8133

Regenten in 17e en 18e eeuw

Amsterdamse grachtenhuizen; Aansprekersoproer (1696); Pachtersoproer (1748)
In loop van de 17e eeuw  kwam de macht steeds meer in handen van een kleine groep families. 
Veelal waren deze families door huwelijk aan elkaar verwant. Zij vormden de "betere stand". 

Deze regenten waren zulke deftige heren dat ze zich als edelen gedroegen, ook al was hun grootvader maar een gewoon koopman was geweest. Ze keken minachtend neer op iedereen die niet tot "hun stand" behoorde, spraken onder elkaar Frans of mengden zoveel Franse woorden door hun Nederlands dat een gewoon burger hen nauwelijks kon verstaan. De regenten die in het stadsbestuur de dienst uitmaakten, hadden het recht om mensen te benoemen voor allerlei functies. Zij speelden elkaar deze winstgevende baantjes toe. Daardoor hielden zij het geld en macht in eigen kring.

Het kwam bijvoorbeeld voor dat een burgemeester zijn oudste zoon tot legerkapitein, met een jaarsalaris van zestienhonderd gulden. Zijn jongste zoon  gaf hij de functie van postmeester met een jaarsalaris van twaalfhonderd gulden. Zijn oudste dochter had hij benoemd oppperstovenzetster en zijn tante tot opperzakkennaaister.  Natuurlijk kon een jongen van 9 jaar niet het werk doen van legerkapitein of postmeester en kon een deftige regentenvrouw geen stoven verhuren in de kerk. Zij streken alleen het geld op dat voor zo'n baantje betaald werd en lieten het echte werk voor een paar stuivers doen anderen. Bijna niemand protesteerde hiertegen. Men wist niet beter of het hoorde nu eenmaal zo. Bovendien kon een regent allerlei minder baantjes, zoals bierdragen, schipper, sluiswachter of doodgraver uitdelen tegen een "vergoeding". Die baantjes waren erg in trek, want men was daardoor verzekerd van een vast inkomen.

Op het platteland was het nog erger. Daar werden de baantjes verkocht aan de meestbiedende. Iemand die dokter wilde worden moest er dan ook flink voor betalen. Dat geld kon hij echter terugverdienen door zijn patiënten veel te laten betalen voor een behandeling. En de schout die rechtsprak was voor klinkende munt graag bereid om een schikking te treffen.

Nog kwalijker was het dat de regenten hun strafvervolging konden afkopen bij de schout en met behulp van de schout hun tegenstanders buitenspel zetten. Met "politieke briefjes" aan de schout konden zij soms lastige sujetten uit de weg ruimen. In de kerken stonden de predikanten op de kansel en leerden hun gemeente eerbied te hebben voor het gezag, dat van God gegeven is.

De regenten waren rijk. Ze gebruikten hun geld echter niet om handel te drijven of in allerlei ondernemingen te steken, maar leenden dit geld liever tegen rente uit aan buitenlandse ondernemers, die het in eigen land gebruikten om schepen en fabrieken te bouwen. Veel geld gaven de regenten ook uit aan dure kleding, een fraai buitenhuis, bijvoorbeeld aan de Vecht.

Dit moest wel misgaan, vooral toen de tijden slechter werden. De industrie kwijnde en er kwamen steeds meer werklozen. Verschillende malen laaide de volkswoede zo hoog op dat een kleine aanleiding voldoende was om een bloedige opstand te doen ontstaan. Dat gebeurde onder andere in 1696 bij het Aansprekersoproer en in 1748 bij het Pachtersoproer

laatst bijgewerkt: 19-07-01

colofon