4202

De Republiek der Verenigde Nederlanden (1713-1747)

Republiek (1702-1713)

Na de Vrede van Utrecht was de Repbliek nét onder het niveau van een eersterangs mogendheid gezakt, maar was net geen mogendheid van de tweede rang. In de internationale politiek was haar hoofdrol uitgespeeld. Er begon een licht streven merkbaar te worden naar een koers van neutraliteit. dat kon ook wat  beter dan voorheen. De heerszuchtige Lodewijk XlV stierf in 1715. Zijn achterkleinzoon Lodewijk XV was nog een kind. Van Frankrijk dat alleen maar zocht naar handelsvoordelen, behoefde de Republiek zich geen zorgen te maken. In Engeland was Queen Ann gestorven en George l, de protestantse keurvorst van Hannover die nu op de Engelse troon zat, was geen krachtige figuur. Ook van de zijde van Engeland hoefde de Republiek voorlopig geen gevaar te dulden, behalve de concurrentie in de handel - en dat was al zwaar genoeg. Steeds meer Britse schepen voeren door de Sont. De Republiek miste de vloot om daar iets aan te doen. De Republiek verloor zijn belangrijkheid als stapelplaats van goederen. 

Onder: Rivierlandschap Isaac van Ketweg )1732 / 1787' Aquarel

De Spaanse Successie oorlog had de Republiek enorm veel geld gekost. De Republiek stond voor een bankroet. De schuldenlast was tijdens de Spaanse Successieoorlog van 30.000 gulden gestegen tot maar liefst 130 miljoen. De gewesten Zeeland, Utrecht, Friesland en Overijssel waren achter met hun bijdragen aan de Generaliteit en zouden dat vrijwel constant blijven gedurende de rest van de eeuw. Het onderhouden van de garnizoenen in de barrière-steden Namen, Doornik, Meenen, Veurne, Ieper en in het fort Knokke kostten meer geld dan Heinsius had voorzien. Karel van Habsburg had weliswaar beloofd 3/5 van de kosten voor zijn rekening te nemen, maar die gelden bleven uit.

Omdat er geen betalingen meer konden worden gedaan, gingen de kantoren van de Unie in 1715 voor negen maanden dicht. De Raad van State, bestaande uit 12 leden (gekozen door de Staten van de gewesten) kon niets doen. De Staten-Generaal, waarin afgevaardigden zaten van de gewestelijke staten, was nauwelijks in staat maatregelen te nemen omdat de afgevaardigden geen volmacht hadden gekregen en telkens ruggespraak moesten houden. De gewesten wilden hun onafhankelijkheid beslist niet prijsgeven. Er werd gekibbeld over kleinigheden en strijd geleverd over persoonlijke belangen. De gewesten gingen hun eigen gang en dankten bijvoorbeeld eigenhandig de militie af.

Voetgangers, ruiters en zelfs koetsiers steken in de achttiende eeuw de Oude Rijn bij Leiden over met de veerpont. De oversteekplaats heet de Haagse Schouw en verbindt Leiden met Zuidwijk, Wassenaar en Den Haag. Op dit schilderij van P.C. la Fargue is op de achtergrond het tolhek te zien in de Stevenshofjespolder. Met Schouw bedoelt men de platte schuit die deze belangrijke noord-zuid verbinding onderhield.

Ondanks de hoge belastingen zat de Republiek zonder geld. Geld om nieuwe oorlogsschepen te bouwen, was er niet. Schippers klaagden: Wat moeten zij beginnen tegen de Algerijnse zeerovers, zonder een goed konvooi? 
In de goederenhandel ging het steeds slechter. De Levanthandel verslapte, omdat de Engelsen met hun sterke vloot wel op konden treden tegen de Algerijnse kapers. In de belangrijke handel op de Spaans-Amerikaanse koloniën kwam steeds meer de klad. 

Slecht ging het ook in de landbouw. De voedselprijzen waren zeer laag, waardoor de boeren  voor hun producten maar weinig geld kregen. 

Groningen werd getroffen door een grote overstromingen die 2000 mensen en duizenden koeien, schapen en varkens het leven kostte. Ruim 15.000 huizen vielen het water ten prooi. Ook in de Zaanstreek en in Friesland kwamen uitgestrekte landerijen onder water te staan. Maar de grootste ramp was wel het uitbreken van de veepest, waar niets tegen was te doen. Het enige wat hielp was het vee te doden op de brandstapel te gooien. 

 

rechts: Op deze oude foto uit het begin van de 20ste eeuw zijn maar liefst drie molens te zien. De middelste is de nog bestaande molen De Otter.

In veel industrieën ging het ook niet best. In de Zaanstreek bijvoorbeeld, werden meer dan honderd houtzaagmolens gesloopt, omdat Noorwegen en de Oostzeelanden zelf gezaagd hout gingen exporteren. De arbeiders die in de Zaanse houtzagerijen werkten, werden werkloos en moesten leven in armoede. Hetzelfde gebeurde in tientallen andere industrieën, zoals in de weverijen en in de scheepsbouw. In veel steden moest bijna de helft van de bevolking bedelen om aan voedsel te komen. In Amsterdam leefden meer dan 4000 gezinnen van de bedeling. Op woensdag en vooral op zaterdag trokken hele tropen bedelaars rond. Zij klopten aan bij de huizen en vroegen om een aalmoes. Jammerlijke toestanden heersten ook in Leiden en Haarlem. Kek en stadsbesturen hielden hordes armen en behoeftigen met de grootste moeite in leven. 

