8166 |
Weeshuizen |
![]() |
In iedere stad in de Republiek was wel een weeshuis waar het soms krioelde van de kinderen die geen ouders meer hadden. In de 17e eeuw stierven heel wat ouders op jonge leeftijd. Er waren dus veel weeskinderen. De omstandigheden waaronder de bewoners er terechtkwamen waren allerminst vrolijk. De pest en andere ziekten maakten tienduizenden slachtoffers in een stad die als een pakhuis was volgestapeld met duizenden nieuwkomers. Verweesde kinderen zonder welvarende familieleden moesten ergens worden ondergebracht. Het weeshuis bood daarom uitkomst. Over het algemeen hadden de wezen het er niet slecht en echt Dickensiaanse taferelen speelden zich er niet af. Op bijzondere dagen werd er zelfs feestelijk getafeld. Zo werd in de kermismaand september één keer rundvlees met pruimen geserveerd en in plaats van het harde roggebrood was er luxe tarwebrood. Op Tweede Kerstdag kregen de kinderen zelfs "een dubbele boterham en agt guldens bier toe". Rechts: Weeshuispoort aan de Kalverstraat in Amsterdam |
![]() |
|
Hoewel het gebouwencomplex een lange (bouw) geschiedenis kent, wordt de huidige architectuur in belangrijke mate bepaald door twee grote verbouwingen en uitbreidingen in de periode 1632-1635. In die periode ontstonden feitelijk twee weeshuizen: het jongenshuis dichtbij de Kalverstraat en het daarachter gelegen meisjeshuis.
Beide huizen waren gegroepeerd rond een eigen binnenplaats en van elkaar gescheiden door de in de loop van de tijd overkluisde en in 1865 definitief gedempte Begijnensloot. De 17de-eeuwse werkzaamheden begonnen in 1632 met de (ver)bouw van het nieuwe jongenshuis. Boven een zuilengalerij van de gang naar de Kalverstraat werd de jongensschool gebouwd. Links: Oude tekeningen laten het gebruik van de jongens- (links) en meisjesplaats (rechts) zien. |
![]() |
Tot laat in de 19e eeuw was de toekomst voor de jongens en meisjes duidelijk. De grote jongens leerden een ambacht buiten de deur, de grote meisjes werden binnen opgeleid tot nette huisvrouw. Tot hun veertiende moesten ze breien, daarna leerden ze naaien met linnen of lakense stoffen en tussen hun zestiende en achttiende jaar hielpen ze in de huishouding. In vergelijking met leeftijdgenootjes buiten de poort, waren de weesmeisjes nog niet eens zo slecht af. Net als de jongens kregen ze voor hun twaalfde jaar les op de weeshuisschool, waar ze leerden lezen, schrijven en rekenen. Aan het eind van de 19e eeuw kwamen daar nog meer mogelijkheden bij en kregen de meisjes toegang tot eerder onbereikbare opleidingen als de ulo, de kweekschool en de opleiding tot verpleegster. |
![]() |
![]() |
links: Vogelvlucht van het Amsterdams Historisch Museum in 1975. Links de Kalverstraat, onderaan de Sint Luciënsteeg, rechts de NZ Voorburgwal. De jongens- en meisjesplaats (resp. links en rechts) zijn goed te zien, evenals de 'schuttersgalerij' op de gedempte Begijnensloot. De bewoners verhuisden in 1960 naar een nieuwe gebouw ontworpen door Aldo van Eyck aan het IJsbaanpad. Het verlaten en totaal uitgewoonde pand werd verbouwd tot het Amsterdams Historisch Museum, dat in 1975 werd geopend. De buitengevels werden in oude luister hersteld en binnen maakte de vroegere doolhof van gangen, trapportalen, slaap- en eetzalen plaats voor museale ruimten. |
Laatst bijgewerkt: 06-04-09
lit. In het weeshuis / Lodewijk Wagenaar, 2009 |