10.080

Volksgezondheid en hygiëne in de 19e eeuw

Met de hygiëne was het in de 19e eeuw slecht gesteld, vooral in de grote steden. In de Amsterdamse kelderwoningen moesten de gezinnen van een paar woningen zich vaak behelpen met één gootsteen en een kraan in een klein portaaltje. In een hoek van de kamer stond de WC: een emmer met een deksel erop. Muren en vloeren waren altijd vochtig door het wassen, schrobben, wasgoed drogen en koken. Het was er ook altijd koud en donker en daglicht kwam er nauwelijks naar binnen. 

Door het slechte voedsel, door de ongezonde woonomstandigheden en vooral door het drinken van besmet drinkwater (de grachten en rivieren waren open rioles en het met uitwerpselen besmette water werd later weer opgepompt als drinkwater) stierven veel mensen aan allerlei besmettelijke ziekten, zoals Pokken, Cholera, Tyfus, Roodvonk, Difterie en Tuberculose. De helft van de kinderen stierf voordat zij 12 jaar oud waren. Tussen 1832 en 1867 stierven er in heel Nederland meer dan 65.000 mensen aan de cholera. De meeste mensen werden niet ouder dan 40 jaar. Buiten Nederland was het al net zo. In de jaren 1831-1832 kwamen maar liefst 50.000 Britten om door de cholera. In één enkele Parijse zomer vielen door dezelfde ziekte 18.000 doden. 

In de 18e en 19e eeuw werd Amsterdam getroffen door verschillende pokkenepidemieën. In het denken over het uitbreken van epidemieën is er ten opzichte van de 17e eeuw gelukkig wel het een en ander veranderd. De ziekte wordt door velen nu niet meer gezien als een straf van God. "God brengt ons wel de ziekte, maar geeft ons ook de middelen om er wat aan te ondernemen". De omwenteling had er vooral mee te maken dat zoveel kinderen door de pokken werden getroffen. De fatalistische zienswijze kon zich blijkbaar niet handhaven tegen het onredelijke van deze kindersterfte. Vooruitstrevende burgers van de stad zetten programma's op, die de pokken moesten keren. Vaccinatie komt op. Later mochten kinderen niet meer naar school als ze geen inentingsbriefje konden laten zien. Uiteindelijk is het gelukt deze grote besmettelijke ziekte wereldwijd uit te roeien.

Hierin kwam enige verandering door de oprichting van een vuilnisophaaldienst, maar die zorgde echter alleen voor het ophalen van het huisvuil en niet voor het schoonmaken van de straten. Dat werd aan de bewoners overgelaten. Het bleef dus op straat een vieze bende. 

In de 19e eeuw verschenen ook de eerste openbare badhuizen, maar van baden hielden de mensen niet zo. Ze namen hoogstens een bad, omdat baden volgens sommige doktoren goed was voor de gezondheid. Maar de meeste mensen hielden zich aan het advies van de 17e eeuwse dichter Jacob Cats, die schreef:

"Was u handen
wast u tanden
Dikwijls want het is goed
Doch wast zelden uwen voet
Doch wat nimmer u geschiet
Wast u hoofd zijn leven niet

Als de dood was men om doof te worden door het water dat bij het wassen in de oren kwam.

Sinds 1881 bestond er al een openlucht zwembad aan de Ruijterkade, waar je kon zwemmen in het Y. Er waren ook binnenbaden, maar daar werd weinig gebruik van gemaakt. In 1890 werd er op het Jonas Daniël Meijerplein en volksbad geopend en vier jaar later ook één in de Pijp in de Govert Flinckstraat. Een "stortbad" kostte er 6 cent, maar veel bezoekers kwamen er niet.

In twee scholen, één in de van Swindenstraat en één de Valkenburgstraat werden als proef enkele douchebaden geplaatst. In de succesvolle revue "De Doofpot" werd daarover in 1891 gezongen:

Schoolmeester:

De gemeente heeft besloten
Dat jullie dagelijks baden moet
Zo voor kleintjes als voor groten
Is zo'n opfrisser wel goed
En nu vraag ik, elk persoonlijk:
Wil je baden, kleine baas?
Wil je dat?

Kinderen: 

Nee, dat wil ik niet
Nee, dat wil ik niet
Geef me maar een broodje kaas.

In alle oude stadsdelen liet de gemeente openbare badhuizen bouwen, maar het zou nog heel wat moeite kosten om de mensen er naar toe te krijgen.

laatst bijgewerkt: 09-05-04

colofon