6161 |
Storm uit de steppen - Rusland (1200-1300) |
![]() Groothertog Konstantin (1212-1218) Groothertog Joeri (Yuri) II [ook: George II] (1218-1238) |
Het verzwakte en verdeelde Rusland bleek in de dertiende eeuw niet in staat zijn belagers van oost en west het hoofd te bieden. Zweden, dat Finland onderwierp, en de Duitse Orde, die de Oostzee-gewesten veroverde, bedreigden het aan de noordwestkant, terwijl de Litouwers Zwart Rusland, Polotsk en andere deelvorstendommen inpalmden. Ook vanuit het oosten dreigde er gevaar.
De Russen waren bekend met het gevaar dat hen vanuit de steppen bedreigde. De karavanen die om de stroomversnellingen van de Dnjepr moesten trekken werden vaak opgewacht door Turkssprekende ruiterstammen. Maar in 1223 verscheen een leger uit het oosten dat behalve roof en brandschatting nog andere bedoelingen had. Turkse stammen vormden de gelederen, maar de kern van de troep ("orda" in het Turks, horde) was een Mongoolse clan met imperiale ambities. De Russische vorsten, als altijd in burgeroorlogjes verwikkeld; werden de een na de ander verslagen. Voor eeuwen waren zij onderworpen aan de "Tataren" (Perzisch: Tatar) , zoals zij de Turks-Mongoolse stammen plachten te noemen. |
![]() |
De foutieve vorm Tartaren is in de Middeleeuwen in Europa ontstaan, wellicht door associatie met Tartarus.Tartarus (in de Griekse mythologie is de god van de onderwereld). Oorspronkelijk waren de Tataren een Mongoolse stam, die al in de 8ste eeuw in Turkse inscripties wordt genoemd.
In de 13e eeuw namen zij deel aan de confederatie van |
In 1237 vielen zij onder aanvoering van ![]() In de 13e eeuw werd Kazan een toevluchtsoord voor Tataren uit steden die door de Mongolen waren verwoest. Vervolgens werd Kazan het centrum van een vorstendom binnen de Gouden Horde. |
![]() |
De naam Gouden Horde is afgeleid van de kleur van de tent (horde) van de Khan en is niet hetzelfde als de Mongoolse horde. Voor een deel bestond deze horde uit Khitans, die vermoedelijk afkomstig waren uit Centraal-Siberië of Oostelijk Centraal-Azië. Deze nazaten van Djengis Khan vestigden zich aan de benedenloop van de Wolga en oefenden een schrikbewind uit over de resten van het rijk van Kiev en over de opkomende vorstendommen in het noorden. Als het moest hielden zij de angst erin met raids en rooftochten, maar bij voorkeur heersten de Tataren via de Russische vorsten omdat hun gevreesde cavalerie in de noordelijke wouden slecht uit de voeten kon. Ten behoeve van de khan hieven de vorsten een veelheid van belastingen en dwongen de bevolking tot allerlei diensten. Adel en kerk werden ontzien als zij zich tot instrument van de Tartaarse uitbuiters lieten maken. Verzet en nalatigheid werden zwaar gestraft, in eerste instantie door de Russische zetbazen, in laatste plaats door de Gouden Horde aan de Wolga. Van 1237 tot 1239 ondernam deze horde plundertochten naar Kiev en omgeving, Polen, Bohemen, Hongarije en de Donauvallei. In 1241 bereikten ze de Adriatische Zee en stond Batu Khan klaar om de andere Europese gebieden in te palmen. (z.: Europa 1200-1300) Europa werd echter gered door de dood van Ugadai Khan in datzelfde jaar. Batu verzamelde zijn troepen in het zuiden van Rusland om 'mee te gaan praten' over de opvolging van Oegadai Khan. De Westerse wereld was gered. Met uitzondering van Novgorod werden binnen enkele jaren alle grote Russische centra veroverd en verwoest. In 1239 onderwierpen ze zich de steppen van de Zuidelijke Rusland en in 1240 werd Kiëv bestormd, uitgemoord en platgebrand - een ramp waarvan het zich pas na eeuwen zou herstellen. Gedurende 240 jaar zou het Mongools-Tataarse juk heersen over het Russische land (1240 - 1480). Gedurende de winter 1240-1241 veroverden de Tataren Polen en Hongarije. In het zuidwesten van het oude Rusland zetten de Tataren de vorsten af en regeerden het gebied direct, in het noorden/oosten lieten ze de oude hiërarchie in stand en regeerden indirect; de vorsten waren verantwoordelijk tegenover de Tataren wat betreft het uitvoeren van het economische en administratieve beleid van de khan. Heel Rusland werd onderworpen aan belastingheffing en (een soort) dienstplicht De verhouding met de Russen bleef vooral beperkt tot belasting heffen; van enige assimilatie of werkelijke inlijving was geen sprake. De culturele verschillen waren daarvoor waarschijnlijk veel te groot. Geliefd bij de Russen waren de Tataren dus geenszins, hoewel de gewone Rus weinig van de Tataarse overheersing merkte. Het waren de prinsen die verantwoording af moesten leggen bij de khan. |
![]() |
Op 9 april 1241 werd een leger samengesteld uit 30 000 Polen Duitse kruisvaarders en Teutoonse ridders door de Mongolen in Wahlstadt (Leignitz) verslagen. In juli 1241 waren de Tataren in Neustadt, dichtbij Wenen. De veroveringen gingen gepaard met vreselijke massamoorden en deportaties.
