6504 |
Armen, zwervers en bedelaars |
![]() |
De meeste mensen in de steden waren arm. Zij woonden bij elkaar in vochtige kelders en werden gemiddeld niet ouder dan veertig jaar. Mannen moesten van jongs af vele uren per dag hard werken voor een paar stuivers. Rond 1600 verdiende een arbeider gemiddeld 14 stuivers per dag. Daarvoor kon hij niet rijk leven, maar hij hoefde niet echt honger te lijden. Roggebrood, boter, kaas en haring waren meestal overvloedig te krijgen en tamelijk goedkoop. Ook gort, erwten en bonen waren niet duur. En dun bier (bier vermengd met veel water) kon iedereen betalen. Maar als de man ziek werd of als er geen werk was, verdiende hij niets. Dan verdienden de ambachtslieden namelijk minder dan 's zomers, want de gilden hadden bepaald dat er alleen gewerkt mocht worden zolang het licht was. Zodoende kon er 's zomers 12 tot 13 uur gewerkt worden en 's winters maar 8 uur. En juist in de winter hadden de mensen meer geld nodig, vooral voor brandstof. ij moest dan maar zien hoe hij eten en onderdak voor zijn gezin vond.
Links: De bedelaars. Olieverf op paneel van Pieter Brueghel, ca. 1568. Louvre Parijs. |
Vooral in de winter werd door veel mensen bittere armoede geleden. Bij een misoogst of als het weer erg slecht was geweest, gingen de prijzen van het voedsel snel omhoog. De lonen stegen dan niet mee. Als een werkman dan geen kans had gezien om wat geld opzij te leggen, behoorde hij tot de armen. Hij moest dan met zijn gezin leven van de bedéling, de liefdadigheid. Dat gold ook voor mensen die ziek, invalide of te oud waren om te werken. Zij moesten maar afwachten wat de kerken en het stadsbestuur gaven aan voedsel en kleren. Op bepaalde dagen van de week lieten rijke mensen brood, bonen of erwten en kleren uitdelen. In de winter werden turf en soms ook dekens uitgedeeld. Veel arme gezinnen woonden in de boogjes. Dat waren de nissen in de stadsmuur, die met planken en lappen waren dichtgemaakt. Toen in Amsterdam kort na 1600 de oude stadsmuur langs het Singel werd gesloopt, zochten de arme boogbewoners een onderkomen in de kelders van de huizen in de binnenstad, in verlaten kloosters, in pothuizen, paardenhooikisten of onder de bruggen. Ondanks al deze ellende was het in de Republiek echter beter dan in de rest van Europa. Bij duizenden kwamen de buitenlanders over de grenzen om hier aan de kost te komen. | ![]() |
![]() |
's Winters, als de dagen korter waren, gingen de verdiensten van de werklieden omlaag. Heel wat gezinnen konden dan niet rondkomen. Daarom hielpen de vrouwen vaak mee om geld bij te verdienen. Jonge meisjes werkten in de huishouding bij rijke mensen en moeders met kleine kinderen deden thuiswerk. Ze sponnen garen voor een wever of ze hielden een winkeltje, of ze wasten en streken de geplooide witte kragen die veel rijke mensen toen droegen. Behalve veel werklieden hadden ook vissers en zeelui het 's winters niet altijd gemakkelijk. Een groot deel van de bemanningen raakten dan zonder werk, omdat de schepen dan niet uitvoeren. Links: detail van Jeroen Bosch' schilderij Christus' Kruisdraging - Museum voor Schone Kunsten Gent. |
De zeeoorlogen o.a. met Engeland legden de scheepvaart soms zelfs lange tijd stil. Dan werd er helemaal niets verdiend. Ook wie ziek was of te oud om te werken, was er slecht aan toe. In de 17e eeuw kreeg iemand die ziek was geen ziekengeld. Oudere mensen kregen toen geen pensioen. Het aantal bedelaars en zwervers groeide. In het begin van de 16e eeuw hadden de stadsbesturen nog geprobeerd de bedelarij met strenge straffen aan banden te leggen. Zelfs het geven van een aalmoes op een andere plek dan was voorgeschreven, kon worden bestraft. Hieruit spreekt al een mentaliteitsverandering. In de middeleeuwen beschouwde men de bedelaar immers als een soort beschermeling van God. Nu was men van mening dat zo iemand gewoon te lui was om te werken en dat was een schande. Een spreekwoord als "ledigheid is des duivels oorkussen" werd dan ook in deze periode populair. Met de toename van het aantal loonarbeiders groeide ook het aantal armen |
De armenzorg die tot dan toe bestond uit armenhuizen, liefdadige instellingen en particuliere liefdadigheid, kon deze groei niet meer aan. Perioden van schaarste zoals in de jaren twintig en dertig van de 16e eeuw veroorzaakten zelfs oproeren onder de bevolking van enkele steden als Leiden, Amsterdam en Den Haag. Reorganisatie van de armenzorg was hard nodig. Het bedelverbod werd opgeheven en in verschillende steen trok het stadsbestuur de armenzorg naar zich toe. Maar in een stad als Leiden, waar met de achteruitgang van de lakennijverheid halverwege de eeuw bijna de helft van de bevolking armlastig was, gebeurde niets. Hoewel de Republiek in de 17e eeuw het rijkste land van Europa was, was het voor de meeste mensen (arbeiders) geen "Gouden Eeuw". Langs de straten zwierven duizenden zwervers en bedelaars. Werklozen, waaronder veel afgedankte soldaten of matrozen, werden in die tijd namelijk niet geholpen. Men meende toen dat iedere gezonde man wel werk kon vinden. Als je dat niet kon, kwam dat omdat je lui was of door drankzucht en was het dus je eigen schuld. |
![]() |
Om de zwervers van de straat te krijgen werd er in de stad een armenhuis of aalmoezeniershuis gebouwd. Op bepaalde dagen van de week kregen de mensen die daar waren ingeschreven, eten, kleren en brandstof uitgedeeld. De nog rondlopende zwervers en bedelaars werden opgepakt en in het tuchthuis aan het werk gezet. De mannen kwamen terecht in het rasphuis, de vrouwen in het spinhuis. Voor bejaarde vrouwen die voldoende geld hadden, werden hofjes gesticht; meestal door rijke particulieren. In iedere stad was wel een weeshuis waar het soms krioelde van de kinderen die geen ouders meer hadden. In de stad verrees ook een groot dolhuis (gekkenhuis). | ![]() |
Maar niet alleen in de steden heerste armoede. Op het platteland woonden veel keuterboeren op kleine boerderijtjes met een klein stukje grond dat zij hadden gepacht van een edelman of van een grote boer. Veel mensen in het oosten van ons land woonden in hutten, ver buiten het dorp. Deze "huttenlui" hadden het nog moeilijker dan de keuterboeren. In Groningen en Drenthe kwamen de arme turfstekers in hun vochtige plaggenhutten bijna om van de honger. laatst bijgewerkt: 31-07-02 |