8111 |
De Gouden Eeuw van de Republiek (1602 - 1702) |
De Gouden Eeuw van de Republiek was niet alleen een periode van grote bedrijvigheid in handel, scheepvaart en nijverheid, maar ook van de kunst. De Gouden Eeuw eeuw was alleen een "Gouden Eeuw" voor de rijke kooplieden en regenten, die schatten verdienden in de handel of in allerlei ondernemingen en schitterende grachtenhuizen lieten bouwen langs de grachten in de nieuwe Amsterdamse grachtengordel.
In 1597 was de toekomst van de stad nog erg onzeker. In 1585 had Parma de stad Antwerpen ingenomen en de Republiek was in oorlog met Spanje. Goed nieuws was gelukkig de behouden terugkeer van Cornelis de Houtman en Pieter Keyser van hun expeditie naar Indië. Voor vele ondernemingen was dit de reden om zich in Amsterdam te vestigen en vele immigranten trokken naar deze stad. In 1602 werd de Verenigde Oost Indische Compagnie opgericht. Toen in 1702 de Spaanse Successieoorlog uitbrak, gingen handel, cultuur en nijverheid snel achteruit en was het met de Gouden Eeuw gebeurd. Het is een misverstand dat de welvaart van de Nederlandse Gouden Eeuw te danken is aan de VOC-handel. De basis van die welvaart was al gelegd voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602. De waarde van de in Nederland geïmporteerde VOC-goederen maakte ongeveer tien procent uit van de totale invoer. Vaak minder, soms meer. Daarnaast leverde de Compagnie direct en indirect duizenden mensen werk (z. Personeel in dienst van de VOC). De Amsterdamse grachtengordel is ook niet gebouwd met VOC-geld. De meeste Amsterdammers waren rijk geworden met de Europese handel, vooral in bulkgoederen als graan en hout. Rijke kooplieden investeerden in diverse handelsondernemingen en in de agrarische sector. Slechts een beperkt aantal kooplieden bezat VOC-aandelen. Voor de meeste mensen in de Nederlanden was de 17e eeuw een tijd van hard werken, armoede, honger en ellende. Veel mensen moesten met bedelen aan de kost zien te komen, terwijl anderen probeerden als waarzegger, schoenlapper of kwakzalver wat te verdienen. Vaak werden bedelaars opgepakt en in een tuchthuis geplaatst. Op bepaalde dagen van de week konden zij terecht bij een aalmoezeniershuis voor eten, kleren of brandstof. Voor oudere mensen die niet meer voor zichzelf konden zorgen en ook geen kinderen hadden die voor ze konden zorgen, werden oudemannen- en vrouwenhuizen gebouwd. Weduwen en oudere ongetrouwde vrouwen konden wonen in Begijnhoven. Weeskinderen kwamen terecht in weeshuizen. Buiten de steden woonden veel keuterboeren op kleine boerderijtjes met een klein stukje grond dat zij hadden gepacht van een edelman of van een grote boer. In Groningen en Drenthe kwamen de arme turfstekers in hun vochtige plaggenhutten bijna om van de honger. |
![]() |
Eigenlijk waren de 17e eeuwse Hollanders een vreemd volkje. Ze zwierven over de hele wereld en beleefden de gevaarlijkste avonturen, maar zaten ook graag thuis bij de haard in de schoongepoetste kamers. Ze vochten en roofden en dreven handel met de vijand, maar gingen 's zondags in stijve kleren naar de kerk om uren lang naar de protestantse dominees te luisteren. Ze waren soms heel zuinig maar kochten ook land en buitenhuizen en deden of ze van adel waren. Zo was het met de kooplieden en zo was het met de geleerden, de dichters, de architecten en de schilders.
