5832 Jürchen  - Jin-dynastie (ca. 1100 - 1234)
Song-dynastie (960 - 997) Song-dynastie (997 - 1279); Mongolen

In 1103 werd Wanyan Wuyashu leider van de Jurchen-federatie.

  Akuta (Aguda) (1113 - 1123)

In 1113 riep zijn jongere broer  Akuta (Aguda), bijgenaamd Wanyan Min zich uit tot opperste leider van de Jurchen. Tegenover zijn opperheren de Khitan nam hij een uitdagende houding aan. Tijdens de elfde eeuw had het Khitan-rijk veel van zijn offensieve stootkracht verloren. Pogingen om Korea te veroveren waren mislukt. Het had ook voortdurend last met de onderworpen volkeren, vooral de Bo-hai en de Jürchen. Na zorgvuldige voorbereidingen kwam Akuta in 1114 openlijk in opstand. De Khitan kregen de ene nederlaag na de andere te incasseren. Voor Akuta was er in elk geval voldoende reden om zichzelf tot keizer van de Jin-dynastie uit te roepen (1115 - 1234).  

De Khitan-keizer Liao Tianzuodi wilde vredesonderhandelingen. Akuta's voorwaarden waren bijzonder streng. Hij eiste dat de Khitan-keizer hem erkende als "oudere broer"; dat hij hem jaarlijks tribuut zou betalen; dat hij drie districten aan de Jürchen zou afstaan; dat het hof van de Khitan gijzelaars zou sturen naar dat van de Jürchen; dat alle Jürchen-ambtenaren zouden vrijgelaten worden; en dat alle diplomatieke correspondentie tussen de Khitan, de Tangut, de Koreanen en de Chinezen aan Akuta overhandigd zouden worden. Inwilliging van deze eisen kwam neer op een verregaande uitholling van de soevereiniteit van de Khitan-keizer en toch deed hij het. Akuta wilde echter meer. Hij stuurde duidelijk aan op de verovering van het hele Khitan-rijk. Nadat de Tangut die aan de zijde van de Chinezen tegen de Jurchen hadden gestreden, waren verslagen, sloot Akuta met hen in 117 en 1124 een  vredesbestand, waarbij de Tangut beloofden afzijdig te blijven in het conflict. Vervolgens sloot hij met de Song-keizer hij een verdrag (verdrag van Haishang) met het doel een einde te maken aan de Liao-dynastie.

In 1116 viel de oostelijke hoofdstad Liaoyang van de Khitan. In 1117 gaven de Khitan-legers in het noordoosten zich zonder weerstand over. In 1120 viel Linhuang, in 1121 werden Dading en Datong (nu Shanxi) door de Jurchen veroverd. De centrale en zuidelijke hoofdstad (Peking) vielen het jaar daarna. De soldaten van Khitan werden als slaven weggevoerd. Nadat Liao Tianzuodi (Tianzuo), die naar de Mongoolse steppe was gevlucht, gevangen was genomen hield het rijk van de Khitan formeel op te bestaan.

Oorspronkelijk probeerde de Song van de vernietiging van de Liao gebruik te maken door de '16 prefecturen' in het noorden te bezetten. Dit was echter geen deel van de overeenkomst met Jin.

De Jürchen stelden zich niet tevreden met de Khitan-gebieden ten noorden van de Grote Muur. Ze wilden ook de Chinese territoria van het Khitan-imperium, m.n. de Zestien Prefecturen, onder hun controle brengen. Toen de legers van Akuta naar het zuiden begonnen af te zakken, stuurde de Song-regering aan op onderhandelingen. In 1120 stuurde ze een gezantschap naar het hof van Akuta. Het Chinese voorstel was een alliantie te vormen tegen de Khitan om zo deze laatste in een tang te grijpen. De Chinezen hoopten als beloning voor hun moeite de Zestien Prefecturen terug te krijgen. Van hun kant zouden de Jürchen de jaarlijkse betaling ontvangen die voorheen aan de Khitan betaald werd. Terwijl de Jürchen-legers volgens afspraak vanuit het noorden oprukten en de noordelijke en centrale hoofdsteden innamen, rukten de Chinezen op naar de zuidelijke hoofdstad. Zij kweten zich echter zo slecht van hun taak dat ze op Jürchen-troepen een beroep dienden te doen om de klus te klaren. Om hun aanspraak op de Zestien Prefecturen hard te maken dienden de Chinezen de bedragen van de betaling die ze aan de Jürchen beloofd hadden, te vermeerderen.

