2958

Tang Dynastie (859 - 907)

Tang dynastie (779 - 859)

Er volgden nog vier Tang keizers, die weinig of niets te betekenen hadden: Yizong (859 - 873) Xizong (873 - 888), Zhaozong (888-904) en uiteindelijk Aidi ( 904 - 907). 

Yizong (859 - 873)

Het Tangrijk werd in de late 9e eeuw opnieuw getroffen door een wijdvertakte opstand, waarvan het leger eerst uit Shandong naar de zuidelijke kuststrook trok (met bijvoorbeeld de plundering van de havenstad Canton tot gevolg ( 879) en vervolgens naar het hoofdstedelijk gebied (uitlopend in de verwoesting van Luoyang en Chang'an ( 880-881). Met de macht van de Tang was het nu definitief gedaan. In feite was het rijk al uiteengevallen in verschillende onafhankelijke machtscentra maar in 907 werd die toestand geformaliseerd door de afzetting van de laatste Tang-keizer Aidi

Sinds het begin van de Tang- dynastie was de militaire organisatie steeds gebaseerd geweest op het systeem van territoriaal bestuurde troepen, wat erop neerkwam dat de boeren werden gedwongen krijgsdiensten te verrichten. Zij kregen een militaire opleiding en konden te allen tijde worden opgeroepen. 

Toen de staatsgrenzen echter al te ver uitgedijd waren, werd dit systeem onhoudbaar, althans aan de duizenden kilometers lange grenzen. De steppevolkeren (Juan-Juan) stonden elkaar te verdringen om het Chinese rijk binnen te vallen. Om die invallen tegen te houden, of, beter nog, te voorkomen had de regering gouverneurs aangesteld, met militaire bevoegdheid over meerdere prefecturen (zhou). 

Om de barbaarse volkeren uit het noorden tegen te kunnen houden, was een staand leger vereist, dat een behoorlijke soldij uitbetaald kreeg. Om over de nodige geldmiddelen te kunnen beschikken kreeg de gouverneur de bevoegdheid om belastingen te heffen in zijn gebied en om efficiënt belastingen te kunnen heffen en innen was het wenselijk dat hij ook de civiele administratie van zijn ressort voor zijn rekening nam. Zo werden drie bevoegdheden in één persoon verenigd, hetgeen hem een buitengemeen grote macht gaf. Met name zijn fiscale volmachten waren voor de gouverneurs erg interessant. De inkomsten uit belastingen werden in drieën verdeeld: één deel voor de centrale regering, één deel voor het militaire gouvernement en één deel voor de diverse prefecturen (zhou) die onder zijn gezag stonden. Zelfs de belastingen voor de centrale regering gingen door de handen van de gouverneur. Dat betekende in de praktijk dat hij maar zoveel doorstuurde naar de hoofdstad als hem goed dacht.

Aangezien de soldaten hun soldij van de gouverneur kregen, was de bekoring voor hem sterk om het leger onder zijn gezag als zijn privé-leger te beschouwen en ook de soldaten zelf voelden meer loyaliteit ten aanzien van hun broodheer dan van de keizer die ver weg in Chang-an troonde. De onverschilligheid tegenover de hogere belangen van het imperium werd verder nog in de hand gewerkt doordat de meeste soldaten gerekruteerd werden uit "barbaarse" bevolkingsgroepen. Dit gold ook voor het officierenkorps en zelfs de militaire gouverneur zelf was niet zelden van niet-Chinese of gemengd Chinees-barbaarse afkomst. An Lu-shan was daarvan het meest bekende of beruchte voorbeeld. Na diens rebellie was de Tang-staat nooit meer dezelfde. 

Toen het duidelijk werd dat de opstand zou falen, kozen vele rebellerende generaals het zekere voor het onzekere. Zij gaven zich onder gunstige voorwaarden over aan de troon en ... werden ervoor beloond - op zich al een teken van de relatieve onmacht van het keizerlijk gezag. Zij werden aangesteld als militair gouverneur van provincies ten noorden van de Gele Rivier, waar ze zich naderhand ontpopten tot virtueel onafhankelijke regionale heersers. Zij vertikten het de belastingen door te sturen naar de centrale regering, stelden eigenmachtig ambtenaren aan en maakten hun eigen post min of meer erfelijk. Dit was met name het geval in de drie noordoostelijke provinciën, waar gewezen medestanders van An Lu-shan het voor het zeggen hadden, maar de tendens begon zich ook af te tekenen ten zuiden van de Gele Rivier. Immers ook in het binnenland werden meer en meer gebieden onder het bestuur van militaire gouverneurs geplaatst. Op het einde van de Tang-dynastie telde het rijk zo een dertigtal militaire gouvernementen binnen zijn grenzen.