De Mongolen voor Leignitz in 1241 |
Daniël van Galicië, de laatste grootvorst van Kiëv, had aanvankelijk met westerse hulp getracht de Aziaten het hoofd te bieden, doch Batoe Chan, die het steppenrijk van de Gouden Horde had gesticht, bleek sterker te zijn. Na een nieuwe inval in 1259 moest Galicië een zwaar trubuut gaan betalen en zag het van verder verzet af. Fortuinlijker op den duur bleken de Litouwers, die geleidelijk alle Russisiche vorstendommen in het bassin van de Dnepr onder hun gezag wisten te brengen en in 1362 bij Sinyje Vody de Gouden Horde een beslissende nederlaag toebrachten. Het langst en het zwaarst hadden de Oost-Russische vorstendommen van de Tartaren te lijden. Hun heersers werden zetbazen van de Gouden Horde, die de bevolking zware lasten oplegden en elke poging tot verzet op wrede wijze afstraften. |
Groothertog Jaroslav II (1238-1246) Groothertog Andrej (Andrei) (1246-1253) Groothertog Na zijn dood in 1263 werd hij door de Russisch-Orthodoxe kerk heilig verklaard. rechts: Alexander Nevksij |
![]() |
Na de dood van Alexander Nevksij werd zijn rijk onder zijn zoons verdeeld. Groothertog Taroslav lll van Tver (1263-1272); Groothertog Vasilii [ook: Basilius] (1272-1276); Groothertog Dmitri (1276-1293); Groothertog Andrej (1293-1304).
Moskou was vanaf 1270 het centrum van een afzonderlijk vorstendom, Moskovië, en vervolgens de feitelijke hoofdstad van Vladimir-Soezdal. In 1293 werd Moskou opnieuw door de Tataren ingenomen, ook dit keer herstelde de stad zich weer, maar nu werd Moskou groter en sterker dan voorheen. In 1298-1299 werd op de rechteroever van de Moskva het heilige Danilov-klooster gebouwd, het eerste klooster in Moskou. Gelegen in het centrum van de hoog-Russische laagvlakte werd Moskou door de aangrenzende vorstendommen en de bossen en moerassen in de omgeving beschermd tegen zowel de aanvallen vanuit Litouwen in het westen als de invallen van de Tataren vanuit het zuiden. Het Moskouse vorstendom kreeg daarom minder verwoestingen te verduren dan de vorstendommen in de omgeving. Veel bewoners uit de aangrenzende gebieden trokken naar Moskou, waardoor de stad economisch steeds sterker werd. Aan het begin van de veertiende eeuw was Moskou driemaal groter geworden. Door een bedachtzaam beleid slaagde deelvorst Daniil erin zijn bezit te verdubbelen en zijn opvolgers maakten van Moskou de kern van een nieuwe Russische staat. De verwerving van de grootvorstelijke waardigheid en van het recht het Tsarentribuut in alle Russische landen te innen, gaven de heersers van Moskou een voorsprong op hun mededingers. Voorts profiteerden zij van de omstandigheid dat de metropolieten van Kiëv, sinds 1320 te Moskou zetelden. laatst bijgewerkt: 02-12-03 |