5848 |
Song-dynastie (997-1127) |
![]() In de 11de eeuw volgde een nieuwe periode van oorlogen. In deze periode waarin de islam langzaam maar zeker het boeddhisme verdrong uit het Tarim bekken werden vele documenten en religieuze voorwerpen vanuit de kloosters en tempels van de stad en het omliggende gebied verborgen in de Mogao grotten. |
|
Links: Kaifeng, de hoofdstad van de Noordelijke Songdynastie (960 - 1127). |
De vriendschappelijke betrekkingen tussen de "barbaarse" rijken Tangut en Jin vormden een levensgrote bedreiging voor de Song, dat nu met twee fronten in het noorden rekening diende te houden. In 1002 veroverde de Tangut heerser Li Ji-qian van Xia de stad Ling-zhou en stichtte er een nieuwe hoofdstad in. Het verlies van deze streek was voor de Song een grote tegenvaller. Het was hun meest vooruitgeschoven post in het noordwesten en een belangrijke leverancier van paarden en zout. |
![]() |
In de hoop uit deze voor China ongunstige situatie maximaal voordeel te kunnen halen lanceerde Met dit verdrag kochten de militair zwakkere Chinezen de vrede af. Voor Khitan betekende het een gigantische bron van inkomsten. Dit was een historische mijlpaal. Omringd als ze waren door machtige barbaarse buren moesten de Song zich van andere dan militaire middelen bedienen om conflicten te bedwingen. Zij ontwikkelden een intense diplomatieke activiteit. Het belang van de diplomatie wijst ook op een wijziging in de manier waarop Chinezen hun betrekkingen met andere staten zagen. Het hautaine concept van "tianxia" (alles onder de hemel, d.i. wereldimperium) was niet langer houdbaar. Zij zagen zichzelf als een "guo", een staat tussen andere, zij het minder beschaafde staten. De Chinese keizer gold weliswaar als de oudere broer en de Khitan-keizer als de jongere, maar in elk geval verwezen de officiële Chinese documenten naar de Khitan-heerser als naar de "Keizer van de Grote Liao". Er moet hier op gewezen worden dat in de confuciaanse wereldvisie en de ideologie van het Chinese keizerrijk een relatie op voet van gelijkheid tussen China en een andere staat eigenlijk onmogelijk was. De terminologie ontbrak er zelfs voor, want alle confuciaanse relaties zijn nu eenmaal verticaal, met uitzondering misschien van die tussen vrienden. Daarom werd dan die relatie gekozen die het dichtst die van gelijkheid benaderde en dat was die tussen oudere en jongere broer. Dankzij deze terminologie konden de Chinezen in hun eigen ogen het gezicht redden: als oudere broer waren ze immers de meerdere. |
![]() |
Het verdrag legde de basis van een gespannen vrede tussen de Song en de Khitan staat, die toch tot aan de ondergang van deze laatste staat gehandhaafd bleef. Het deed ook de handel, een staatsmonopolie, tussen beide staten heropbloeien. De Khitan hadden paarden en zout te bieden, de Chinezen zijde en thee. Slechts één keer kwam de vrede in gevaar. Toen de Song in oorlog waren met de Tangut omwille van het dragen van de keizerlijke titel, dreigden de Khitan onder voorwendsel van hun bondgenootschap met de Tangut zich in de strijd te mengen. De Song stelden dadelijk voor om te onderhandelen. Zij stelden een aanzienlijke vermeerdering van hun jaarlijkse betalingen aan de Khitan voor: 100.000 rollen zijde en evenveel ons pond zilver bovenop de reeds geldende hoeveelheden. De Khitan gingen met graagte in op het royale voorstel en maakten een einde aan hun mobilisatie. In 1006 sloten ook de Tangut vrede met de Chinezen: zij erkenden de soevereiniteit van de Song en kregen in ruil schenkingen van zilver, zijde, geld en thee.
In 1040 dreigde er opnieuw een oorlog tegen de Tangut. In 1038 had Na de vrede van Qing-li trad een periode van relatieve vrede in. Het was echter een gewapende vrede die door herhaalde grensschermutselingen gebroken werd. Naar het einde van de elfde eeuw lanceertde de Song zelfs tot driemaal toe een campagne naar Tibet om het Tangut-rijk te verhinderen in die richting uitbreiding te zoeken, doch deze politiek van "inperking" had weinig succes.
De zesde Song-keizer Toen na een eeuw consolidatiepolitiek de laatste schaduw van de regionale autonomie geweken was, achtte men de tijd rijp om de oude Tang-structuur in al zijn glorie te herstellen. Dit gebeurde in 1080 onder het bewind van keizer Tot aan de rebellie van An Lu-shan (755) was de Chinese economie in grote mate autarkisch. De adel bezat latifundia (zhuang-yuan) die door horigen en slaven bewerkt werden en vrijwel geheel in eigen behoeften konden voorzien. Het einde van de Tang is getuige van de ontbinding van de gesloten economie en de ontwikkeling van de handel. Dit houdt verband met de maatschappelijke emancipatie van de horigen en landslaven, die nu een zekere mate van persoonlijke vrijheid verwierven en pachter werden op de landgoederen. Sedert de instelling van het zoutmonopolie hadden de landheren een andere stijl van beheer van hun landgoederen aangenomen. Voorheen moesten ze uiteraard instaan voor het levensonderhoud van hun horigen en slaven. Het meeste voedsel werd ter plaatse gewonnen en kostte dus niets, maar zout diende aangekocht te worden. Na de instelling van het staatsmonopolie verveelvoudigde de prijs van zout en de landheren konden of wilden dat niet langer opbrengen. Door hun slaven en horigen "vrij" te maken waren ze ontslagen van de verplichting hen zout te geven. Ze moesten het nu zelf zien te kopen. De landheer beperkte er zich nu toe zijn land te verpachten aan de pachter en als pacht een deel van de opbrengst te eisen. Deze grote groep van voortaan op zichzelf aangewezen pachters had nood aan allerlei verbruiksgoederen in kleine hoeveelheid. Dit stimuleerde uitwisseling en om deze vlot te laten verlopen had men behoefte aan handige betaalmiddelen. Zo ontstonden wissels en geld en groeide een geldeconomie. Ook de landeigenaars zagen de mogelijkheden van de handel en het verkeer in en begonnen producten voor de markt te produceren. |
![]() |
![]() |
Toen de Jürchen in 1114 aan hun spectaculaire verovering van het Khitan-rijk begonnen, snelden de Tangut de Chinezen te hulp. Toen ze verslagen werden, onderhandelden ze over een vredesbestand met de Jürchen. Dit resulteerde in het tekenen van twee verdragen in 1117 en 1124, waarbij de Tangut beloofden afzijdig te blijven in het conflict tussen China en de Jürchen.
In 1126 kwamen er problemen toen de Jurchen (Jin-dynastie) het Song-rijk binnenvielen. de Jin liepen ongeveer eenderde van het land onder de voet, waaronder de hoofdstad Kaifeng. De keizer en een groot deel van zijn familie werden gevangen genomen. Er werd nooit meer iets van hen vernomen, maar één zoon wist te ontsnappen.
Laatst gewijzigd: 14-06-06 |