4201 |
De Republiek (1702-1713) |
![]() De eerste helft van de 18e eeuw doe zich aan ons voor als een tijd van stilstand en schijnbare achteruitgang, van deftigheid, renteniers en familieregering. Na de stormen van de Gouden Eeuw leek het of men even op adem moest komen. Het was een tijd van deftigheid, renteniers en familieregering. Buitenlanders, die in de 18e eeuw ons land bezochten, vroegen zich vaak verwonderd af wie hier nu eigenlijk de dienst uitmaakte. Het leek wel alsof de Republiek bestond uit een heleboel kleine landjes. Eigenlijk was dat ook zo. In ieder landje of provincie werd bestuurd door een paar rijke families. De mannen uit deze families zaten in het stadsbestuur, waren burgemeester of waren lid van de vroedschap. Ze werden "regenten" genoemd |
Willem lll overleed in 1702 ten gevolge van een val van zijn paard. Omdat hij geen kinderen had, werd hij in Engeland opgevolgd door zijn schoonzuster. In de republiek stierf de mannelijke lijn van prins Willem van Oranje uit. Maar in Friesland leefde de andere tak van de Nassaus, afstammelingen van de oudste broer van prins Willem, Jan van Nassau. Willem lll had de laatste afstammeling van deze tak, de achtjarige Johan Willem Friso, benoemd als zijn erfgenaam van zijn bezittingen. Over die erfenis en de titel "Prins van Oranje" ontstonden langdurig geschil tussen de Friese Nassaus en het Pruisische koningshuis, dat door het huwelijk van Louise Henriëtte, een dochter van stadhouder Frederik Hendrik, met Frederik Willem van Brandenburg, de grote keurvorst, met de Oranjes verwant was. De stadhouderstitel werd overigens dertig jaar lang opgeëist door Frederik Willem van Brandenburg. Dat pleit werd beslecht in 1732, toen het erfdeel van de Oranjes werd verdeeld tussen Fris´s zoon Willem lV en de koning van Pruisen, Frederik l, die zich beiden Prins van Oranje mochten noemen. Nog altijd is er in de familie Hohenzollern een Prins van Oranje. | ![]() |
Johan Willem Friso, nu Prins van Oranje, trad nog niet als stadhouder op. Hij was nog te jong. Alleen in Friesland werd hij stadhouder, omdat het ambt daar erfelijk was. Een nieuw tijdperk van regentenvrijheid brak aan, toen de leiders van de republiek besloten "stadhouderloos"verder te gaan. Zonder binnenlandse woelingen verliep die beslissing niet. Het nieuwe bewind had weer overal tot gevolg dat de verschillende regentenfacties elkaar in de haren vlogen. "Nu zijn wij weer aan de beurt!", vonden de regenten in Zeeland, die door Willem lll op een zijspoor waren gezet. Zij werkten een aantal trawanten van de koning-stadhouder uit de ambten en schoven de corrupte Nassau-Odijk aan de kant. Niet dat het allemaal veel verschil maakte. De rellen en woelingen die dit tot gevolg had, waren ernstig van aard. Er vielen zelfs meer doden dan in 1672 tijdens het rampjaar. Heel wat belastinginners en afpersers zagen woedende meutes op zich afkomen en werden doodgeslagen. Onlusten ook in Gelderland en Overijssel, waar de regenten van "de oude plooi" moesten wijken voor de regenten van "de nieuwe plooi". Het scheelde niet veel of er brak een complete burgeroorlog uit in de zo los aan elkaar hangende gewesten. De jonkers op de Veluwe weerden zich flink in de "guerilla" die daar jarenlang woedde. Ex-burgemeester Roukens van Nijmegen werd onthoofd. Het rommelde in Utrecht en er speelden zich tonelen af in Amersfoort. Ondertussen stond er een nieuwe oorlog tegen Frankrijk voor de deur: de Spaanse Successieoorlog. Voor zover dat tijdens de binnenlandse onlusten mogelijk was, trachtte de Republiek eensgezind deze oorlog in te gaan onder het krachtige beleid van raadspensionaris Heinsius, Simon van Slingelandt en François Fagel, griffier van de Staten Generaal. In het verarmde Zeeland, dat de concurrentie tegen het gewest Holland nauwelijks kon volhouden, dachten heel wat regenten - nu het oorlog was - een goede slag te kunnen slaan met kaapvaart. |
![]() |
Middelburg en Vlissingen rustten 50 kapersschepen uit. Die vloot zou nog uitgroeien tot 75 schepen met 12.000 man en 1700 stukken geschut aan boord. Ze wierpen zich niet alleen op Franse en Spaanse schepen, maar ook op neutrale vaartuigen. Zelfs de schepen van de bevriende naties werden niet ontzien. Honderden scheepsladingen maakten zij buit. Van die poging om de concurrentie met het machtige Holland op een ander vlak te voeren veerde Zeeland helemaal op. "Maar wat die Zeeuwen doen, kunnen wij ook!"dachten jaloerse reders uit andere zeesteden en dorpen. Ook zij stuurden kaperschepen het water op. de West- en Zuideuropese zeeën krioelden allengs van de piraten, voor wie geen koopvaarder veilig was. |
Terwijl de oorlog voortduurde, bestuurden de regenten de Republiek. De roep om een stadhouder en Oranje was even gesmoord. Het geloof dat een stadhouder het volk iets tegen de uitbuiting door de regenten kon doen, was onder stadhouder Willem lll wel zo goed als verdwenen. Na jarenlange onderhandelingen over de erfenis van WIllem lll, bleek er nu een oplossing in zicht te zijn. Om zijn toekomstkansen zeker te stellen reisde Johan Friso met grote haast naar den Haag. Tijdens de overtocht van het Hollandsch Diep op 14 juli 1711 brak een groot noodweer los. Bij een van de grote golven die over de pont heen sloegen, werd de prins de golven in gesleurd en het woeste water van het Hollandsch Diep sloot zich boven hem. Acht dagen werd zijn weggedreven lijk door een beurtschipper teruggevonden. De enige wérkelijke kandidaat voor het stadhouderschap was dood. Zijn zoontje Willem, dat zes weken later werd geboren, was geen bedreiging voor de regenten, die nu de macht in handen namen. Onder die regenten ging de republiek een zeer dramatische periode tegemoet. Ondanks de overwinningen die de bondgenoten hadden behaald op de Fransen, snakten velen naar vrede. De oorlog had enorm veel geld gekost. Vooral Holland, waarop de schuldenlast het zwaarst drukte, was tot vrede geneigd. Wéér begonnen de moeilijke onderhandelingen over de vrede. Maandenlang debatteerden Engeland en de republiek over de verdeling van de buit. Met de Vrede van Utrecht in 1713 was een tijdperk afgesloten. De Republiek had haar grootste glorietijd gehad. De vrede mocht dan wel op Nederlands grondgebied zijn getekend, maar dat was - in de woorden van de Franse diplomaat De Polignac: "Chez vous, sur vous et sans vous". In de internationale politiek telde de Republiek nu niet meer mee. "De Gouden Eeuw van kruitdamp, pek en teer, van soberheid, geloof en durf, van onderneming, strijdbaarheid en visie is voorbij. de periode van het werkelijke goud, gezeten in beurzen van de rijke regenten, begint. De tijd van overdadige buitenplaatsen, kolossaal gestegen schulden, zware belastingen, de tijd van neergang en vernedering staat voor de deur." laatst bijgewerkt: 28-02-04 |