6507

Centraal-Azië (1215-1227)

Centraal-Azië (1206 - 1215)
Djenghiz Khan beheerste zijn rijk door een nooit gekende centralisatie, waarbij hijzelf goddelijke rechten verkreeg en een onaantastbare autoriteit. Deze code zou door alle khan's worden nagevolgd. Het Mongoolse Rijk zag zijn grenzen verschuiven naar de Chinese Zee, de Dnjepr, de Perzische Golf en zelfs de Arctische Oceaan. In 1215 overdacht de Khan de voordelen van een handelsverdrag met één van de machtigste staten in Centraal-Azië: het Khwarazmiaanse Rijk, ten oosten van de Kaspische Zee, dat geregeerd werd door Mohammed, ene fanatiek aanhanger van het islamitische geloof. Hij was goed op de hoogte van de daden van de Khan in China en dacht dat een verbond met hem een slimme zet zou zijn. De Khan ontving zijn afgezanten beleefd. Hij zond bericht terug aan Mohammed dat een dergelijke regeling hem genoegen zou doen - eigenlijk zoveel dat hij Mohammed de status zou toekennen van "meest geliefde zoon". De Mohammedaanse potentaat was in alle staten: de termen waren duidelijk bedoeld om hem in de positie van vazal te plaatsen. Voor Mohammed was het enige antwoord op een dergelijke belediging: oorlog.
Mohammed verzamelde 300.000 mannen achter zich. De generaals van de troepen van Djenghiz Khan konden slechts de helft daarvan op de been brengen. Maar de Mongolen gingen de slag aan met de nieuw-verworven voordelen van de meest ingenieuze Chinese technologie: vlammenwerpers met kort bereik en artillerie - katapulten, blijden en zelfs kanonnen. De blijden, zware katapulten voor belegeringen, konden projectielen werpen die elk 250 pond wogen. Onder hun wapenrusting droegen de Mongolen nog een Chinese uitvinding: hemden van zware zijde die niet gemakkelijk door pijlen konden worden doorboord. Als een pijl de zijde raakte, zou het weefsel de wond binnengaan nog om de pijlpunt heen, waardoor een gewonden het projectiel uit zijn vlees kon halen met een minimum aan pijn en aan bloedverlies.

In 1218 stuurde Genghis Khan ambassadeurs en handelaars naar de stad Otrar in het noordoostelijke grensgebied van het shah-rijk van de Khwarizm. Nadat de gouverneur van Otrar deze gezanten had weggestuurd, trok Genghis Khan uit wraak de stad Otrar binnen en vervolgde zijn zegetocht door de stad Samarkand en andere steden in het noordoosten te veroveren.

Vier jaar lang (1218-1222) trok de Khan tegen de Mohammedanen ten strijde. In 1218 trokken de Mongolen Oost-Turkestan binnen en tussen 1219 en 1225 veroverden zij West-Turkestan en Georgië. In 1221 verwoestten de Mongolen de oasestad Merv en de stad Balkh in Bactrië.

Georgië was tot ca. 1220 de grootste politieke en economische feodale monarchie van Klein-Azië en de Kaukasus, totdat Batiy Khan (Batoe Khan), de kleinzoon van Djenghiz Khan en zijn Gouden Horde van Mongoolse Tataren Armenië en Oost-Georgië binnenviel. Deze invasie betekende een abrupt einde van de Gouden Eeuw van Georgië . De Mongolen waren onverbiddelijk en zelfs het 90.000 man tellende ruiterleger van koning Giorgy lV Lasha (1213-1223) waren geen partij voor Il Khan. De Georgische koning sneuvelde in een veldslag tegen de Mongolen. In 1236 vielen de Mongolen uiteindelijk Georgië zelf binnen en de zuster van koning Girogi lV, koningin Rusudan (1223-1245) werd gedwongen Tblisi te verlaten, waarna zij naar Kutaisi in Imereti verhuisde, de oude hoofdstad van Colchis. De Mongolen zouden Georgië nog ruim een eeuw blijven domineren, het koninkrijk versplinteren en leegmelken door hoge belastingen. 

