Genghiz (Djenghiz) Khan (ca. 1155 - 1227)
De Mongoolse traditie wil dat Temoedsjin (Temujin) omstreeks 1155 ter wereld kwam, terwijl hij in zijn vuistje een klodder bloed klemde die even hard en glanzend was als een robijn. Voor de heilige mannen van de stam was dat een teken dat Temoedsjin was voorbestemd om een verschrikkelijke tiran te worden. Al vroeg in zijn leven toonde de jongen een belofte van militaire vaardigheid. Men zegt dat hij toen hij elf jaar was even goed kon rijden en met pijl en boog schieten als enig andere volwassen man.
De voorspellingen van de heilige mannen bleek juist te zijn. Temoedsjin wijdde zijn jongelingsjaren aan de taak om de talrijke stammen van Mongolië te verenigen en die allemaal onder zijn heerschappij te brengen. Eén voor één zwoeren de vooraanstaande nomadische krijgers trouw aan Temoedsjin. Degenen die dat niet deden sloegen of op de vlucht of kwamen om.
|