4596 |
Het Nederlandse Cabaret |
![]() |
![]() |
Boven: Cabaret, schilderij van Piet van der Hem ca. 1910 Aan het eind van de 19e eeuw opende Eduard Jacobs het eerste cabaret in Nederland in een piepklein theatertje aan de Quellijnstraat in de Amsterdamse Pijp. Hij en zijn navolgers: Koos Speenhoff, Jean-Louis Pisuisse en Dirk Witte, Nederlands eerste cabaretiers, moesten niets hebben van het gezapige, oubollige en genoegzame repertoire van de liedjes uit die tijd. Het cabaret stamt uit Parijs, waar het in de 19e eeuw begon met Le chat noir in Montmartre, waaraan o.m. Emile Goudreau, Rodolphe Salis en Aristide Bruant meewerkten. Het was een soort kunstenaarskroeg die werd opengesteld voor publiek en waar werd opgetreden door zangers, musici en voordrachtskunstenaars. Voor de voorstellingen werd betaald in de vorm van consumpties. In Nederland werd dit type cabaret overgenomen door Eduard Jacobs (1868-1914) en later opnieuw tot leven gewekt door Sieto Hoving (1924). Het Nederlandse cabaret ontwikkelde zich echter meer tot het optreden in theaters. In het eerste kwart van de 20e eeuw speelde het cabaret een belangrijke rol in de kunst van de avant-garde. Zanger en cabaretier Aristide Bruant was één van de spectaculairste figuren van het Parijse nachtleven aan het einde van de negentiende eeuw. |
![]() |
Hij is vooral bekend door de affiches met zijn beeltenis die Henry de Toulouse Lautrec voor hem maakte. De forse gestalte met cape, sjaal, breed gerande hoed en knoestige stok in de hand is waarschijnlijk bekender dan zijn levenswandel. In 1885 opende Bruant de deuren van zijn café-chantant Le Mirliton op de Boulevard Rochechouart in Parijs. Bruants ruwe, eigenwijze zangstijl werd door zijn tijdgenoten als uitermate provocerend gezien. Daarbij hoorde ook het uitschelden van het publiek, wat hem jarenlang een grote populariteit verschafte. De Parijse jetset vermaakte zich met zijn liedjes en monologen over meisjes van plezier, hoerenlopers en boeven; teksten die in de volkstaal, het ´argot´, werden voorgedragen. |
![]() |
Eduard Jacobs was van huis uit een muzikale diamantbewerker. Tijdens een verblijf in Parijs raakte hij gefascineerd door de cafés chantants op Montmartre , waarin de verlichte burgerij zich graag liet schokken door kritische en bijtende liederen. Aristide Bruant was zijn grote voorbeeld. In 1895 begon hij op te treden in een Amsterdams café tijdens een wereldtentoonstelling ter bevordering van het toerisme. De vele buitenlandse bezoekers herkenden en waardeerden de Parijse herkomst van zijn liedjes en na de tentoonstelling bleef een Amsterdams publiek regelmatig naar hem luisteren om geprikkeld te worden en te horen zeggen wat eigenlijk niet gezegd mocht worden. Zo werd Eduard Jacobs de eerste Nederlandse cabaretier. Het thema dat hem en kennelijk ook zijn publiek het meest bekoorde was de prostitutie. Hoeren, pooiers, rijke geilaards, oude bokken en onnozele meisjes, bevolken de meeste van zijn liedjes. |
Twee journalisten van het Algemeen Handelsblad: Jean Louis Pisuisse (1880 - 1927) en Max Blokzijl reisden in 1907 verkleed als Italiaanse straatmuzikanten met een gitaar door het land. Ze noemden hun chansons levensliederen. Resultaat van dit als grap begonnen project was het succesvolle boekje Avonturen als straatmuzikant. De als grap begonnen onderneming was zo succesvol dat het tweetal in 1908 aan een wereldreis begon.
