3316 |
Centraal-Azië (1206-1215) |
![]() |
De Khan, die nu niets meer te vrezen had van zijn flanken, was nu gereed om Noord-China in te nemen. De aanval zou echter geen snelle overwinning opleveren. Er verstreken zes jaren van verkenning en spionage, van oprukken en weer terugtrekken, van geduldig wachten tijdens brandende zomers, van aanbiedingen van verdragen en van weigeringen. Maar de strategie van de Khan was perfect. De Mongolen zwermden uit over de Gobi-woestijn.
In 1211 openden de Mongolen het offensief tegen het Jin-rijk. Gedurende twee jaar had Genghiz Khan informatie ingewonnen over de toestand in dat rijk. Hij was daarbij geholpen door Chinezen en Khitan die waren overgelopen. Eén van de Khitan-overlopers had zelfs een volledig campagneplan uitgewerkt. De oorlog zou tot 1234 aanslepen. Toen de Mongolen het beleg van de Jin-hoofdstad Zhongdu (Chung-tu) (min of meer Yanjing of huidig Peking) sloegen, boden de Jin de veroveraars geld en stoffen aan en gaven een dochter van de keizer aan Genghiz Khan om de vrede af te kopen. Hoewel de Mongolen op het aanbod ingingen, verhuisden de Jin, bij wie de schrik er goed in zat, hun hoofdstad toch meer zuidwaarts naar Bian (Kaifeng). Dit bracht echter slechts tijdelijk soelaas. Andere Mongoolse legers stroomden over het Koreaanse schiereiland. Niets kon de horden tegenhouden, woestijnen noch bergketens, honger noch pest en zij schenen onuitputtelijk aan mensen. Als een wervelwind raasden de Mongolen voort; reeds hun aanblik en het horen van hun schelle, doordringende krijgskreet, joegen schrik aan. Uitzinnig van angst was de overvallen bevolking er slechts op bedacht het leven te redden; huis een haard werden aan plundering en brandschatting prijsgegeven. De Chinezen stierven bij duizenden. Hun rottende lichamen veroorzaakten een stank die bekend zou worden over heel Azië en de helft van Europa. Een spoor van rook van brandende steden bleef altijd hangen in het kielzog van het leger van de Khan. De negen jaar strijd moet 18 miljoen Chinezen het leven moet hebben gekost. De weinigen die het bloedbad en de verwoestingen overleefden, mochten voortgaan met het bewerken van hun grond, maar de heersende Mongolen moesten zij van levensmiddelen en andere benodigdheden voorzien en bovendien zware belasting betalen. De Mongolen zelf bleven namelijk een nomadenvolk. Zij waren ongeschikt voor het volhardende boerenwerk. De genadeslag vormde in 1215 de belegering van Chung-tu: honger en een pestepidemie dwongen de poorten van de stad open en plunderende, moordzuchtige Mongoolse horden stroomden naar binnen. Laatst bijgewerkt: 25-07-05 |