Chinese bronnen vertellen ons dat de Dang-xiang sedert de Han-dynastie (206 v. Chr. - 220 n. Chr.) als semi-nomaden in westelijk Sichuan (een gebied in zuidwest China dat geheel omringd en beschermd wordt door hoge bergen) woonden. Toen het Tibetaanse koninkrijk aan zijn expansie begon (begin 7e eeuw), zochten ze hun heil in het China van de Tang. Ze mochten zich vestigen in de streek van de grote bocht van de Gele Rivier, nabij de Xia-prefectuur en de streek ten westen daarvan. Ze staken voor het eerst hun neus aan het venster ten tijde van de opstand van Huang-chao (874 - 875). Als dank voor hun hulp bij het verdedigen van Chang-an kreeg hun leider Tuo-ba Si-gong de keizerlijke familienaam Li en werd aangesteld tot militair gouverneur over het Ordos-gebied. In de eerste helft van de negende eeuw blijken de Tangut zich reeds in een rijk georganiseerd te hebben, dat zich uitstrekte van het Ordosgebied tot de huidige Gansu-provincie en dat in staat was de route waarlangs de handelsmissies van de Oejgoeren naar het Chinese hof trokken, te controleren. Dit had belangrijke gevolgen voor de Song omdat het de aanvoer van paarden naar China in het gedrang bracht.
In het begin van de Song-periode probeerden de Song-keizers de Tangut-vorst te vriend te houden, omdat ze zijn passieve of actieve medewerking nodig hadden in de confrontatie met de Noordelijke Han. Een Tangutleger hielp Song keizer Tai-zong (976 - 997) om deze rebellerende dynastie ten val te brengen (979).
In 982 brak een strijd om de troonsopvolging uit tussen twee nakomelingen van Tuo-ba (Li) Si-gong: Li Ji-peng en Li Ji-qian. Eerstgenoemde erkende de soevereiniteit van de Song en vroeg om hulp. Laatstgenoemde erkende de Khitan-keizer als zijn opperheer en ontving de investituur als koning van Xia. Hij viel herhaalde malen het territorium van de Song binnen. Beschermd door zijn alliantie met de Khitan begon Li Ji-qian ook zijn controle over de handelsroutes naar Centraal-Azië te versterken. In 1002 bezette hij Ling-zhou en richtte er een nieuwe hoofdstad in. Het verlies van deze streek was voor de Song een grote tegenvaller. Het was hun meest vooruitgeschoven post in het noordwesten en een belangrijke leverancier van paarden en zout. Heffingen op de transithandel en inkomsten van zoutwinning in de buurt van Ling-zhou verschaften de Tangut de nodige fondsen om een aangehouden oorlogvoering te financieren. Li Ji-qians campagnes verplichtten de Song legers aan hun westelijke grenzen gestationeerd te houden, een kostelijke zaak. De onhoudbaarheid van de toestand werd door de Khitan handig uitgebuit om de Chinezen de bepalingen van het vredesverdrag van Chan-yuan (1004) te doen slikken.
De Tangut-vorst Li De-ming (1003-1032) was in naam vazal van zowel de Song als de Khitan. Oost-Azië ging nu een periode van vrede tegemoet. In 1006 sloot hij vrede met de Chinezen: hij erkenden de soevereiniteit van de Song en kreeg in ruil schenkingen van zilver, zijde, geld en thee.
Zijn opvolger Li Yuan-hao (1032-1048) verbrak dit status-quo. Naar verluidt was hij klein van gestalte maar hij compenseerde dit gebrek ampel door een geweldig temperament, goed tactisch inzicht en een groot charisma. Bovendien was hij een erg belezen man, beslagen in de boeddhistische doctrine, Chinese studiën en wetgeving. In het begin van zijn regeringsperiode ondernam hij een campagne tegen de Oostelijke Tibetanen en de Oeigoeren die erop gericht was om alle handelsroutes naar China af te snijden. Eenmaal dit karwei geklaard richtte hij zijn aandacht op de uitbouw van een heus imperium. Hij liet een paleis bouwen, stelde een ambtenarij in naar Chinees voorbeeld en nam de Chinese hofkledij, hofmuziek en klederdracht over. In 1034 kondigde hij naar Chinees voorbeeld een jaarperiode af. In 1038 riep hij zichzelf uit tot keizer van de Grote Xia. Bovendien beweerde hij een nakomeling te zijn van de Toba die destijds de Noordelijke Wei hadden gesticht. Het symbolische belang van deze aanspraken was in de Chinese context van enorm belang. Het ging hier om een op de confuciaanse ideologie gefundeerde legitimiteit. Vooral het gebruik van de naam Xia, vanouds een elegant synoniem van China dat in het bijzonder verwees naar de Chinese culturele identiteit, was voor de Chinezen onverteerbaar. Er hing een oorlog in de lucht en die brak uit in 1040.
De Khitan dreigden de zijde van de Tangut te kiezen, maar na de Chinese toezegging de jaarlijkse betalingen met 100.000 ons zilver en evenveel rollen zijde te vermeerderen, zagen ze daarvan af en zetten de Tangut onder druk om naar een vreedzame regeling van het conflict te zoeken. In 1044 bereikten de partijen een overeenkomst, die analoog was met het verdrag van Chan-yuan. In het vredesverdrag van Qing-li zag Li Yuan-hao af van de titel van "keizer". De Song-keizer erkende hem als zijn oudere broer en beloofde jaarlijkse betalingen: 70.000 ons zilver; 150.000 rollen zijde en 40.000 pond thee.
Na de vrede van Qing-li trad een periode van relatieve vrede in, die de Tangut toeliet zijn commerciële relaties met de Khitan en de Song verder te ontwikkelen. Het was echter een gewapende vrede die door herhaalde grensschermutselingen gebroken werd. Naar het einde van de elfde eeuw lanceert de Song zelfs tot driemaal toe een campagne naar Tibet om het Tangut-rijk te verhinderen in die richting uitbreiding te zoeken, doch deze politiek van "inperking" had weinig succes.
Toen de Jürchen aan hun spectaculaire verovering van het Khitan- rijk begonnen, snelden de Tangut de Chinezen ter hulp. Toen ze verslagen werden onderhandelden ze over een vredesbestand met de Jürchen. Dit resulteerde in het tekenen van twee verdragen in 1117 en 1124, waarbij de Tangut beloofden afzijdig te blijven in het conflict tussen China en de Jürchen. De betrekkingen tussen beide grensrijken lijken tot aan de Mongoolse invallen vreedzaam geweest te zijn. In de documenten van de Zuidelijke Song is weinig sprake van de Tangut en dat is niet verwonderlijk, want de twee rijken hadden geen gemeenschappelijke grenzen meer.
|