Na de vestiging van zijn keizerrijk stelde Akuta alles in het werk om zijn macht te versterken. Daartoe moest hij in de eerste plaats de "bogile" hervormen. Dit was traditioneel een raad die belangrijke politieke beslissingen nam. Hij vormde die om tot een kroonraad. Geleidelijk evolueerde dit naar een taakverdeling tussen de leden van de raad. Hun verantwoordelijkheden werden scherper omschreven en in 1134 werd overgeschakeld op een bureaucratie naar Chinees model, met drie ministeries (san sheng) aan de top.

Een jaar na de verovering van het Liao-rijk overleed Akuta (1123) Hij kreeg de postume naam Jin Taizu.

Jin Tai-zong (Wanyan Sheng) (1123-1135)

Vanaf 1124 begon Akuta's opvolger, Jin Tai-zong (Wanyan Sheng) (1123-1135), voorbereidingen te treffen om de Song zelf aan te vallen. Dit zorgde voor grote paniek aan het Chinese hof te Kaifeng. Keizer Hui-zong deed troonsafstand ten gunste van de kroonprins en er werd een nieuwe jaarrekening begonnen. De Chinezen wilden tijd winnen om hun hoofdstad te kunnen ontruimen. Daarom beloofden ze de aanvallers vijf miljoen ons goud, tien miljoen ons zilver, honderdduizend stuks vee en één miljoen rollen weefsels. Al gauw werd duidelijk dat de Song zoiets niet opbrengen konden. In 1121 barstten de vijandelijkheden weer los. Wanyan Gao en Wanyan Zonghan waren de bekwaamste generaals van het Jin-leger, dat niet langer meer alleen uit Jurchen bestond, maar waarin ook soldaten uit Khitan en Bohai waren opgenomen.  Zij veroverden Yanjing en Taiyuan (nu Shanxi) en in 1126 viel na een korte strijd de Song-hoofdstad Kaifeng in handen van de zegevierende Jürchen-legers.

De gevechten gingen door met wisselend succes. De Song-keizer verplaatste zijn hoofdstad naar Linán (nu Hangzhou). In 1129 werd deze stad echter ingenomen en geplunderd, maar het Jurchenleger trok zich terug. Song-generaal Yue Fei (of Yo Fei) wist rond 1130 Luoyang grote stukken in de omtrek te heroveren. In 1142 werd er echter vrede gesloten, vooral door het toedoen van de kanselier Qin Kuei. Hierbij werd, ondanks de successen van Yue Fei, het gehele stroomgebied van de Gele Rivier afgestaan. Yue Fei werd geëxecuteerd -mogelijk als deel van de overeenkomst-. Hij wordt nog steeds geëerd als de grote held van de Chinese zaak, Qin Kuei daarentegen voorgesteld als de boef in het drama. De Song-dynastie werd voortgezet als rompstaat, de Zuidelijke Song-dynastie (1127-1279), met vanaf 1138 als hoofdstad Hangzhou (in de huidige provincie Zhejiang).

Zo werden de Jürchen heersers over een ontzaglijk territorium dat tot aan de Huai-rivier reikte. Dit werd de nieuwe grens tussen het Chinese rijk van de Zuidelijke Song, dat in het zuidelijker gelegen Hangzhou een nieuwe hoofdstad had gevestigd, en het "barbaarse" rijk van de Jin. 

Nadat Noord-China was overgenomen, verplaatste de Jin de hoofdstad van Huining Fu in het noorden van Mantsjoerije (het tegenwoordige Harbin) naar Zhongdu (het tegenwoordige Peking).

Tot aan de verovering van Noord-China was de politieke en bijgevolg ook de militaire structuur als volgt: de basiseenheid was de "muke", een groep van honderd man, gerekruteerd uit 300 huishoudens. Tien "muke" vormden een "minggan", bestaande uit duizend man. Deze structuur vertoont veel gelijkenis met die van de Mongolen. De onderworpen volkeren, Khitan, Bo-hai en Chinezen werden aanvankelijk ook volgens dit systeem bestuurd. In 1124 werd het stopgezet voor Bo-hai en Chinezen. Voor de Khitan werd het tot in 1162 gehandhaafd. Toen werden de Khitan-minggan ontbonden en werden ze ondergebracht in minggan van Jürchen, dit om rebellie te verhinderen en de assimilatie van de Khitan te versnellen. Na de verovering van Noord-China schakelde het rijk meer en meer over op Chinese administratieve vormen en procedures, maar voor de etnische Jürchen bleef het systeem behouden.

