10.513 |
Waterleiding |
Vóór 1800 werd veel drinkwater uit de sloten en grachten gehaald. Maar in deze grachten werden de riolen geloosd. Daardoor werd dit water te smerig om te drinken. Voordat de waterleiding kwam waren de meeste Amsterdammers grotendeels aangewezen op regenwater. Daarnaast werd schoon water uit de Vecht aangevoerd. Aan het eind van de 18de eeuw legde de stad 35 ondergrondse verswaterbakken aan, gevuld met regenwater en Vechtwater. Dit water werd, nauwelijks gezuiverd, aan huis verkocht. Een emmer vol, 15 liter, kostte 2 cent.
Het meestal niet zo schone drinkwater was er de oorzaak van dat in de loop van de vorige eeuw veel mensen stierven aan een besmettelijke ziekte, zoals cholera of tyfus. Tussen 1832 en 1867 stierven er in heel Nederland meer dan 65.000 mensen aan de cholera. De ziekte bleek het meest voor te komen bij mensen die water uit een bepaalde pomp of put gehaald hadden. De mensen die dat niet hadden gedaan, werden niet ziek. Zo werd het bewijs geleverd dat de cholera verspreid wordt door besmet drinkwater. In de eerste helft van de negentiende eeuw circuleerden er al plannen om een waterleiding aan te leggen. Er moest nog een cholera-epidemie voorbijkomen, in 1848, om te zorgen dat die plannen vaste vorm kregen. Een leidende rol speelde de schrijver Jacob van Lennep (1802-1868). Hij had een buitenhuis in Heemstede en dronk daar volgens de overlevering een keer een glaasje heerlijk duinwater. Het idee om dat naar Amsterdam te vervoeren, was geboren. |
![]() |
Van Lennep richtte in 1851 de Amsterdamse Duinwater-Maatschappij op en betrok Engelse geldschieters en ingenieurs bij de plannen. Londen had al een waterleiding en de ervaringen waren positief. Twee jaar later stroomde het eerste drinkwater dat werd opgepompt uit de duinen bij Vogelzang en via een gietijzeren buizenstelsel uitkwam in een fontein bij de Willemspoort, waar het duinwater voor een cent per emmer werd verkocht. Jacob van Lennep op 48-jarige leeftijd (ca. 1850) |
Boven: De Amsterdamse Waterleiding Duinen is een van Nederlands grootste duingebieden en wordt grotendeels gebruikt als waterwingebied voor de regio Amsterdam. Het kent een grote landschappelijke variatie (van zeer open tot zeer dicht) en een rijke flora en fauna. De AWD is toegankelijk voor het wandelpubliek. In dit gebied hebben natuurliefhebbers een unieke mogelijkheid om dit typisch Nederlandse landschap te verkennen. | ![]() |
Op 1 mei 1854 werden de eerste abonnementen op de waterleiding afgesloten. Amsterdam was daarmee de eerste stad in Nederland met een waterleiding. Er werd zoveel afgenomen dat al binnen een paar jaar uitbreiding nodig was. In snel tempo werden daarna steeds meer huizen aangesloten op de waterleiding. Het water, dat vanuit de duinen werd opgepompt, was veel schoner dan het drinkwater dat uit de pompen, putten of regenbakken kwam. In de stad verdwenen in de meeste grachtenhuizen de pomp uit de keuken. Maar lang niet iedereen kon zich een aansluiting veroorloven op dit waterleidingnet. Een aansluiting op de waterleiding was een hele luxe. Bovendien waren in Amsterdam lang niet alle straten en wijken op deze waterleiding aangesloten. De arbeiders in de kelderwoningen en de 19-de eeuwse volksbuurten merkten van deze vooruitgang dan ook niets. Zo'n aansluiting was overigens ook niet alles. De kraan zat meestal in de kelder. Dienstboden moesten het water met emmers naar boven sjouwen. Toen de duinwaterleiding er eenmaal was, steeg het waterverbruik snel. In 1865 moest het waterwingebied in de duinen al uitgebreid worden. De waterleiding had onmiddellijk effect: toen in 1866 elders in het land een grote cholera-epidemie woedde, vielen in Amsterdam vrijwel geen slachtoffers. Op dat moment had de stad 8505 abonnees en 56 tappunten. In 1877 werd een tweede pijpleiding vanuit de duinen naar Amsterdam aangelegd. Hoe hard de Duinwater-Maatschappij ook haar best deed, er kwam toch kritiek. Zo stagneerde de toevoer van water geregeld. Bovendien was de capaciteit niet genoeg voor het snel groeiend aantal inwoners. De tarieven waren te