5848

Song-dynastie (997-1127)

Song- dynastie (960 - 997)

In de 11de eeuw volgde een nieuwe periode van oorlogen. In deze periode waarin de islam langzaam maar zeker het boeddhisme verdrong uit het Tarim bekken werden vele documenten en religieuze voorwerpen vanuit de kloosters en tempels van de stad en het omliggende gebied verborgen in de Mogao grotten

Links: Kaifeng, de hoofdstad van de Noordelijke Songdynastie (960 - 1127).

Zhenzong (997-1022)

De vriendschappelijke betrekkingen tussen de "barbaarse" rijken Tangut en Jin vormden een levensgrote bedreiging voor de Song, dat nu met twee fronten in het noorden rekening diende te houden. 

In 1002 veroverde de Tangut heerser Li Ji-qian van Xia de stad Ling-zhou en stichtte er een nieuwe hoofdstad in. Het verlies van deze streek was voor de Song een grote tegenvaller. Het was hun meest vooruitgeschoven post in het noordwesten en een belangrijke leverancier van paarden en zout.

In de hoop uit deze voor China ongunstige situatie maximaal voordeel te kunnen halen lanceerde Sheng-zong (982-1031), beschouwd als de grootste keizer van het Mongoolse Khitan-rijk, in 1004 een invasie van het Song-territorium. De campagnes van Khitan en Xia verplichtten de Song legers aan hun westelijke grenzen gestationeerd te houden, een kostelijke zaak. De onhoudbaarheid van de toestand werd door de Khitan handig uitgebuit om de Chinezen de bepalingen van het vredesverdrag van Chan-yuan (1004) te doen slikken: de Song erkenden het territoriale status-quo: de Khitan behielden alle door hen veroverde Chinees gebied. Daarbovenop dienden de Chinezen jaarlijks aan de Khitan 200.000 rollen zijde en 100.000 ons zilver te betalen. De Song riepen een bureau voor de Diplomatieke Betrekkingen met de Khitan in het leven, waarin de Song-keizer werd bejegend met de egards van een "oudere broer" en de Khitan-vorst met die van de "jongere broer". In diplomatieke stukken verwees de Song naar zichzelf als de Zuidelijke Dynastie en naar de Khitan als naar de Noordelijke Dynastie. Jaarlijks werden gezanten naar elkaars hof gestuurd.

Met dit verdrag kochten de militair zwakkere Chinezen de vrede af. Voor Khitan betekende het een gigantische bron van inkomsten. Dit was een historische mijlpaal. Omringd als ze waren door machtige barbaarse buren moesten de Song zich van andere dan militaire middelen bedienen om conflicten te bedwingen. Zij ontwikkelden een intense diplomatieke activiteit. Het belang van de diplomatie wijst ook op een wijziging in de manier waarop Chinezen hun betrekkingen met andere staten zagen. Het hautaine concept van "tianxia" (alles onder de hemel, d.i. wereldimperium) was niet langer houdbaar. Zij zagen zichzelf als een "guo", een staat tussen andere, zij het minder beschaafde staten. De Chinese keizer gold weliswaar als de oudere broer en de Khitan-keizer als de jongere, maar in elk geval verwezen de officiële Chinese documenten naar de Khitan-heerser als naar de "Keizer van de Grote Liao". Er moet hier op gewezen worden dat in de confuciaanse wereldvisie en de ideologie van het Chinese keizerrijk een relatie op voet van gelijkheid tussen China en een andere staat eigenlijk onmogelijk was. De terminologie ontbrak er zelfs voor, want alle confuciaanse relaties zijn nu eenmaal verticaal, met uitzondering misschien van die tussen vrienden. Daarom werd dan die relatie gekozen die het dichtst die van gelijkheid benaderde en dat was die tussen oudere en jongere broer. Dankzij deze terminologie konden de Chinezen in hun eigen ogen het gezicht redden: als oudere broer waren ze immers de meerdere.

Het verdrag legde de basis van een gespannen vrede tussen de Song en de Khitan staat, die toch tot aan de ondergang van deze laatste staat gehandhaafd bleef. Het deed ook de handel, een staatsmonopolie, tussen beide staten heropbloeien. De Khitan hadden paarden en zout te bieden, de Chinezen zijde en thee. Slechts één keer kwam de vrede in gevaar. Toen de Song in oorlog waren met de Tangut omwille van het dragen van de keizerlijke titel, dreigden de Khitan onder voorwendsel van hun bondgenootschap met de Tangut zich in de strijd te mengen. De Song stelden dadelijk voor om te onderhandelen. Zij stelden een aanzienlijke vermeerdering van hun jaarlijkse betalingen aan de Khitan voor: 100.000 rollen zijde en evenveel ons pond zilver bovenop de reeds geldende hoeveelheden. De Khitan gingen met graagte in op het royale voorstel en maakten een einde aan hun mobilisatie.