De machtige legers onder hun gezag waren in grote mate samengesteld uit lieden van "barbaarse" afkomst. Zij waren oppervlakkig verchineesd - zij hadden een Chinese naam aangenomen, maar gevoelsmatig identificeerden zij zich niet met de Chinese staat.

Na het uiteenvallen van hun respectievelijke stepperijken hadden vele Turken (Tu-jue) en Oejgoeren zich binnen de Chinese rijksgrenzen gevestigd. De Chinese regering vreesde dat een grote concentratie van deze lieden in de grensgebieden grote gevaren inhield. Zij dwong hen daarom zich te vestigen in het binnenland, verstrooid tussen de Han-bevolking. Zij werden verchineesd in taal en gebruiken, maar konden zich toch maar moeilijk integreren in de agrarische maatschappij. Zij kwamen terecht in de sociaal in minder aanzien staande beroepen zoals dat van beroepsmilitair, handelaar of ambachtsman. Niet alleen rebellenlegers rekruteerden uit deze bevolkingsgroep, maar dat was ook het geval voor regeringslegers. (dit onderscheid is soms vaag, want wat de ene dag een rebellenleger was kon de volgende al keizerlijk leger zijn). Zij vormden hoe dan ook een onstabiele en onvoorspelbare factor in de Chinese maatschappij, in tijden van crisis een potentiële haard van opstand.

Wanneer deze lieden voor de handel kozen was dat vaak de lucratieve sluikhandel in zout, toentertijd een luxeartikel waar een regeringsmonopolie op rustte. Accijns op zout zorgde voor meer dan de helft van alle staatsinkomsten. Op ontduiking stond een zware straf, juist omdat ze zo lonend was. Een gedroomd terrein dus voor georganiseerde misdaad, de maffia. Om een of andere reden gebeurde het ook dat een man met opvoeding in dit circuit sukkelde, zoals bijvoorbeeld Huang Chao, een student die voor het staatsexamen was gezakt. Huang Chao was hij niet alleen een sluw handelaar, maar ook een goed ruiter en gedegen boogschutter. 

  Xizong (873 - 888)

Op een bepaald moment maakte hij gemene zaak met ene Wang Xian-zhi, die openlijk in opstand kwam tegen de dynastie (874-875). Beiden voerden elk een bende aan, die uit niet meer dan enkele duizenden manschappen bestond, hoofdzakelijk gerekruteerd uit vreemdelingen en verder ook nog ontheemde boeren en andere labiele elementen. 

Huang Chao begon zijn revolte in het zuidelijke deel van de huidige provincie Henan. Hier was een grote concentratie te vinden van barbaren die er zich door de overheid gedwongen gevestigd hadden. Zij hadden nog veel elementen van hun nomadische traditie behouden. Velen onder hen waren uitstekende ruiters en de regering kwam graag in dit gebied manschappen voor de keizerlijke cavalerie rekruteren. Na een ronselcampagne in deze streek was Huang Chao's bende uitgegroeid tot een leger van om en bij de 300.000 man. Nadat Wang Xian-zhi bij de Jangtsekiang gesneuveld was, slorpte hij ook diens milities op.

Deze gigantische legerbende begon nu aan een veldtocht kriskras door het Chinese binnenland, overal een spoor van plundering en vernieling achterlatend. Het netwerk van de zoutmaffia dat vertakkingen had door het hele land was hierbij ongetwijfeld behulpzaam en deed Huang Chao's leger nog verder aandikken. Eerst ging het zuidwaarts. Hij stak de Jangtsekiang over, zakte naar het zuiden af en bezette Guangzhou (Kanton). Hier maakte hij rechtsomkeer en marcheerde dwars door het binnenland naar het noorden, waar hij Luoyang, de oostelijke hoofdstad, bezette. Ook Chang-an lag nu binnen handbereik en viel hem als een rijpe vrucht in de schoot. Hij besteeg de troon en doopte zijn dynastie Da-qi, de grote Qi. De hoge ambtenaren van het Tang-bewind werden naar huis gestuurd en vervangen door officieren uit zijn eigen leger. De lagere ambtenaren mochten op hun post blijven.