Er werden uitvindingen en ontdekkingen gedaan die voor de hele wereld van belang waren, maar er werden ook ingewikkelde boeken geschreven over kleine meningsverschillen. Indrukwekkende gebouwen werden gemaakt, maar ook schilderijen knusse kamers en kalme landschappen. |
![]() |
Pieter Corneliszoon Hooft, geschiedkundige, dichter en toneelschrijver nodigde op zijn woonkasteel het Muiderslot zo nu en dan bijzondere mensen uit., die geïnteresseerd waren in literatuur. Zo ontstond de Muiderkring.
z. verder: Over de Muiderkring / L. Strenholt |
In de tweede helft van de 17e eeuw werden enkele belangrijke grote ontdekkingen gedaan op het gebied van de natuurwetenschap. Newton: theorie van de zwaartekracht. Anthonie van Leeuwenhoek vond de microscoop uit, waardoor voor het eerst de wereld van het kleine zichtbaar werd. Christiaan Huygens vervolmaakte de klok en het horloge en bouwde de eerste telescoop. De Gouden Eeuw van de Republiek (ca. 1620 - 1670) was niet alleen een periode van grote bedrijvigheid in handel, scheepvaart en nijverheid, maar ook van de kunst. Een groot aantal kunstenaars op allerlei terrein kwam in die tijd naar voren. Ze behoorden in hun tijd tot de besten van Europa. In één tak van kunst behoort hun werk nog steeds tot de wereldtop: de schilderkunst. De grootste bloeitijd van onze schilderkunst duurde zo'n 75 jaar. De schilders die na 1670 werkten, namen steeds vaker ideeën over van kunstenaars uit het buitenland, vooral uit Frankrijk. Dat was toen het belangrijkste land van Europa. In de 17e eeuw oefenden bijna alle kunstenaars hun kunst uit als beroep. Ze moesten er geld mee verdienen om van te leven. Of ze nu bouwmeester waren, of houtsnijder, of beeldhouwer, of zilversmid, of schilder. De klanten moesten hun werk mooi vinden en het mocht niet heel erg duur zijn. Daarom maakten ze niet al te grote dingen die ze gemakkelijk konden verhandelen, behalve natuurlijk de beeldhouwers en de bouwmeesters. Wie zijn ambacht goed beheerste, had veel kans zijn werk te verkopen. Soms kreeg een kunstenaar een opdracht van het stadsbestuur. Het bestelde een schilderij voor het stadhuis of de schuttersdoelen, of een zilveren kandelaar of een mooi besneden kast van duur hout voor de regentenkamer van het weeshuis, of een gebeeldhouwd poortje voor het rasphuis. De regenten die in het stadsbestuur zaten, waren meestal rijke kooplui. Zij lieten niet alleen kunstwerken maken voor de stad, maar vooral ook voor zichzelf. Zij waren de belangrijkste werkgevers van de kunstenaars. Ze bestelden net zo gemakkelijk kunst om een open plek in hun huis mee te vullen, als ze tafels, stoelen en keukengerei aanschaften. Ze kochten alles wat ze mooi vonden, maar ze wilden wel waar voor hun geld hebben. De kunstenaars moesten dus goede vaklui zijn en ze moesten rekening houden met de smaak van hun kopers. Nooit in de geschiedenis van ons land hebben tegelijkertijd zoveel beroemde mannen geleefd als in de Gouden Eeuw: Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621, componist), Hendrick de Keyser (1565-1621, architect), Willem Janszoon Blaeu (1571-1638) en diens zoon Joan Blaeu (1596-1673), Caspar van Baerle (Baerleus) (1584-1648), Petrus Plancius, Michiel Adriaensz. de Ruyter, Hugo de Groot (geleerde), Jan van der Heijden (1637-1712, schilder, uitvinder), Jan Swammerdam (1637-1680, natuuronderzoeker), Nicolaes Witsen (1641-1717) (burgemeester, koopman, kenner van de scheepvaart en scheepsbouw), Joost van den Vondel (1587-1679, dichter, toneelschrijver), Jacob van Campen (1595-1657) (architect) laatst bijgewerkt: 21-06-02 |