Links: Kaartje van de begrenzing van de Zuidelijke Song-dynastie omstreeks 1141. In het noorden heeft de Liao-dynastie plaats moeten maken voor de Jin-dynastie, voortgekomen uit de proto-mantsjoe Jurchen-stam. De Song-dynasty heeft sinds 1127 heel Noord-China moeten prijsgeven aan Jin. (Zwarte lijnen: grenzen van de huidige Volksrepubliek) Ten westen van het Jin-rijk heersten Tibetaanse nomadische stammen, de Tanguten (of Tangoeten). Ter plaatse van de huidige provincies Gansu en Ninxia, hadden zij een stabiel rijk gesticht, Xi Xia (="Westelijke Xia").

Jin Xizong, Wanyan Dan (1135 – 1149)

In 1140 werd de hoofdstad verplaatst naar Bianjing (Kaifeng). Een jaar later werd een verdrag gesloten tussen het Zuidelijke Song-bewind en de Jin-keizer waarbij de rivier Huai werd vastgesteld als grens tussen beide rijken. De laatste jaren van Xizongs bewind werden gekenmerkt door de invloed van de familie Peiman. In 1149 werd Jin Xizong vermoord door zijn maarschalk Wanyang Liang., prins van Hailing.

Hailing Yangwang (Wanyan Liang (1149 – 1161)

De eerste maatregel die Hailing Yangwang, de vierde Jin-vorst, nam, was het executeren van van de zonen en kleinzonen van van keizer Jin Taizong. Tijdens zijn tirannieke bewind werd het bestuur grondig en systematisch op Chinese leest geschoeid. Ambtenaren werden gerekruteerd door middel van examens en hoewel de Jürchen nog de meeste militaire ambten bekleedden, kwam een door Chinezen gedomineerd civiel ambtenarenapparaat tot stand. Dit ging hand in hand met een toenemende trend tot verchinezing van de levensstijl, die o.m. ook tot uiting kwam in de verplaatsing van de hoofdstad naar  Yanjing (Beijing in 1161. Zelfs de graftomben van Jin Taizu (Akuta (Aguda) en Jin Taizong werden hierheen verplaatst. Jürchen weken massaal in naar Noord-China, waar ze zich vestigden als soldaat-boeren, wat het proces van verchinezing nog verder in de hand werkte. In verband met zijn plannen om ook Zuid-China te gaan veroveren hield hij Kaifeng aan als de zuidelijke hoofdstad van zijn rijk. In 1153 viel hij de Song hoofdstad Lin'an (Hangzhou) aan, maar door een opstand van de Khitan en andere niet-Jurchen volkeren in het noordoosten (Yilan Wowo opstand) en het uitroepen wan Wanyan Yong als tegenkeizer kon Hailing niet al zijn troepen voor de verovering van deze stad inzetten. Na de nederlaag van zijn vloot werd Hailing vermoord.

Wanyan Yong or Wulu (postume naam) Jin Shizong ( (1161 – 1189)

Nadat Wanyan Yong in 1161 de troon had bestegen, wilde hij eerst een eind maken aan de rebellie in het noordoosten. Yilan Wo Wo had zich daar uitgroepen tot keizer en had een groot gebied stevig in handen. Yong's generaal Pusan Zhongyi versloeg hem, waarna Yilan  Wo Wo zich terugtrok naar het noorden waar hij werd vermoord. Na een eind te hebben gemaakt aan de opstand onder de Khitan trokken de Jin-legers  opnieuw naar het zuiden en veroverden de tegenwoordige provincie Anhui.In 1162 sloot Wanyang Yong een vredesverdrag met de Zuidelijke Song. De hiernavolgende veertig jaar was een tijd van vrede en stabiliteit.

Wanyang Yong zette zich in voor een herstel van Jurchen tradiites. Hij voerde een politiek van actieve bevordering van hun taal en cultuur. De Chinese klassieken en geschiedkundige geschriften werden in het Jürchen vertaald. Er kwam een verbod voor Jürchen-ambtenaren om een Chinese naam aan te nemen of Chinese kleren te dragen. Reeds Akuta had het gevaar voor assimilatie door de Chinese meerderheid ingezien. Daarom had hij een eigen schrift laten ontwikkelen. Ondanks de actieve maatregelen van de overheid is het schrift nooit echt verspreid geworden. De literatuur in Jürchen is, voor zover bekend, uitsluitend een corpus van vertalingen uit het Chinees. Het schrift is overigens nog maar gedeeltelijk ontcijferd. Van de drie grensrijken is de Jin er het minste in geslaagd zijn eigen etnische en culturele identiteit te bewaren. In 1191 werd het verbod op huwelijken tussen verschillende rassen geheven en nam de verchinezing overweldigende vormen aan.