Ministers en leden van de keizerlijke familie waren ofwel vermoord of hadden zelfmoord gepleegd, maar keizer Xi-zong, had tijdig de benen weten te nemen naar Chu, net als destijds zijn voorganger Xuan-zong tijdens de An Lushan-opstand in 755

Vanuit zijn toevluchtsoord riep hij op de rebel te bestrijden. Zijn oproep bleef niet zonder gevolg, zelfs niet in de rangen van de opstandelingen zelf. Sommige rebellen-generaals begonnen eraan te twijfelen of ze wel op het goede paard gewed hadden en liepen over. De afval van Zhu Wen, de aanvoerder van de stoottroepen, was een grote tegenvaller voor Huang Chao en een klaarblijkelijke meevaller voor de keizer , die de generaal met open armen ontving en hem de naam Zhu Quan-zhong Zhu, "de geheel toegewijde", gaf (wel zeer ironisch als men bedenkt dat juist deze man later de Tang-dynastie definitief naar de geschiedenisboeken zou verwijzen en in 907 zijn eigen dynastie zou stichten (de "Latere Liang" (Hou-Liang). 

Om Chang-an te heroveren deed de keizer een beroep op Li Ke-yong, eveneens een afvallige generaal uit Huang Chao's kamp. Hij was inmiddels al benoemd tot militair gouverneur van He-dong, met hoofdkwartier in Tai-yuan, in Shanxi. Hij was afkomstig uit de Turkse stam der Sha-tuo en stond bekend als de "eenogige draak" omdat zijn ene oog kleiner was dan het andere. De meeste van zijn troepen waren nog niet of nauwelijks verchineesd. Zij waren in gitzwarte uniformen gestoken, wat hun leger de bijnaam het "ravenleger" had opgeleverd. Onder Li Ke-yongs opperbevel heroveren de keizerlijke troepen Chang-an in 883. Het jaar erop, in alliantie met Zhu Quan-zhong, bracht hij Huang Chao de genadeslag toe. Tijdens deze campagne haalde hij zich door zijn aanstellerig gedrag de woede van zijn bondgenoot, die zijn meerdere was, op de hals en ontsnapte hij ternauwernood aan een aanslag, die Zhu Quan-zhong op hem had beraamd. Van dat moment af waren de wapenbroeders elkaars aartsvijanden.

Met de dood van de in het nauw gedreven Huang Chao in 884 was de rebel weliswaar verslagen, maar zijn reusachtige troepenmacht bleef stuurloos rondzwerven door het Chinese binnenland. Het zou een haast onuitputtelijke reserve van strijdkrachten worden voor de ettelijke militaire avonturiers, al dan niet op de officiële post van militair gouverneur, die elkaar de Tang-erfenis begonnen te betwisten. Allereerst was er de generaal die de fakkel van Huang Chao had overgenomen: Qin Zong-quan. Doch deze had niet het charisma van zijn voorganger. Toen Zhu Quan-zhong, die inmiddels militair gouverneur was geworden van Bian-zhou, een campagne ondernam tegen Qin Zong-quan, vielen diens troepen in grote drommen af en liepen zij over naar het kamp van Zhu Quan-zhong. Qin Zong-quan werd gevangen genomen en Sun Ru nam de fakkel over als opperbevelhebber over het restant van het rebellenleger, dat op dezelfde wijze bij iedere bevelswissel verder afbrokkelde.

De streek rond Yang-zhou ten zuiden van de Huai-rivier speelde een centrale rol in de krijgsverrichtingen. Deze stad aan het Grote Kanaal, was een centrum van handel en nijverheid. Zij had haar rijkdom te danken aan de zoutwinning. Haar economische welvaart maakte van haar een felbegeerde prijs onder de oorlogsheren. Yang Xing-mi
, een plaatselijke vechtjas, had er zich genesteld en was volop bezig er, niet zonder succes overigens, orde op zaken te stellen, toen hij eruit gejaagd werd door Sun Ru. Diens bedoelingen reikten echter niet verder dan plunderen en moorden en hij trok zich dra uit de stad terug. Yang Xing-mi kwam prompt terug en ontpopte zich tot een bekwaam en gewaardeerd bestuurder. Hij overviel Sun Ru's leger ten zuiden van de Blauwe Stroom (Jangtsekiang ), nam Sun Ru gevangen en doodde hem. Vele van diens manschappen gaven zich over en werden ingelijfd in Yang Xing-mi's leger. 