De geschiedenis levert één richtlijn aan voor het schrikbewind: in vier steden werden vijf miljoen inwoners als dood opgegeven. Zo moest de mensheid een nieuwe Hunnenstorm beleven, nog verschrikkelijker dan de vorige. Grote, bloeiende steden, zoals Samarkand en Bokhara, met gedenktekenen uit de Hellenistische tijd, werden met de grond gelijk gemaakt. De ruïnes van Turkestan en Perzië getuigen tot op heden van de bloei van deze eens zo rijke landen, van een tijd, waarin zij een ridderlijke adel kenden, rijke kooplieden en welgestelde ambachtslieden. Een Perzisch geschiedschrijver uit het eind van de 13e eeuw citeert de volgende uitspraak van Djenghiz Khan: "Het is de lust van de man zijn vijanden aan te vallen en hen af te maken, en op hun kostbaar opgetuigde raspaarden te rijden en te rusten in de schoor van hun vrouwen en dochters." Door mededogen te tonen maak men onderworpen volkeren alleen maar onbetrouwbaar en wraakzuchtig, meende Djenghiz Khan.

Een deel van de Mongoolse horde drong zelfs door in Zuid-Rusland en plunderde de stad Crimea. De bewoners van dit gebied waren bekend met het gevaar dat hen vanuit de steppen bedreigde. De karavanen die om de stroomversnellingen van de Dnjepr moesten trekken werden vaak opgewacht door Turkssprekende ruiterstammen. Maar in 1223 verscheen een leger uit het oosten dat behalve roof en brandschatting nog andere bedoelingen had. Turkse stammen vormden de gelederen, maar de kern van de troep ("orda" in het Turks, horde) was een Mongoolse clan met imperiale ambities. De Russische vorsten, als altijd in burgeroorlogjes verwikkeld; werden de een na de ander verslagen. In 1239 was heel Rusland door de Mongolen veroverd. Voor eeuwen waren zij onderworpen aan de "Tataren", zoals zij de Turkse stammen plachten te noemen. 

Deze nazaten van Djengis Khan vestigden zich aan de benedenloop van de Wolga en oefenden een schrikbewind uit over de resten van het rijk van Kiev en over de opkomende vorstendommen in het noorden. Als het moest hielden zij de angst erin met raids en rooftochten, maar bij voorkeur heersten de Tataren via de Russische vorsten omdat hun gevreesde cavalerie in de noordelijke wouden slecht uit de voeten kon. Ten behoeve van de Khan hieven de vorsten een veelheid van belastingen en dwongen de bevolking tot allerlei diensten. Adel en kerk werden ontzien als zij zich tot instrument van de Tartaarse uitbuiters lieten maken. Verzet en nalatigheid werden zwaar gestraft, in eerste instantie door de Russische zetbazen, in laatste plaats door de Gouden Horde aan de Wolga.

Maar de aspiraties van Genghis Khan hielden het niet langer vol dan zijn lichaam. Hij stierf in 1227, 72 jaar oud, nadat hij met succes een opstand ten noorden van de Chinese grens had onderdrukt. Hij blies de laatste adem uit terwijl hij in een vilten yurt lag, zoals die waarin hij geboren was. Zijn lichaam werd teruggebracht naar Mongolië.

Bij zijn dood strekte zijn rijk zich uit van het huidige Mongolië, Noord-China, Centraal Azië, Zuid-Rusland tot aan de grenzen van het Abassidenrijk. De meest noordelijke grens werd gevormd door de Siberische naaldwouden en de zuidelijke grens door de ondoordringbare pieken van het Himalaja-gebergte.

Mongoolse Rijk (1227 - 1300)

Laatst bijgewerkt: 06-09-03

colofon