hoog, omdat de commissarissen er zoveel mogelijk aan wilden verdienen. De gemeente probeerde met de Duinwater-Maatschappij te onderhandelen over verbetering van de service, maar met weinig resultaat. In 1896 besloot het stadsbestuur over te gaan tot gemeentelijke exploitatie van de waterleiding met de opzet van de Gemeentewaterleidingen. Onder druk van het stadsbestuur legde de Duinwater-Maatschappij in 1888 een tweede waterleiding aan vanuit de Vecht. Ook werd een nieuw productiebedrijf bij Weesperkarspel gebouwd, waar het Vechtwater gezuiverd werd. De Gemeentelijke Gezondheidsdienst verklaarde echter, dat dit water ondanks de zuivering niet geschikt was om te drinken. De Amsterdammers mochten het alleen gebruiken om te wassen en te schrobben. Het moest ook door een apart buizennet verspreid worden.Een tegenvaller was, dat de Amsterdammers minder Vechtwater afnamen dan de Duinwater-Maatschappij verwachtte. Daardoor werden de financiële problemen van de Maatschappij bijna onoverkomelijk.In de gemeentepolitiek waren inmiddels liberalen aan het bewind gekomen, die niet langer afkerig waren van overheidsingrijpen. Op 1 mei 1896 nam de gemeente de Duinwater-Maatschappij voor twaalf miljoen gulden over. Vanaf die tijd is het waterleidingbedrijf van Amsterdam een gemeentelijk bedrijf en heet het Gemeentewaterleidingen Amsterdam. |
![]() |
Omdat de pompinstallatie bij Vogelenzang dan niet meer voor voldoende druk zou kunnen zorgen werd in 1897 besloten tot de bouw van het Machinepompgebouw Haarlemmerweg. Rond 1900 werd het gebouw al in gebruik genomen. Aan de achterkant bevonden zich 4 ondergrondse waterreservoirs met elk een inhoud van ca. 10000 m3, die werden gevuld met duinwater.
|
In de machinekamer waar nu het restaurant is stonden 4 pompen die het water via enorme buizen in de kelder en de watertoren de stad inpompten. Aanvankelijk werkten de pompen op stoom. Hiervoor stond in het 8-hoekige gebouwtje aan de voorzijde van het gebouw de ketelinstallatie. In 1940 werd het Machinepompgebouw geëlektrificeerd: de stoomturbines werden vervangen door dieselmotoren. De pompen werkten voortaan op stroom geleverd door het GEB (het echte overheidsbedrijf voor het NUON-tijdperk), bij ernstige en langdurige storingen wekten de dieselmotoren die benodigde stroom op. Het was een beroemde en veelbezochte machinekamer. | ![]() |
Een technisch tijdschrift uit 1941 schreef: "de goedgevulde en symmetrische machinekamer maakte dan ook op den binnentredenden bezoeker een grootschen indruk en gold als een sieraad voor de stad Amsterdam." Het Machinepompgebouw is tot 1996 door de Gemeentewaterleiding in gebruik gebleven. Het gebouw is tegenwoordig in gebruik als restaurant.
Het nieuwe pompstation ligt nu 150 meter verderop aan de van Slingelandtstraat. De huidige waterbassins zijn bovengronds, maar de opstelling in het station is eigenlijk hetzelfde: 5 (ipv 4) pompen en twee dieselaggregaten. De watertoren uit 1960 wordt nog steeds gebruikt, niet om druk te bewerkstelligen, dat doen de pompen, maar om drukstoten op te vangen. Bovendien is de 20meter hoge waterkolom, met het reservoir aan de top, een eerste reserve. Sinds enige jaren is er in West-Europa steeds meer animo om de 19-e eeuwse industriële gebouwen die niet meer gebruikt worden, te behouden. Ze worden verbouwd tot musea, theaters, café-restaurants en ateliers, en in sommige gevallen tot kantoren of woonruimtes. Alle overige ruimtes zijn verbouwd tot kantoren. De machinekamer werd altijd zeer goed onderhouden door de mensen die er werkten. Zij hielden van het gebouw en waren er trots op. Zo hoefden de nieuwe gebruikers de gebeeldhouwde vis boven het bassin niet eens opnieuw te verven. Ook hebben ze de ruimte zoveel mogelijk intact gelaten: weliswaar is één dieselmotor verhuisd naar het Energeticamuseum, maar de andere staat nog in het restaurant. Ook moesten drie van de vier pompen en alle regelapparatuur plaats maken voor tafels en stoelen, maar verder is alles bij het oude gebleven. De lampen zijn afkomstig uit de lichtinstallaties van De Meer en het Olympisch Stadion. |