Wanyang Jing (postume naam Jin Zhangzong (1190 – 1208), de kleinzoon van Jin Shizong, was ook een beschermer van de kunsten en literatuur en stimuleerde het samengaan van de Chinese en Jurchen-cultuur. Tijdens zijn bewind begonnen de Mongolen (Chinees Menggu) een gevaar te vormen aan de noordelijke grenzen van het Jin-rijk. De Khitan kwamen weer herhaaldelijk weer in opstand en na een lange tijd van vrede brak er weer oorlog uit met het Zuidelijke Songrijk. Het Zuidelijke-Songleger onder Han Tuowei werd echter verslagen, waarna er in 1208 weer vrede werd gesloten. Hoewel de Jin de strijd hadden gewonnen, waren hun verliezen zwaar. Na de dood van Jin Zhangzang trad de prins van Weishao, Wanyan Yungi, op als regent.

Wanyan Yungi, (Yongji) (posthume naam Weishao (Wei Shaowang) (1209 – 1213)
Tijdens het bewind van Wanyan Yungi werd de Centrale Vlakte van het Jin-rijk getroffen door verschillende overstromingen van de Gele Rivier. Hierdoor konden de getroffen hun belastingen niet meer betalen, terwijl de keizer het geld hard nodig had om zich te kunnen voorbereiden op een aanval van de Mongolen. In 1211 en 1212 vielen de legers van Genghiz Khan zijn rijk binnen en veroverden zij grote gebieden van het Jin-rijk. Zij plunderden ook enkele Jin-steden, maar de Mongoolse leider trok zich vervolgens weer terug. Terwijl Genghiz Khan zich opmaakte voor een beleg van de hoofdstad Yanjing werd keizer Weishao vermoord door een van zijn generaals, die Wanyang Xun als nieuwe keizer op de troon zette.

Wanyan Xun (postume naam: Jin Xuanzong) ( (1213 -1223)

Nadat Wanyang prinses Qiguo had aangeboden was Genghiz Khan bereid het beleg van Yangjing op te breken. Vanwege het Mongoolse gevaar besloot de keizer i 1214 de hoofdstad te verplaatsen naar Kaifeng, de oude hoofdstad van de Noordelijke Song ende Vijf Dynastieën. Spoedig daarna veroverden de Mongolen Yangjing. In verschillende provincies kwamen nu de boeren in opstand tegen het Jin-bewind. Zij noemden zich  Hongaojun (Roodhemden). De landeigenaren moesten zich nu zelf proberen hun eigendommen te verdedigen tegen de Mongoolse horden. In 1217 nam Jalayir Muqali (Chinees Muhuali) het commando over in de Mongoolse leger dat op het punt stond het Jin-rijk te veroveren. Onder deze druk besloot de keizer onder druk van raadsman Shuhu Gaoqi zich terug te trekken naar het Zuidelijke Song-gebied. Wegens de nederlagen tijdens de verovering van dit gebied werd Shuhu Gaoqi in 1218 geëxecuteerd. In 1220 verenigde de Song-keizer zich met het Westelijke Xi Xia-rijk om een eind te maken aan het Jin-imperium. In 1223 stierven zowel de Mongoolse legeraanvoerder Muqali als keizer Jin Xuanzong.

Wanyan Shouxu (postume naam Jin Aizong) (1224 - 1234)

De opvolger van Jin Xuanzong, Wanyan Shouxu, concentreerde zich op de verdediging tegen de Mongolen en slaagde er zelfs in een gebied op de Mongolen te heroveren. In 1127 veroverden zij echter het Xi Xia-rijk. De dood van de Genghiz Khan in 1227 was alleen maar uitstel van executei, ook al slaagde de monnik-generaal Wanyan Chen erin nog enkele overwinningen te behalen op de Mongoolse legers.

Ögedei Khan (Chinees Wohuotai), derde zoon van Dzjengis Khan, en Tolui (Chinees Tuolei) namen nu de leiding bij de verovering van het Jin-rijk. In de slag bij de Sanfengberg bij JUnzhou werd het Jin-leger totaal verslagen en werd Kaifeng belegerd (1234). Keizer Wanyan Shouxu vluchtte naar Caizhou waar hij de troon overdroeg aan Wanyan Chenglin en zelfmoord pleegde.

Links: het Jin rijk, in het noorden begrensd door het Xi Xia rijk van van de Tangut, in het zuiden door het rijk van de Zuidelijk Song.

Gemaakt: 26-07-05; laatst gewijzigd: 12-01-08

colofon