2957 |
Tang Dynastie (779 - 859) |
![]() |
De An Lushan-opstand had een grote klap toegebracht aan het prestige van het keizerlijke hof. Vooral de afhankelijkheid van regionale bevelhebbers was gevaarlijk toegenomen. De keizer moest voortdurend de dreigende dynastieke ambities van deze krijgsheren bestrijden. Opstanden braken regelmatig uit, vooral in de noordoostelijke provincies tijdens de periode van 809 - 822. Een ander probleem was de toegenomen agressiviteit van verschillende nomadische stammen, die de grenzen van het rijk bedreigden. Reeds in 751 werden de troepen van de Tang verslagen door een coalitie van Turken en Arabieren bij de Talas-rivier in de buurt van Samarkand. Dit was ver van Chang'an. Dichter bij huis doemden de Tibetanen op. Zij hadden in de achtste eeuw een krachtige centrale koninkrijk gesticht, dat op expansie uit was. Na het begin van de An Lushan-opstand trokken de Chinezen zich in 756 terug uit het Tarim-bekken, waarbij zij het gehele westen van het vroegere Tang-rijk in handen kregen. Een andere haard van verzet tegen de Tang lag in het zuiden, ter plaatse van de huidige provincies Yunnan en Guizhou, waar in de tweede helft van de achtste eeuw het sterke koninkrijk Nanzhao opgekomen was. Hoewel capabele keizers gedurende het grootste deel van de 9e eeuw erin slaagden weer voor stabiliteit en welvaart te zorgen, was aan het gezag van de dynastie onherstelbare schade toegebracht. De troon was speelbal geworden van verschillende machtsgroepen, vergelijkbaar met de laatste decennia van de Han-dynastie. |
Tussen 875 en 884 ging het helemaal mis bij een catastrofale opstand die uitgebroken was in het hart van het rijk als gevolg van hongersnood. Deze opstand, genoemd naar zijn leider Huang Zhao, ging als een lopend vuur door het hele rijk. Vooral het tot dan toe redelijk gespaarde zuiden van het rijk kreeg het zwaar te verduren. Ook dit keer moest het hof naar Sichuan vluchten. Hoewel de keizer na het neerslaan van het oproer in 884 weer in Chang'an terugkeerde had het hof alle macht verloren. Na een jarenlange machtstrijd tussen verschillende op de troon beluste krijgsheren, zette een van hen, Zhu Wen, de laatste keizer in 907 af en benoemde zichzelf tot keizer van de nieuwe (Latere) Liang-dynastie, die slechts tot 914 bestond. | ![]() |
Na de rebellie van An Lushan kreeg het politieke centrum in Chang’an de belastinginning op plaatselijk niveau niet meer volledig terug onder haar controle. Daarbij ging het natuurlijk niet om de grensgebieden die sowieso onder de militaire controle van vrijwel onafhankelijke generaals stonden, maar om het kerngebied van de noordchinese laagvlakte. Daar werd de Tang-macht vooral ondermijnd door de sterke groei van grote domeinen, zowel van privé-grootgrondbezitters als van rijke kloosters. Aanvankelijk lukte het de staat wel om zijn inkomsten enigszins te herstellen. In de eerste plaats was dat het gevolg van een belangrijke belastinghervorming (780), waarbij werd overgegaan van het oude systeem van hoofdelijke belasting in natura over de opbrengst van grond (waarin het bezit van de grond formeel irrelevant is) naar een stelsel van belasting geheven op het bezit van grond én de opbrengst uit dit bezit. In dit nieuwe systeem werd de belasting geïnd in twee etappes, in de zomer en het najaar, meestal gekoppeld aan de twee belangrijkste oogstmomenten (liangshui fa, de "methode van de tweemalige belastingheffing"). Hierbij was het bezit van grond de doorslaggevende factor in het voldoen van belasting en kon (vooralsnog) de massale belastingontduiking als gevolg van de groei van het grootgrondbezit worden tegengegaan. Het continue herverdelen van de grond verdween, als ideaal en als praktijk. Een tweede bron van staatsinkomsten werd in toenemende mate gevormd door een versterking van de staatsmonopolies op de productie en/of distributie van essentiële producten zoals zout, sterke drank en thee. Hierbij maakte de staat gebruik van de diensten van een aantal rijke handelshuizen - een ontwikkeling die een grote stimulans betekende voor handel en geldverkeer. Naast de diverse belastingen en monopolies, bleven verschillende vormen van corvee vooralsnog bestaan. Het voortgaande politieke verval van het centrale bewind in de 9e eeuw ging gepaard met een versnelde economische ontwikkeling, want de diverse regionale bevelhebbers streefden ernaar in hun eigen machtsgebied de inkomsten te vergroten en daartoe de economie te versterken. In zoverre het plaatselijke surplus in de vorm van belastingen werd afgeroomd, vloeiden deze ook weer als investeringen terug in de plaatselijke economie, in plaats van het verder gelegen politieke centrum van Chang’an. In Chang’an en het nabij gelegen Luoyang resideerden het hof en vele vooraanstaande aristocratische families, wier maatschappelijke positie geheel afhankelijk was van het hof. Het verval van het politieke centrum in deze twee steden ging gelijk op met de opkomst van verschillende rijkere regio’s. |
De oudste zoon van Dezong,
Zijn opvolger |
![]() |
Op het gebied van poëzie bracht de Tang-dynastie verschillende van China's meest gevierde dichters voort, waaronder Li Taibai (701 - 762; ook Li Bo of Li Bai genoemd) en Du Fu (712 - 770).
Links: Dichter Li Taibai |
Tijdens de Tang-dynastie beleefde de schilderkunst haar eerste klassieke fase.
De schilders Wu Daozi (actief van 710 - 760) en Wang Wei (699 - 759) produceerden werken, die gelden als klassieke voorbeelden en hebben de schilderkunst sindsdien blijvend beïnvloed. Van Wu Daozi is bekend dat hij boeddhistische tempels in Chang'an en Luoyang gedecoreerd heeft. Van zijn werk is echter niets bewaard gebleven. Dit geldt eveneens voor de landschapsschilder (en tevens dichter) Wu Wei. Naast deze beide grootheden waren er gedurende de Tang vele anderen actief van wie men de stijl kent en waarvan werken als kopiën uit latere perioden bewaard gebleven zijn. Op religieus gebied bewerkstelligden de kosmopolitische openheid en de tolerantie een grote bloei van het boeddhisme en andere buitenlandse godsdiensten binnen China's grenzen. Het is bekend dat zelfs het Christelijke Nestorianisme door Taizhong werd bevorderd. Ook puur Chinese filosofie en religie floreerden, met op de eerste plaats het taoïsme. rechts: Li Cheng, Boeddhistische tempel in de bergen |
|
|
Geglazuurd beeld van een paard uit de Tang-dynastie; Luoyang Museum, Luoyang (provincie Henan). |
rechts: Bronzen spiegeltje uit de 8e - 10e eeuw met dierlijke en florale motieven. In het midden een stierenkop. |
![]() |
Laatst bijgewerkt: 22-07-05 |