begraafplaatsen waar ze zijn gevonden. Boeren op zoek naar hout, schatgravers, zoutwinners: er zijn vele redenen om de graven te schenden. De Oejgoeren ruimden volop graven met 'heidenen' om er hun eigen doden te kunnen herbergen. Ook in musea zijn de mummies niet veilig: slechts enkele krijgen een conserveringsbehandeling en de rest rot weg in kelders. Zelfs lokale Oeigoerse archeologen tonen zich soms ronduit vijandig tegenover de 'buitenlandse duivels' uit het verleden. Om die reden stopt Mair de mummies die hij en zijn teamleden in de ruige oases van de Takla-Makan opgraven na afloop van het onderzoek terug in hun graf en dekt ze toe met beschermend woestijnzand. |
Ten noorden van het woongebied van de Yuezhi lag het gebied van de Xiongnu, die de Yuezhi. Ca. 177 v. Chr. verdreven de Xiongnu de Yuezhi uit hun woongebied. Een groot deel van dit volk trok naar de Ili valley, direct ten noorden van de Tian Shan bergen, waar zij strijd leverden met de Saken ( Sai, Sakas or Scythians), die nadat zij waren verslagen werden verdreven naar het zuiden. Na het passeren van de Khunjerabpas trokken de Saken het gebied tussen Xinjiang and Noord-Pakistan binnen.
Na 155 v. Chr. werden de Yuezhi door de Wusun, die met de Xiongnu een alliantie waren aangegaan en uit vergelding voor een eerder conflict uit hun nieuwe woongebied verdreven en kwamen uiteindelijk terecht in Transoxonia, in het hedendaagse Uzbekeistan en Kazakstan ten noorden van het Griekse koninkrijk Bactrië. De Griekse stad Alexandria aan de Oxus werd door de Yuezhi tot de grond toe afgebrand (ca. 145 v. Chr.) De uit Bactrië verdreven Grieken, trokken vervolgens over de Hindoe Koesj naar het zuiden. |
![]() |
In de 1e eeuw v. Chr. drongen de Guishuang de Punjab binnen en stichtten in dit gebied het Kushan-rijk. Rond 165 ondernam de Hunnische keizer Lao-shang een veldtocht tegen de Yuezhi, gevestigd in oostelijk Kashgarië en Gansu, die voor de geschiedenis van het Aziatische continent verstrekkende gevolgen zou hebben. Als gevolg van deze veldtocht viel het koninkrijk van de Yuezhi helemaal uiteen. Een klein gedeelte van deze volksstam vluchtte zuidwaarts en vestigde zich tussen de Tibetaanse stammen der Qiang in het Nanshan-gebergte (de zogenaamde kleine Yue-zhi). Het grootste gedeelte vluchtte naar Dzungarije en vestigde zich langs de oevers van de Bi-rivier en het Issyk-kul-meer. Hiervoor moesten ze echter het aldaar wonende volk der Saka's (Chinees: Se) verdrijven. De Saka's weken op hun beurt uit naar Sogdië (Sogdiana) waar de aldaar heersende Griekse vorsten verdreven werden tot bezuiden de Oxus, d.w.z. tot in Bactrië (Bactriana). Niet lang daarna werden de Yue-zhi in hun pas verworven woongebied opnieuw aangevallen door de Wu-sun (ca. 160 v.Chr.), hun voormalige buren in oostelijk Kashgarië. De Yuezhi ruimden andermaal de plaats en wijken westwaarts uit. Hun plaats werd ingenomen door de Wu-sun die in Dzungarije bleven tot ze uit de geschiedenis verdwenen. In hun westwaartse beweging stootten de Yue-zhi andermaal op de inmiddels in Sogdania gevestigde Saka's. De Saka's wijken uit naar het zuidwesten en vallen het Parthische koninkrijk binnen. Zij vestigen zich in Drangiana (modern Seïstân). De Saka's die in Sogdië bleven, werden door de Chinezen Kang-ju genoemd. Zij die Drangiana bezetten, verhuizen in de eerste eeuw voor Christus naar het oosten en stichten een rijk aan de Beneden-Indus. De Yue-zhi bezetten Sogdiana en naderhand Bactriana, aldus een einde makend aan het Grieks-Bactrische koninkrijk (tussen 140 en 130). Tegen 129 v.Chr., datum van de aankomst van de Chinese gezant Zhang Qian (zie hoger), moeten de Yue-zhi zich georganiseerd hebben in een rijk met centrum ten zuiden van de Oxus, dat in de eerste eeuw van onze tijdrekening een periode van grootheid en bloei zal kennen onder de Kushân-vorsten. In de 2de of 1ste eeuw v. Chr. stichtten de uit Mongolië afkomstige nomadenstam Yuezhi de stad Gaochang. Deze nomaden werden door de Chinezen Gaoche genoemd, omdat zij wagens gebruikten die bijzonder hoge wielen hadden (Gaoche = hoge wagen). Gemaakt: 23-08-05; laatst gewijzigd: 27-02-06 |