10.563 | Koos Speenhoff (1869 - 1945) |
![]() |
Koos Speenhoff werd geboren in 1869 als zoon van een fabrikant uit Krimpen aan de Lek. Zijn jeugd verliep normaal. Als opgeschoten jongen schreef hij al liedjes waarvan enkele later op zijn répertoire gebleven zijn en hij deed soms wat aanstellerig studentikoos. Enige jaren voer hij als leerling-machinist bij de Marine, een jeugdepisode waar hij zijn gehele leven mee bleef koketteren. Daarna werd hij schilder en tekenaar in één van de meest onartistieke steden ter wereld: Rotterdam. Bovendien viel er in die tijd niets te tekenen. Althans niet voor iemand die daar zijn brood mee moest verdienen. Bladen waren er niet te veel, en die er waren betaalden allermiserabelst en reclametekenen was toen nog vrijwel onbekend. Ook publiceerde hij in het tijdschrift De Ware Jacob, maar erg veel leverde dat niet op, na zijn eerste optredens hadden zijn financiële zorgen eigenlijk voorbij moeten zijn.... Speenhoff trok veel op met de journalist Brusse (bekend van Boefje) en met een andere armoedzaaier: de Delfshavenaar en schilder Kees van Dongen, met wie hij zijn atelier aan de Groenendaal deelde. Samen gingen zij vaak naar de uitgaansbuurt (en rosse buurt) van Rotterdam, het Zandstraatkwartier, in de volksmond de Polder genoemd, de plaats waar nu het stadhuis staat. Hij was huisvriend (let wel: geen bezoeker!) van een destijds vermaard établissement aan de Haringvliet, waar Franse meisjes intern waren wier vertrouweling hij werd. De Franse taal is altijd één van zijn grote liefdes geweest. |
![]() |
Hij begon zijn cabaret-loopbaan als straatzanger in Rotterdam. De wilde jaren van zijn na-jeugd hadden hem gerijpt tot een man die het leven kende. En zijn aangeboren talent stelde hem in staat met enkele woorden, die ongebruikelijk van eenvoud waren, iets te zeggen dat rechtstreeks naar de keel sprong. Toen de nood hoog steeg en de schuldeisers onhoffelijk werden liet hij zich door enkele toegewijde vrienden die zijn liedjes kenden overhalen op te treden op een Meidag van het jaar 1903 in de Tivoli-Schouwburg. De volgende morgen was hij beroemd. Met zijn levensliederen had hij enorm veel succes. Speenhoff bezong de dingen en de mensen van alledag. Zijn weemoed was doorleefd en zijn spot was bezield. Op eentonige dreunwijzen zong hij liedjes over dingen waarover nooit een ander hier gezongen had: over penozejongens die in de nor zaten, over vegetariërs - wie van zijn plankencollega's uit die tijd had ooit van vegetariërs gehoord, laat staan er over gezongen? , over Dorissie uit het Oudemannenhuis, over goedgezinde meiden die met dikke buiken bleven zitten. het doodgewone leven van de juffrouw uit de groentenwinkel, de meneer achter het glaasje aan de tapkast en de meisjes uit het Zandstraatkwartier. |
![]() |
De markt op de Gedempte Botersloot in het Zandstraat- kwartier in 1900 |
Max van Gelder, de grote mentor van het. Nederlandse Cabaret bracht hem in het Panopticum te Amsterdam en Carl Pfläging engageerde hem tegen een vergoeding van enkele rijksdaalders per dag voor het Circus-Variété in Rotterdam. Daar waren alle voorstellingen uitverkocht en één van de kunstemakers uit het programma maakte hem gage-wijs. Een wijsheid die hij zich wél heeft weten te benutten, want sindsdien heeft hij nooit meer voor een appel en een ei gezongen! Op het eerste grote succes volgde een tweede: zijn kennismaking en samengaan met Nap de la Mar, een bekende komiek die er niet voor terugdeinsde schuine dingen op het toneel te zeggen. Soms was hij niet eens meer dubbelzinnig. De dingen die Nap zei en ook het realisme van Speenhoff brachten een plattelandsburgemeester er toe hun optreden in zijn gemeente te verbieden. |
![]() |
