10081 |
Cholera (1832 - 1866) |
![]() Vanaf ongeveer 1830 werd Nederland geteisterd door enkele cholera-epidemieën. De ziekte werd meegebracht door scheepslui of ontstond door de onhygiënische omstandigheden. De eerste epidemie brak uit in 1832 in Scheveningen. Er vielen vele doden en de ziekte verspreidde zich later tot aan Rotterdam en Amsterdam. In een medisch boek kunnen we lezen wat Jacoba Janssing, weduwe van Jannes Burnett overkwam, ergens aan het begin van de 19e eeuw. Zij was 57 jaar oud, moeder van 14 kinderen "waarvan echter nog maar twee in leven zijn." Haar geschiedenis vermeldt dat: "Na onmatig gebruik van komkommers en mosselen, zij pijn in het lijf (gevoelt), gepaard met misselijkheid, braking en veelvuldige stoelgang, welke eindelijk zodanig toeneemt, dat er niets anders dan vlokkig water onophoudelijk ontlast wordt." Daar eindigt de pagina uit "Berigten betreffende de Aziatische Cholera te Amsterdam 1832 van W. Stolk. De ziekte bleek het meest voor te komen bij mensen die water uit een bepaalde pomp of put gehaald hadden. De mensen die dat niet hadden gedaan, werden niet ziek. Zo werd het bewijs geleverd dat de cholera te maken had met besmet drinkwater en slechte hygiëne. Tegelijkertijd zag men ook hoe vies de stad eigenlijk wel was. De grachten en sloten lagen vol met vuil. Zoveel, dat het vuil op sommige plaatsen boven het water uitstak. De sloten en grachten waren open riolen. De beerputten van de deftige grachtenhuizen werden erop geloosd. Verder dreven er dode beesten in rond, samen met de inhoud van beeremmers en slachtafval. De straten lagen vol met de mest van de paarden en honden. Eeuwenlang moeten boven de grachten en tussen de huizen de stinkende geuren hebben gehangen van menselijke stront, rottend vuil, ontbindende karkassen van huisdieren en dan zwijgen we nog over de geuren van de gemiddelde, altijd ongewassen Amsterdammer. |
![]() |
De grachten stonden toen nog in open verbinding met het IJ. Op het ritme van eb en vloed werden de grachten schoongespoeld, maar maar dat was volstrekt onvoldoende om de grachten echt schoon te maken. In de grachten van de dichtbevolkte Jordaan kwam nooit vers water. Daar loosden de vele fabriekjes bovendien hun afvalwater ook nog op de grachten. |
's Avonds reed de "beerkar" ("boldootwagen") door de straten om de volle emmers te legen, maar waar die niet kon komen gooide men het vuil gewoon in de gracht of in de goot. | ![]() |
In de loop van de 19e eeuw werden de meest smerige grachten weliswaar gedempt, maar dat was niet voldoende. Dat bleek wel in 1866, toen er opnieuw een cholera-epidemie uitbrak (eerdere epidemieën vonden plaats in 1834 en 1849), waaraan meer dan 1100 Amsterdammers stierven. In 1870 werd daarom een begin gemaakt me de aanleg van een rioleringsstelsel,maar het duurde nog vele jaren voordat de "Boldootwagen" overal verdwenen was.
Krijg de kolere! De ziekte die mensen elkaar op die manier toewensen, kwam in de negentiende eeuw uit Azië naar Europa en ook naar Nederland. Slachtoffers droogden in korte tijd uit door onophoudelijk braken en diarree. Cholera doet het goed in laagvlakten met veel stilstaand water. De steden van de negentiende eeuw waren overvol, doorsneden met grachten die slecht of helemaal niet doorgespoeld werden. In die grachten kwamen riolen uit en de stedelijke nijverheid loosde er afvalwater. Drinkwater was pompwater en dus grondwater. De kwaliteit wisselde sterk. Als het water door een dikke zandlaag moest worden opgepompt was het redelijk gefilterd, maar in lagere veengebieden kon het erbarmelijk slecht zijn. laatst bijgewerkt: 09-05-04 |