Zhu Quan-zhong, de andere erfgenaam van Huang Chao's leger, had ook zijn begerig oog laten vallen op Yang-zhou. Hij zakte langs het Grote Kanaal af naar het zuiden, maar Yang Xing-mi trok hem met zijn legers tegemoet en diende hem een verpletterende nederlaag toe bij de Huai-rivier. Deze stroom werd de grens tussen de machtsgebieden van beide oorlogsheren. Ten noorden ervan was Zhu Quan-zhong heer en meester, terwijl Yang Xing-mi het voor het zeggen had in een gebied dat zich uitstrekte tot Jiang-xi, d.w.z. de streek ten zuiden van de middenloop van de Blauwe Stroom. Hier begonnen zich de contouren af te tekenen van de regionale staat Wu (vanaf 892), later het rijksgebied van de dynastie van de Zuidelijke Tang (Nan-tang vanaf 937). Het deel van Sun Ru's troepen dat zich niet had willen overgeven was gevlucht naar Zhejiang. Qian Liu wierp zich op als hun leider. Hij wist met succes het hoofd te bieden aan de annexatie-pogingen van Yang Xing-mi en legde de basis van wat naderhand de staat Wu-yue zal worden. Een andere splintergroep van Sun Ru's leger, o.l.v. Ma Yin week uit naar de streek van Hunan en bezette het gebied tussen het meer Dong-ting en de Vijf Pieken (Wu-ling). Dit was de oorsprong van de onafhankelijke staat Chu (4 op het kaartje hieronder)

Links: Kaart van de vijf dynastieën, waarvoor in deze periode de grondslagen werden gelegd: de staat Wu (2); de staat Chu (4), de staat Zuidelijke Tang (1) en Min (3)

Zhaozong (888-904)

Tegen het einde van de Tang-dynastie tekenden zich vele satrapieën af op de Chinese landkaart. De rebellenlegers van Huang Chao en diens opvolgers speelden speelden in hun totstandkoming een cruciale rol. Na de terugkeer van de keizer naar Chang-an bouwde generaal Wang Jian in Shu zijn eigen machtscentrum uit. Een gelijkaardige ontwikkeling deed zich voor in het gebied van Fujian. Toen Qin Zong-quan in de steden van Henan amok maakte, was het leger van Guang-zhou met een deel van de bevolking naar het zuiden gevlucht. Deze krijgsbende wist zich van de rijke havensteden van Quanzhou en Fuzhou  meester te maken. Dit werd het begin van de latere staat Min.

De opstand van Huang Chao had de politieke kaarten grondig geschud . Had de plaatselijke ambtenaar voorheen nog de schijn van trouw aan het centrale gezag proberen te redden, dan kwamen nu in zijn plaats arrogante oorlogsheren die zich als heersers gedroegen. De machtigste was ongetwijfeld Zhu Quan-zhong. De zetel van zijn bestuur lag in Bian-zhou, florissante handelsstad op de samenvloeiing van de Gele Rivier en het door keizer Yang-di van de Sui gegraven Grote Kanaal. Het was de overslaghaven voor alle transport uit het Zuiden in de richting van Chang-an. In dat opzicht was het de gedroomde plaats om een machtscentrum uit te bouwen, omdat het a.h.w. op het scharnier tussen Noord- en Zuid-China lag. Maar de blik van Zhu Quan-zhong reikte verder. Hij slaagde erin Li Ke-yong in het noorden als vijand van de dynastie te marginaliseren en zelfs uit diens machtscentrum te verjagen. 

 Aan het keizerlijk hof had inmiddels Zhaozong de troon bestegen. Hij kon zich echter amper handhaven temidden van de kolkende hofintriges en twisten tussen de militaire kliek en de eunuchen. Zhu Quan-zhong werd te hulp geroepen, en richtte een bloedbad aan onder de eunuchen. Nu was de keizer echter aan de goodwill van Zhu Quan-zhong overgeleverd. Toen de omstandigheden zich daar toe leenden vermoordde hij de keizer en zette een kind op de troon. 

Aidi ( 904 - 907)

Zhu Quan-zhong warmde zich op om zelf de troon te bestijgen. In 907 was het zover. Hij dwong de jonge keizer tot troonsafstand en riep zichzelf uit tot stichter van de Latere Liang (Hou-liang)-dynastie (907-923). In 906 n.Chr. werd Chang'an bij de omverwerping van de Tang dynastie grotendeels verwoest.

  Toen de laatste T'ang-keizer Li Tzu aftrad in 907 volgde de De vijf dynastieën (907 - 960) in het noorden en Tien Koninkrijken in het zuiden (korte militaire dictaturen)

rechts: Bronzen spiegeltje uit de 8e - 10e eeuw met dierlijke en florale motieven. In het midden een stierenkop.

 De Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken (907 - 960)

Laatst bijgewerkt: 22-07-05

colofon