In 1006 sloten ook de Tangut vrede met de Chinezen: zij erkenden de soevereiniteit van de Song en kregen in ruil schenkingen van zilver, zijde, geld en thee. 

Renzong (1022-1063)

In 1040 dreigde er opnieuw een oorlog tegen de Tangut. In 1038 had Li Yuan-hao zichzelf uitgeroepen tot keizer van de Grote Xia. Vooral het gebruik van de naam Xia, vanouds een elegant synoniem van China dat in het bijzonder verwees naar de Chinese culturele identiteit, was voor de Chinezen onverteerbaar. De Khitan dreigden de zijde van de Tangut te kiezen, maar na de Chinese toezegging de jaarlijkse betalingen met 100.000 ons zilver en evenveel rollen zijde te vermeerderen, zagen ze daarvan af en zetten de Tangut onder druk om naar een vreedzame regeling van het conflict te zoeken. In 1044 bereikten de partijen een overeenkomst, die analoog was met het verdrag van Chan-yuan. In het vredesverdrag van Qing-li zag Li Yuan-hao af van de titel van "keizer". De Song-keizer erkende hem als zijn oudere broer en beloofde jaarlijkse betalingen: 70.000 ons zilver; 150.000 rollen zijde en 40.000 pond thee.

Na de vrede van Qing-li trad een periode van relatieve vrede in. Het was echter een gewapende vrede die door herhaalde grensschermutselingen gebroken werd. Naar het einde van de elfde eeuw lanceertde de Song zelfs tot driemaal toe een campagne naar Tibet om het Tangut-rijk te verhinderen in die richting uitbreiding te zoeken, doch deze politiek van "inperking" had weinig succes.

Yingzong (1063 - 1067)

Shenzong (1067- 1085)

De zesde Song-keizer Shenzong  was een doortastende vorst. Hij was onder de indruk gekomen van het uitstekende vertoog van een jonge ambtenaar, Wang Anshi. Na afloop van zijn termijn als ambtenaar in de provincie, had hij zijn ideeën uiteengezet in een geschrift onder de titel Wanyan shu. Hierin betoogde hij dat de belabberde toestand van het rijk te wijten was aan de veronachtzaming van de instellingen en wetten. Hij riep op tot een nieuwe politieke cultuur en maatschappelijk ethos. Shenzong ontbood hem naar de hoofdstad en gaf hem de functie van academicus in de Hanlin-academie. Hier fungeerde hij als een soort secretaris van de keizer. 

Toen na een eeuw consolidatiepolitiek de laatste schaduw van de regionale autonomie geweken was, achtte men de tijd rijp om de oude Tang-structuur in al zijn glorie te herstellen. Dit gebeurde in 1080 onder het bewind van keizer Shen-zong. Het was uiteraard in de Commissie voor Staatsfinanciën, die veel van de voormalige functies van de Ministeries, Hoven en Directoraten had opgeslorpt, dat het eerste het mes werd gezet.  Dit leidde uiteindelijk tot de ontbinding van de Commissie voor Staatsfinanciën en de haar toegevoegde subcommissies. De hervormingswet had weinig effect op de Drie Departementen. Hun functies bleven schimmig en weinig gedifferentieerd. De raadsheren bleven vrijwel ex officio de post van vice-directeurs van één of twee van de Departementen cumuleren. De posten van directeur bleven vacant. Hoewel de Zes Ministeries nominaal ondergeschikt bleven aan het Departement voor Staatszaken, verloor dit laatste een groot deel van zijn identiteit. De Zes Ministeries, de Negen Hoven en de Vijf Directoraten kregen weer klaar omschreven en reële functies. Het gevolg was dat de nomenclatuur van de talrijke posten binnen elk van deze instellingen niet langer als weddeschaal en tabel van titulaire rangorde gebezigd kon worden. Er werden dus nieuwe schalen aangelegd waarin prestigetitels uit de Tang gebruikt werden om de diverse barema's aan te geven. De hervorming bleek echter niet ver genoeg te zijn gegaan, zodat in menig geval de bevoegdheden van verschillende diensten elkaar overlapten. Op het einde van de Noordelijke Song en in het begin van de Zuidelijke Song bleken dan ook meerdere herzieningen nodig om de administratieve structuur doorzichtiger te maken.