Het grote aantal bedelaars was een ramp. Ze verspreidden allerlei dikwijls allerlei besmettelijke ziekten. In sommige streken werden dan ook klopjachten gehouden op bedelaars. de "armenjagers" hadden speciaal hiervoor honden afgericht. Veel baby's werden te vondeling gelegd en rijke mensen klaagden dat er steeds meer dieven en landlopers kwamen. "Het arbeidersvolk vergaat van kommer en gebrek, de armenhuizen liggen opgepropt." schreef iemand in die tijd. Een ander schreef: dat "de armen door de honger en de koude onder de pannen op de vliering stierven". 

De ontevredenheid onder de burgers groeide, niet alleen onder de werkloze boeren en arbeiders, maar ook onder degenen die nog wel werk hadden. Vooral de belastingpachters moesten het ontgelden. Zij moesten het belastinggeld ophalen, dat op allerlei goederen en levensmiddelen, zoals turf, brood, geheven werd. Dit belastinggeld kwam terecht in de zakken van de rijke pachters en regenten.

Toch werd er met de handel werd nog steeds veel geld verdiend.  De Republiek was weliswaar niet meer het eerste handelsland van Europa en haar schepen bevoeren niet meer álle zeeën, ze had geen oorlogsvloot meer als in de dagen van Chatham en Solebay, maar ze telde nog wel mee! Amsterdam had nog zijn bloeiende goederenhandel. Jaarlijks liepen er ruim 3000 schepen de Amsterdamse haven binnen. Daarbij had de stad nu ook een belangrijke geldhandel. "Wie geld nodig had, kon dat altijd in Holland krijgen" Vorsten, maatschappijen en particulieren die grote dingen wilden doen, kwamen naar de Amsterdamse beurs omdat daar veel geld beschikbaar was en dus tegen lage rente grote bedragen geleend konden worden. In de tweede helft van de 18e eeuw werd de Republiek de grote geldmarkt van Europa.

Bij de kooplieden en geldhandelaren stroomde het geld binnen. Dit bewijzen de rijke buitenplaatsen die aan de Vecht en rond Amsterdam verrezen. Hun aantal liep op tot tegen de 400. Het in de handel verdiende geld werd voor het grootste deel belegd in buitenlandse ondernemingen. In totaal was er vanuit de Republiek reeds 100 miljoen gulden in Engeland belegd. Tegen het eind van de eeuw zou dat bedrag stijgen tot 280 miljoen! Zo vloeide er geld het land uit, die zoveel beter hadden kunnen worden belegd in eigen land.

In 1718 wees Groningen de zoon van Johan Willem Friso, Willem Karel Hendrik Friso aan als stadhouder. Drenthe en Gelderland volgden in 1722. In de andere gewesten voelden de regenten niets voor een dergelijke benoeming. 

De jaren dertig van de 18e eeuw sudderden voorbij. Steeds meer reders hadden moeite voldoende ladingen te vinden voor hun schepen. De koopvaardij liep terug. De bedrijvigheid op de scheepswerven, in de mastmakerijen, de touwslagerijen, de scheepsbeschuitindustrie en de ankersmeden liep zienderogen achteruit. In Amsterdam, waar voorheen vrijwel geen woning te krijgen was, stonden aan het eind van de jaren veertig 400 huizen leeg.

In 1734 trouwde W.K.H. Friso met Anna van Hannover, dochter van koning George ll van Engeland. Dit huwelijk was niet naar de zin van de Hollandse regenten, die vreesden dat Engeland door dit huwelijk de Republiek nog eens voor hun karretje konden spannen. 

Willem lV  (1740 1751)

In 1740 brak de Oostenrijks Successieoorlog uit. Toen de troepen van Lodewijk XV in 1747 Zeeuws-Vlaanderen waren binnengevallen, kwam het volk in beweging. Eerst in Zeeland, later in Holland kwam het tot een oproer. De Staten van deze twee gewesten benoemden Willem Karel Hendrik Friso - Willem lV - tot stadhouder. De Staten-Generaal stelden hem aan als kapitein generaal en admiraal van de Unie. Ondertussen zetten de Fransen hun opmars voort en drongen door tot Bergen op Zoom. De stad viel in handen van de vijand. De regenten kregen de schuld  en de val van de stad gaf aanleiding tot verschillenden oproeren in de herfst van 1747. Ook Maastricht ging verloren. De prins kon hieraan weinig doen. het leger was verwaarloosd, geld voor een krachtig optreden was er niet en de prins was nu eenmaal geen veldheer. Gelukkig werd in 1748 de Vrede van Aken getekend. Lodewijk gaf daarbij alle veroveringen terug. In 1751 ging de prins naar Spa om te kuren, Na zijn terugkeer werd hij ziek en stierf hij, 40 jaar oud. Zijn driejarig zoontje volgde hem op als Willem V.

Republiek der Verenigde Nederlanden (1747-1775)

laatst bijgewerkt: 28-02-04