5835 Khitan (Qidan) (Liao-dynastie) (907 - 1125)

In 916 riep de leider van Khitan (Qidan), een Mongools steppevolk dat het gebied bewoonde van het huidige Mantsjoerije, Ye-lü A-bao-ji, (A-buo-qi) (907-926), later bekend als keizer Taizu zich uit tot keizer van het "Grote Khitan-rijk", dat de geschiedenis is ingegaan als de Liao-dynastie (916-1125). 

Rechts: ruïnes van de hoofdstad van het Khitanrijk

Het oorspronkelijke thuisland van de Khitan was in Mantsjoerije, in het stroomgebied van de rivier de Liao (huidige provincie Jehol). Over hun etnische verwantschap tast men nog in het duister: proto-Toengoesisch, Turks of Mongools? In hun legenden is er sprake van een tussen twee rivieren gelegen heilige berg, waaromheen de acht oorspronkelijke stammengroepen van de Khitan leefden. In Chinese bronnen wordt voor het eerst van de Khitan melding gemaakt in de vierde eeuw. Reeds voor de val van de Tang-dynastie had dit volk een regionaal stepperijk uitgebouwd met alsnog nominale erkenning van de Chinese soevereiniteit. 

Na de val van de Tang echter riep de in 907 aan de macht gekomen leider van de Khitan, Ye-lü A-bao-ji, zichzelf uit tot keizer van het "Grote Khitan- rijk" (916), bekend als de Liao-dynastie. 

Bronzen begrafenismasker van verguld tin.

In de loop van de tiende eeuw groeide de Liao uit tot de machtigste staat van Oost-Azië. Zijn gebied strekte zich uit van de Japanse Zee in het oosten tot aan de voet van het Tian-shan-gebergte in het westen, en behelsde dus o.m. Binnen- en Buiten-Mongolië. Het rijk was zo machtig dat de naam Khitan op een bepaald ogenblik in de vorm Cathay synoniem werd met China. Die vorm werd ook in middeleeuws Europa bekend dankzij het reisverslag van Marco Polo.

De feitelijke stichter was dus zoals gezegd Ye-lü A-bao-ji, die sedert 907 de Khitan met krachtige hand leidde. Hij had diverse stammen in wat nu Noord-China is, onderworpen en China, dat getuige was van de val van de Tang-dynastie, was te zwak om te reageren. Tot aan zijn dood was hij druk bezig zijn gezag over deze onderworpen stammen te consolideren. Hij voerde ook raids uit naar het zuiden en annexeerde gedeelten van het Chinese territorium. 

Rechts: vrouwengewaad

Daardoor telde het rijk ook een aanzienlijke populatie van sedentaire Chinezen. Andere stammen, zoals de Oejgoeren erkenden zijn soevereiniteit. In 926 veroverde hij het rijk Balhae (Bo-hai) (Jin) Door zijn politiek van annexatie onderscheidde hij zich van voorgaande stepperijken, die zich doorgaans tevreden stelden met plundertochten.

De echtgenote van Ye-lü A-bao-ji, (A-buo-qi), Khatun Shu-lü Shih had een belangrijk aandeel in het . overmeesteren en vermoorden van haar mans tegenstanders en kreeg daarna grote macht. Zij had een eigen leger tot haar beschikking van 200.000 ruiters waarmee zij de orde handhaafde als haar echtgenoot op veldtocht was. Ook organiseerde zij zelf veldtochten tegen rivaliserende stammen. Na de dood van haar echtgenoot kreeg zij de controle over alle militaire en burgerlijke aangelegenheden. Zij weigerde met haar man te worden begraven, wat toen gebruikelijk was. Wel 300 anderen werden er in het mausoleum bijgezet. Zij was het niet eens met de benoeming van haar oudste zoon Yelu Bei als nieuwe keizer, en regelde het dat deze aan de kant werd geschoven ten gunste van haar andere zoon Yelu Deguang (902-47). Zij trad op als regentes en hield haar zoon onder flinke controle en oefende ook later grote invloed op hem uit. Na de dood van Deguangs in 947, riep Bei’s oudste zoon, Yelu Yuan (918 - 951), zichzelf uit tot keizer, maar de keizerin verzette zich daartegen en steunde de claim van haar derde zoon Lihu. Zij stuurde haar jongste zoon met een leger om Yuan te verhinderen terug te keren naar de hoofdstad. Toen dit leger werd verslagen liet de oude dame haar eigen leger een confrontatie aangaan met dat van haar kleinzoon. 

Detail van een bijzonder gehamerd gouden beeld van een Apsaras, uit de tijd van de Liao dynasty.  Een Apsaras is een vrouwelijke hemelse geest. Je komt deze o.a. ook tegen als stenen beelden aan de buitenkant van de tempels van Angkor Wat (Cambodja) en Kajuraho (India) en als de bekende danseressen uit Bali.

Yelu Yuan (918 - 951) werd opgevolgd door Yelu Jing (Muzong) 951-969, de zoon van Yelu Deguang. Latere keizers: Yelu Ruan - Wuyu (Shizong) 947-951 (kleinzoon van Abaoji's, zoon van Yelu Bei),  Yelu Jing (Muzong) 951-969 (zoon van Yelu Deguang),  Yelu Xian (Jingzong) 969-982 (zoon van Yelu Ruan,


Yelu Longxu (Shengzong) 982-1031 (zoon van Yelu Xian), Yelu Zongzhen (Xingzong) 1031-1055 (zoon van Yelu Longxu), Yelu Hongji (Daozong) 1055-1101 (zoon van Yelu Zongzhen), Yelu Yanxu (Tianzuo) 1101-1125 (kleinzoon van Yelu Hongji - zijn vader Yelu Jun, stierf in 1077)
.