Tot aan de rebellie van An Lu-shan (755) was de Chinese economie in grote mate autarkisch. De adel bezat latifundia (zhuang-yuan) die door horigen en slaven bewerkt werden en vrijwel geheel in eigen behoeften konden voorzien. Het einde van de Tang is getuige van de ontbinding van de gesloten economie en de ontwikkeling van de handel. Dit houdt verband met de maatschappelijke emancipatie van de horigen en landslaven, die nu een zekere mate van persoonlijke vrijheid verwierven en pachter werden op de landgoederen. Sedert de instelling van het zoutmonopolie hadden de landheren een andere stijl van beheer van hun landgoederen aangenomen. Voorheen moesten ze uiteraard instaan voor het levensonderhoud van hun horigen en slaven. Het meeste voedsel werd ter plaatse gewonnen en kostte dus niets, maar zout diende aangekocht te worden. Na de instelling van het staatsmonopolie verveelvoudigde de prijs van zout en de landheren konden of wilden dat niet langer opbrengen. Door hun slaven en horigen "vrij" te maken waren ze ontslagen van de verplichting hen zout te geven. Ze moesten het nu zelf zien te kopen. De landheer beperkte er zich nu toe zijn land te verpachten aan de pachter en als pacht een deel van de opbrengst te eisen. Deze grote groep van voortaan op zichzelf aangewezen pachters had nood aan allerlei verbruiksgoederen in kleine hoeveelheid. Dit stimuleerde uitwisseling en om deze vlot te laten verlopen had men behoefte aan handige betaalmiddelen. Zo ontstonden wissels en geld en groeide een geldeconomie. Ook de landeigenaars zagen de mogelijkheden van de handel en het verkeer in en begonnen producten voor de markt te produceren.

Wang Anshi's (1021-1086) hervormingen stonden in het teken van de restauratie de oude waarden. In een land als China, waar de traditie zo zwaar weegt, dient elke verandering en vernieuwing althans naar buiten toe door het gezag van die traditie gerechtvaardigd te worden. De hervormingsgezinde keizer Shen zong wou zich spiegelen aan de tweede Tang-keizer Tai zong, maar dat ging Wang Anshi niet ver genoeg. Hij wilde de hertog van Zhou als voorbeeld nemen en zich baseren op een aan hem toegeschreven klassiek geschrift nl. de Zhou li. Dit boek was ook voordien de klassieke bron voor hervormingen geweest. Het is overigens niet van de hand van de hertog, maar in de periode der Strijdende Staten geredigeerd. Hierin vindt men een indeling van de ambtenarij in zes groepen getiteld: hemel, aarde, lente, zomer, herfst en winter. Met dergelijke primitieve indeling kon men in de Song-periode weinig praktisch aanvangen, maar het gestroomlijnde en uniforme karakter van dit model had grote symbolische betekenis. Het kwam erop aan de eigentijdse ambtenarij te hervormen in de geest van de Zhou li.

Met enige overdrijving kan men hierin de uiting zien van een nieuwe geest van rationalisme, die verband kan houden met de opkomst van het neo-confucianisme in die tijd, en misschien ook met contacten die hij met de Arabische wereld gehad zou hebben. Hij was namelijk in zijn jeugd nog gouverneur van Ningpo geweest, een havenplaats waar handelsschepen uit de Arabische wereld en Zuidoost-Azië kwamen aanleggen.


De oorlog met de Tangut slorpte grote bedragen op. Tot tachtig procent van het budget ging naar het leger en de oorlogsinspanningen. Na het einde van de oorlog hield de conjunctuur nog enkele jaren aan, maar het land verzeilde uiteindelijk in een diepe crisis. Dat het uitgebreide leger van huurlingen niet zomaar gedemobiliseerd kon worden uit vrees voor muiterij, verergerde de toestand alleen maar. De inkomsten van de schatkist namen zienderogen af: vermindering van de inkomsten uit handelsbelasting, uit de staatsmonopolies op thee en zout, ontwaarding van het betalingsmiddel. De inflatie zorgde voor een prijzenspiraal.

De zware tol die de overheid van de bevolking eiste om de oorlog tegen de Tangut te financieren leidde tot opstanden, eerst in het noorden, maar naderhand ook in het Zuidoosten van het land. Vaak ging het om smokkelbenden die het staatsmonopolie op thee en zout omzeilden. Omdat er geen kruid tegen gewassen was, nam de plaatselijke overheid vaak haar toevlucht tot feesten. De gewapende benden werden dan de stad in gehaald en royaal getrakteerd op een feest. Deze werkwijze had tenminste het voordeel dat ze de boel dan niet kort en klein sloegen.

Zhizong (1085-1100)

Huizong (1100-1126)

Toen de Jürchen in 1114 aan hun spectaculaire verovering van het Khitan-rijk begonnen, snelden de Tangut de Chinezen te hulp. Toen ze verslagen werden, onderhandelden ze over een vredesbestand met de Jürchen. Dit resulteerde in het tekenen van twee verdragen in 1117 en 1124, waarbij de Tangut beloofden afzijdig te blijven in het conflict tussen China en de Jürchen. 

Qinzong (1126 - 1127)

In 1126 kwamen er problemen toen de Jurchen (Jin-dynastie) het Song-rijk binnenvielen. de Jin liepen ongeveer eenderde van het land onder de voet, waaronder de hoofdstad Kaifeng. De keizer en een groot deel van zijn familie werden gevangen genomen. Er werd nooit meer iets van hen vernomen, maar één zoon wist te ontsnappen.  

Zuidelijke Song-dynastie (1127 - 1297)

Laatst gewijzigd: 14-06-06

colofon