8135 |
Keuterboeren, huttenlui en turfstekers |
![]() |
![]() |
"De Gouden Eeuw", zo wordt de zeventiende eeuw ook wel genoemd. Maar in Holland en Zeeland was lang niet iedereen welvarend en buiten deze gewesten was van de welvaart nog minder te merken. De boeren met een eigen boerderij en een eigen stuk grond waren er nog het beste aan toe. Ze werden "gewaarde boeren" genoemd, omdat ze iets van waarde bezaten: grond. Vaak nam de oudste zoon de boerderij over als de vader stierf. De andere zonen bleven dan bij hun broer inwonen. Zij trouwden niet, omdat er voor hen geen boerderij was. |
![]() |
Links: De Boerenbruiloft, 1568 geschilderd door Pieter Brueghel.
Op deze boerenkermis laat hij zien hoe boeren zich te buiten gaan aan drank en andere zaken. Rechts op de voorgrond zit een groepje mensen te roken en te drinken. Links wordt een man dronken afgevoerd, daarachter ligt een boerenzoon beneveld te slapen. Een varken, dat in het algemeen wordt geassocieerd met gulzigheid en dronkenschap, wroet in zijn braaksel. In het midden van het schilderij wordt muziek gemaakt en voert een man, al dansend, een vrouw mee naar binnen; zijn bedoelingen mogen duidelijk zijn.
|
Dit is één van Brueghels beroemdste schilderijen, bewonderd om zijn gouden kleur, de grote, stevige en perfect gekarakteriseerde figuren en bovenal om de opmerkelijke compositie. Wat betreft de compositie moet worden opgemerkt dat de welgedane bruid (die een kroon draagt en nogal verward kijkt) tegen een groen wandkleed staat, links van twee figuren die doorgaans als haar ouders worden beschouwd. De bruidegom kan niet duidelijk worden geïdentificeerd, maar naar Vlaams boerengebruik heeft ie dan ook een ondergeschikte rol. De man met het zwaard (rechts), die op een ton met een broeder zit te praten, wordt doorgaans beschouwd als een rechter of de plaatselijke heer. Mogelijk ook is het, gezien de gelaatstrekken, de schilder zelf - vermomd als "een verre bloedverwant of een inwoner van hetzelfde dorp". |
![]() |
Links: Jan Steen: Boerenkermis ca.1668/70 Jan Steen heeft met dit schilderij de onmatigheid en de consequenties daarvan willen uitbeelden. Het is duidelijk dat het gedrag van deze boeren verwerpelijk is. De schilder heeft dat uitgebeeld door - geheel rechts - een vrouw toe te voegen die haar behoefte zit te doen; een denigrerender commentaar op dit laag-bij-de-grondse gedrag is bijna niet mogelijk. De trouwpartij wordt gehouden in een schuur, onder begeleiding van twee doedelzakspelers.
|
De gasten zitten ijverig te eten en te drinken - figuren die in plaats van veren of bloemen lepels op een hun hoed bevestigd hebben. [N.B. Lepels en messen waren het enige tafelgerei uit die tijd. Messen werden aan de roem gedragen.] Op een uit zijn hengels gelichte deur worden de custardtaarten rondgediend. Het meisje op de voorgrond eet de hare met haar vingers. De oogst is binnen, te zien aan de twee ter versiering opgehangen schoven. Het was traditie de bruiloft na de oogst te houden. |
Er waren ook veel kleine boeren. Die woonden op kleine boerderijtjes met een klein stukje grond dat zij hadden gepacht van een edelman of van een grote boer. In ruil daarvoor moesten zij allerlei klussen opknappen voor hun landheer. Als ze klachten hadden, konden ze door hem zo uit hun boerderij worden gezet. Deze keuterboeren waren arm. Op allerlei manieren probeerden ze wat bij te verdienen. Ze maakten klompen en manden, ze looiden een koeienhuid tot leer.
Dagenlang zaten ze achter een spinnewiel om wol of linnen te spinnen. Veel bracht deze huisnijverheid echter niet op. In die tijd was in het oosten van os land bijna alle grond bedekt met heide. Daarop graasden de schapen van de boeren. Die schapen waren belangrijk. Ze leverden niet alleen wol en vlees, maar vooral ook mest. Die mest was nodig om de akkers vruchtbaar te maken. Zonder die mest groeide er haast niets op de schrale zandgrond. Maar niet iedereen mocht zijn schapen laten grazen op het heideveld. Een veldwachter hield dat streng in de gaten. Rechts: Boerenfamilie in een interieur (1661), schilderij van Adriaen Jansz. van Ostade (1610 - 1685) |
![]() |
Veel mensen in het oosten van ons land woonden in hutten, ver buiten het dorp. Deze "huttenlui" hadden het nog moeilijker dan de keuterboeren. Ze bezaten geen grond en konden dus geen voedsel verbouwen. Ze probeerden wat geld te verdienen met het maken van bezems. Heel vaak moest de kerk deze huttenlui helpen om te voorkomen dat ze van de honger stierven. Rond 1600 lag er op het grensgebied van Groningen en Drente nog een enorm veenmoeras. Niemand waagde zich hierin, want je zakte erin weg. Niemand had ooit belangstelling voor deze woestenij. Eigenlijk was het een soort niemandsland. Maar toen er in de 17e eeuw veel vraag kwam naar turf, werd dit veengebied opeens wél belangrijk. Er waren genoeg werkloze boerenzoons die voor een appel en een ei de god ganse dag turven wilden steken. De arme turfstekers moesten met hun gezinnen wonen in plaggenhutten. Iedere morgen trokken de mannen om 6 uur met een platte schop naar de uitgestrekte moerassen. Om genoeg te verdienen moesten zij per week duizenden turven steken. De bazen verkochten die voor veel geld aan de rijke stedelingen in Holland. Met het geld dat ze verdienden, lieten ze prachtige herenhuizen bouwen. De arme turfstekers kwamen in hun vochtige plaggenhutten bijna om van de honger. De Drentenaren waren het er niet mee eens dat de ondernemers uit Groningen hun turven kwamen wegsteken. Na veel gepraat werd besloten een grens trekken: vanuit de Martinitoren in Groningen in een kaarsrechte lijn naar de kasteeltoren van ter Apel. |
![]()
|
![]() |
laatst bijgewerkt: 01-10-02 |