2956 |
Tang Dynastie (712 - 779) |
![]() |
![]() |
De periode van die restauratie (710 - ca. 750) geldt als de tweede grote bloeiperiode (na het "heroïsche" tijdperk van ![]() |
Onder keizer Het verder oostelijk gelegen Luoyang (in de huidige provincie Henan) werd de tweede hoofdstad van het rijk. In 751 leed zijn leger een zware nederlaag tegen het Islamistische Abssasidenrijk. Van de gevangenen die de Abassiden maakten leerden zij de geheimen van het papier en van de zijde. Hetzelfde jaar slaagden de Oejgoeren er na zeven jaar in de Chinese bezetter uit Oost-Turkestan (Xinjiang) te verdrijven. |
![]() |
![]() |
Links: de oude stadsmuren van Chang'an |
![]() Rechts: donkerrood de huidige Chinese provincie Xinjang (= Nieuwe grens), waar de nu Islamitische Oejgoeren nog steeds de grootste bevolkingsgroep vormt. |
![]() |
![]() |
Op 55-jarige leeftijd werd hij verliefd op de vrouw van een van zijn zonen, de mooie Yang Guifei, die haar echtgenoot verliet en het keizerlijk paleis kwam bewonen als daoistische priesteres. Xuazong, moe van regeren gaf zich volledig aan haar over en Yang's familie kreeg grote invloed aan het hof. Yang Guifei was mooi en origineel. Ze kleedde zich op een voor die tijd uitzonderlijke manier en al vlug vergat de keizer zijn politiek van zuinigheid aan het hof en nam 700 kleermakers in dienst om de kledij van zijn geliefde te verzorgen. Ook haar haartooi en " make-up " was ongewoon. Ze werd symbool voor schoonheid in gans China en bepaalde "de mode" in aristocratische middens. Bij terracotta verzamelaar is ze nu bekend als " fat lady ". De militaire expansie had geleid tot de toenemende macht en zelfstandigheid van (ten dele niet-Chinese) legerleiders in de grensprovincies, hetgeen spanningen opriep tussen het politieke centrum van het keizerlijke hof in Chang’an en deze legerleiders, welke de Tang tot de rand van de afgrond zouden brengen. De intriges aan het hof konden , om wat voor redenen dan ook, niet door de keizer c.s. worden bedwongen. Het centrum beschikte over onvoldoende militaire macht onder haar directe controle. Tijdens de laatste jaren van de lange regering van Xuanzhong begon de glans van de dynastie te verbleken. De keizerlijke macht begon te verslappen: de hovelingen verwierven zich een groeiende invloed en tenslotte ontaardde dit in een regelrechte machtsstrijd om de troon. Intrigerende hovelingen maakten zich meester van de gunst van de oude keizer. De meest prominente hiervan was de jonge en blijkbaar onweerstaanbare keizerlijke concubine, Yang Guifei. De keizer had alles voor haar grillen over. In de ogen van de traditionele Chinese geschiedschrijving is zij de belichaming van de beginnende degeneratie van de Tang-dynastie en de oorzaak van alle ellende die nog volgen zou. Onder haar protectie kwamen dubieuze lieden op, die de macht langzaam maar zeker uit handen van de keizer roofden. De meest beruchte onder hen was An Lushan, een jonge en machtige generaal van Turks-Sogdiaanse afkomst, die in 751 in de gunst van Yang Guifei kwam te staan. Dankzij haar klom hij op tot de hoogste kringen aan het hof en op een gegeven ogenblik werd hij belast met het commando over de beste troepen van de keizer. Dit was voor An Lushan niet voldoende. Al vlug deden allerlei geruchten aan het hof de ronde, maar de keizer bleef blind. Ondertussen kreeg China weer last van stammen in het noorden. De sterke opkomst van de Islam gaven de noordelijke stammen nieuwe impulsen en aan de grenzen volgde de ene Arabische overwinning op de andere. Ook de Tibetanen kwamen China bedreigen. In 751 waren ze zo ver op Chinees grondgebied doorgedrongen dat de zijderoute werd afgesloten. Voor China was daarmee de toegang tot India en het westen afgesloten. De An Lushan-opstand (755 - 766) De An Lushan-opstand telt als hèt keerpunt in de politieke geschiedenis van de Tang: daarna gaat het met de dynastie als politieke macht bergafwaarts, al blijft het als ritueel-symbolisch systeem tot 907 bestaan. Dit politieke verval betekent echter niet dat het met de economie slecht ging, want door de verzwakking van het centrum bleef meer van het plaatselijke surplus in de regio’s hangen en dit kwam met name de ontwikkeling van het zuiden zeer ten goede. Al in de eerste helft van de Tangperiode hadden de regionale militaire leiders grote macht, vooral in de grensgebieden. Door het bedwingen van de opstand van An Lushan werd hun positie nog veel sterker. Het hele rijk werd verdeeld in een aantal militaire gebieden waar de regionale commandanten vrijwel onafhankelijk de macht uitoefenden, met inbegrip van de inning van belastingen.
|
Laatst bijgewerkt: 22-07-05 |