In 1910 schreef hij De Franse Gouvernante wat grote bekendheid kreeg. In Parijs raakte Pisuisse zo in de ban van het artistieke Cabaret van Aristide Bruant, dat hij na zijn terugkeer in Nederland (1911) de journalistiek vaarwel te zeggen en werd fulltime artiest. Beïnvloed door de cabarets die hij in Parijs had bezocht, richtte hij het eerste volwaardige cabaretgezelschap van Nederland op. |
![]() |
In samenwerking met impresario Max van Gelder organiseerde hij vanaf 1912 cabaretvoorstellingen in het Kurhaus in Scheveningen. Na een korte onderbreking tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij vanaf 1915 in diverse talen succes met repertoire van bijvoorbeeld Aristide Bruant, van hemzelf of van Dirk Witte. Die laatste schreef een van de bekendste Nederlandse cabaretliedjes voor Pisuisse: Mens durf te leven. Pisuisse had een grillig liefdesleven. Hij trouwde in 1903 met Jacoba Smit. Optredend in Soerabaja ontmoette hij in 1909 de jonge actrice Fie Carelsen (5 april 1890-21 juli 1975), een ontmoeting die op beider leven van grote invloed zou blijken te zijn. Hij vroeg haar in zijn inmiddels opgerichte cabaret De Kattebel op te treden. Zij werden verliefd en in 1912 was de echtscheiding met Coba Smid een feit. Op 14 augustus 1913 trad hij in het huwelijk met Fie Carelsen waarna hij op een buitenlandse tournee ging. Hij zong en bracht zijn conferences in verschillende talen. Gedurende de Eerste Wereldoorlog was hij weer correspondent voor het Algemeen Handelsblad en trad samen met Fie Carelsen op voor de soldaten. Ze zongen o.a. liedjes van de tekstschrijver/componist Dirk Witte waarmee ze veel succes oogsten. M'n eerste beter bekend als Het meisje van de zangvereniging (1914) en Mens durf te leven (1918) hadden nationale bekendheid. Later kreeg Louis een verhouding met Jenny Gilliams, een zangeres uit zijn cabaretgezelschap. Na hun huwelijk (1927) begon Jenny Gilliams een affaire met een ander lid van het gezelschap, Tjakko Kuiper, maar brak uiteindelijk met hem. Dit was voor Kuiper kennelijk niet te verteren: op 26 november 1927 schoot hij op het Rembrandtplein in Amsterdam zowel het echtpaar Pisuisse als zichzelf dood. Pissuisse geldt als een belangrijk pionier, en voor velen als de grondlegger, van de Nederlandse kleinkunst. |
![]() |
Dirk Witte (1885-1932)Dirk Witte was een muzikaal 'wonderkind' uit een Zaanse onderwijzersfamilie. De jonge Dirk schreef al vroeg teksten en muziek en maakte al in 1901 een succesrijk spotlied op de eerste Zaanse autobus. Het succes dat hij met zijn hobby op verenigingsavonden en in 1914 als ziekendrager bij het mobilisatieleger had, bracht hem ertoe contact te zoeken met zijn idool Jean-Louis Pisuisse, de man die de grote promotor zou worden van Wittes opmerkelijke liedjes (tekst en muziek), die in ieder opzicht zo puur Nederlands waren. Over het algemeen behandelde Dirk Witte eenvoudige onderwerpen van lief-en-leed die de gemiddelde burger ongeschokt konden boeien, maar soms waren ze duidelijk getuigend. Dirk Witte |
Naast de superbe vertolkingen die Pisuisse van zijn werk gaf maakten ook andere cabaretkunstenaars van zijn gevoelige en geestige liedjes dankbaar, en vaak met even groot succes, gebruik. Veel van Wittes liedjes zouden de tand des tijds doorstaan en tot meezingers uitgroeien.
De intensieve samenwerking met Pisuisse leidde tot de positie van zakelijk leider van diens cabaretensemble, maar na een paar jaar keerde hij toch weer naar de houthandel terug, omdat hij niet opgewassen bleek tegen het ongeregelde en onzekere artiestenbestaan. Het schrijven en componeren van liedjes heeft hij echter nooit opgegeven, al is hij nimmer broodschrijver geworden. Daar hij als aanvankelijk fortuinlijk zakenman niet afhankelijk was van zijn artistieke inkomsten, kon hij de kwaliteit van zijn productie steeds op peil houden. Hij stond uitsluitend materiaal af waar hij met hart en ziel in geloofde; hij werkte uiterst accuraat, gaf niets uit handen voor het tot in de kleinste details 'af" was en stelde aan zichzelf de hoogste artistieke eisen. Ondanks zijn successen als liedjesschrijver en zijn goede inkomsten uit de houthandel is Wittes leven niet gemakkelijk verlopen. Wittes aangeboren melancholie leek na zijn huwelijk door de onbekommerde en luchthartige aard van zijn vrouw te worden opgevangen, maar in zijn latere jaren zou juist haar zorgeloosheid de bij hem bestaande zwaarmoedigheid versterken. Zijn onverwachte dood bij een auto-ongeluk op 15 november 1932 - waarschijnlijk dronken geraakte hij in zijn auto te water - deed hardnekkige geruchten ontstaan omtrent mogelijke zelfmoord. Hij liet een hoge schuldenlast na. In zijn binnenste moeten voortdurend botsingen zijn geweest tussen de burger en de bohémien. Want hij leefde tussen twee werelden, die hij allebei niet kon missen: de wereld van de kunstenaar met alle mogelijkheden en onmogelijkheden èn het bestaan van de gezeten burger met het vast inkomen, met de zekerheden. Op zijn grafsteen heeft de familie het laaste couplet van zijn beroemdste lied laten beitelen, het lijflied van het Nederlandse cabaret: Mensch, durf te leven!. |