Getuigenissen van de Khitan-cultuur zijn schaars. In elk geval is zij in grote mate schatplichtig aan de Chinese. Dat valt onder meer op te maken uit de grafschilderijen van Qing-ling (Kulun) in Binnen- Mongolië, waar men de graven van drie keizers heeft blootgelegd. Opvallend is wel dat de schilderijen technisch nog vrij primitief zijn en zelfs ruim voor vergelijkbare voorbeelden uit de Tang-tijd (618 - 907) moeten onderdoen. Hetzelfde geldt voor het bekende keramiek in drie kleuren (san-cai).

Muurschildering, voorstellend een theeceremonie, gevonden in een graftombe in het district Xuanhua

Het Boeddhisme in zijn Chinese versie werd de staatsgodsdienst. Op keizerlijk bevel werd een editie van de boeddhistische canon verzorgd, de Khitan-tripitaka. Dit wijst op de grote aanhang die het boeddhisme genoot. Het is echter de vraag in welke mate het begrepen en beleefd werd. Het lijken eerder de Chinese ingezetenen te zijn geweest die het boeddhisme beleden. Hoe dan ook, het waren vooral dharani's (boeddhistische magische litanieën) en andere magische praktijken die grote belangstelling genoten. Deze lagen meer in de lijn van oorspronkelijke stamtradities, waar het sjamanisme de regel was. In de graven van Khitan-edelen heeft men trouwens ook nog veel sjamanistische voorwerpen aangetroffen.

Vermeldenswaard is tenslotte nog het Khitan-schrift, een fonetisch schrift dat geïnspireerd was op Turkse en Oeigoerse voorlopers. De grafische symbolen werden echter zo gecombineerd dat ze op Chinese karakters leken, hetgeen voor een heel bevreemdend effect zorgt. Weinig teksten zijn echter bewaard gebleven en het schrift moet nog steeds ontcijferd worden.

Na de dood van keizer Ming-zong van de Latere Tang-dynastie in 933 werd zijn troon de inzet van een strijd tussen zijn erfgenamen. Zijn schoonzoon Shi Jing-tang deed een beroep op militaire steun van Khitan, die maar al te bereid waren op zijn verzoek in te gaan. Hij moest er wel een prijs voor betalen door ren gedeelte van het grondgebied van de Latere Tang aan Khitan af te staan en jaarlijks tribuut. Het plan slaagde. Shi Jing-tang besteeg de troon,. Omdat hij geen mannelijke nakomeling had kwam er in 936 een eind aan de Tang-dynastie. 

Shi Jing-tang had er steeds scrupuleus op toegezien zijn tribuutverplichtingen aan de Khitan-keizer na te komen. Zijn opvolger Hou-jin (936-947) van de Latere Jin-dynastie (936-947) vond het echter onterend een barbaar als soeverein te moeten erkennen en weigerde nog langer de pIichtplegingen na te komen. Dit lokte een strafexpeditie van de Khitan uit. Hoewel de eerste twee pogingen faalden, was het de derde keer raak. Khitan nam de hoofdstad Kaifeng in en nam keizer Hou-jin gevangen (946). De16 prefecturen (zhou), waaronder Yan (huidige Peking) en Yun (huidige Datong), werden afgestaan aan Khitan. Aangezien in deze gebieden ijzererts en steenkool gewonnen werden, was dit een waardevolle aanwinst. De Chinezen in de zestien aangehechte prefecturen mochten Chinees blijven en werden volgens Chinese wetten en reglementen bestuurd. De Khitan en verwante stammen werden bestuurd door "naar het noorden gekeerde ambtenaren".

Tijdens de elfde eeuw verloor het Khitan-rijk veel van zijn offensieve stootkracht. Pogingen om Korea te veroveren mislukten. Het had ook voortdurend last met de onderworpen volkeren, vooral de Bo-hai en de Jürchen.

Na zorgvuldige voorbereidingen kwam hun keizer Akuta in 1114 openlijk in opstand. De Khitan kregen de ene nederlaag na de andere te incasseren. In 1116 viel de oostelijke hoofdstad van de Khitan. In 1117 gaven de Khitan-legers in het noordoosten zich zonder weerstand over. Voor Akuta was dit voldoende reden om zichzelf tot keizer van de Jin-dynastie uit te roepen (1115 - 1234). 

Khitan-keizer Liao Tianzuodi wilde vredesonderhandelingen. Akuta's voorwaarden waren bijzonder streng. Hij eiste dat de Khitan-keizer hem erkende als "oudere broer"; dat hij hem jaarlijks tribuut zou betalen; dat hij drie districten aan de Jürchen zou afstaan; dat het hof van de Khitan gijzelaars zou sturen naar dat van de Jürchen; dat alle Jürchen-ambtenaren zouden vrijgelaten worden; en dat alle diplomatieke correspondentie tussen de Khitan, de Tangut, de Koreanen en de Chinezen aan Akuta overhandigd zouden worden. Inwilliging van deze eisen kwam neer op een verregaande uitholling van de soevereiniteit van de Khitan-keizer en toch deed hij het. Akuta wilde echter meer. Hij stuurde duidelijk aan op de verovering van het hele Khitan-rijk. Rond 1121 was reeds meer dan de helft van het territorium in handen van de Jürchen. De centrale en zuidelijke hoofdstad (Peking) vielen in resp. 1122 en 1123 en nadat Liao Tianzuodi (Tianzuo) in 1125 gevangen was genomen hield het rijk van de Khitan formeel op te bestaan.

Gemaakt: 12-03-06

colofon