Dit verbod werd door beiden gepersifleerd in de klucht "Zijn Edelachtbare", die honderden opvoeringen beleefde en hen tot de twee populairste en best-betaalde artisten van Nederland maakte. Hun samengaan duurde echter maar kort: de zwierige cabotin Nap de la Mar en de contemplatieve, lichtelijk egocentrische dichterzanger Speenhoff waren van te zeer uiteenlopende naturen dan dat hun compagnonschap blijvend kon zijn. Daarna kwam er een tijd waarin Speenhoff een ongelofelijke veelzijdigheid en productiviteit ten toon spreidde. Avond aan avond stond hij op de planken van kleine variététheaters, hij tekende, hij schilderde en hield exposities van zijn werk, hij was vast medewerker of Redacteur-uitgever van allerhande periodieken en hij organiseerde Klein Toneel-avonden waar de beste jongere tonelisten (Else Mauhs, Mien Duymaer van Twist, Cor van de Lugt Melsert en anderen) de ragfijne woordenspelen vertolkten die in een milde stroom uit zijn pen vloeiden. Bovendien had hij in de jonge Luxemburgse zangeres Caesarina Prinz een voortreffelijke interprête van zijn liedjes gevonden, die een niet minder voortreffelijke en trouwe levensgezellinne bleek en meer dan veertig jaar zijn successen en tegenslagen met hem deelde. Speenhoff was een vernieuwend artiest. Actuele en politieke gebeurtenissen bezong hij met de rake directheid en eenvoud die de grote karikatuurtekenaars beroemd gemaakt heeft. Hij gebruikte de taal die zijn toehoorders zelf in het dagelijks leven bezigden. "Potverdorie: Bil is bil!" zong hij eens, toen hij in een later couplet de schijnheiligheid van de nette Nederlandse conversatie hekelde. Door zijn actuele politieke liedjes behoorde hij tot de eerste cabaretiers van Nederland. Speenhoff profiteerde ook van de toenemende belangstelling voor het variété. De Coolsingel was daarvan het centrum geworden. In 1903 werd hij geëngageerd door de Amsterdamse cabaretier Eduard Jacobs (1868-1914) aan wiens gezelschap een in Antwerpen geboren zangeresje, dochter van een Duitse moeder en een Luxemburgse vader, verbonden was: Alexandrina Cesarina Julia Prinz (1883-1946). Met haar trouwde hij in 1905 en vanaf dat moment gold ‘De heer en mevrouw J.H. Speenhoff-Prinz’, een duo voor het leven en het toneel. In Amsterdam kwam Speenhoff voor het eerst voor een groot publiek optrad in Theater Flora in de Amstelstraat en meteen bekend werd. De verschijning van deze bleke, magere jongeman met zijn roué-gezicht, zijn zonderlinge lange geklede jas, zijn snorretje (!) en zijn valse gitaar, waar hij slechts twee a drie en dan meestal nog de verkeerde akkoorden op aansloeg, temidden van de over-komieke of over-elegante humoristen en duettisten van 1903, sloeg in als een bom. In de tram werden geen kaartjes verkocht voor de Amstelstraat (Flora) maar "naar Speenhoff". Liedjes als ‘Afscheid van 'n marinier’, ‘Brief van een ouwe moeder’ en ‘De schutterij’ (Daar komen de schutters, / Zij loopen zich lam, / De mannetjesputters / Van Rotterdam! etcetera) werden door iedereen gekend en meegezongen, en dat in een tijd waarin geen radio of t.v. bestond. Veel van wat hij schreef was direct op de actualiteit geënt, zodat de mensen 's avonds in het theater het nieuws uit de ochtendkrant bezongen hoorden. Dat was de kracht maar tegelijk de zwakte van een groot deel van zijn werk; zonder de rechtstreekse aanleiding en vooral ook zonder de karakteristieke persoonlijke voordracht - de licht-ontstemde gitaar, het zing-zeggen - bleek het niet meer dan vaardig berijmde anekdoten. Dat neemt niet weg dat een niet onaanzienlijk aantal teksten, zoals bv. de strijdbare ‘Marsch der proleten’ en ‘Stumpers leeft!’, het navrante ‘Waarom...?’, en het geestige ‘Afscheid van het “pension”’, met zijn pendant ‘Oude kennissen’, alle uit Honderd tien krekelzangen (1918), de tand des tijds glansrijk heeft doorstaan. Speenhoff's succes werd echter overvleugeld door vlottere entertainers, jongens met vlotte teksten en melodieën die in het gehoor lagen. Entertainers, die zeiden "en nou allemaal mekaar een arm geven en lekker meedeinen!" Ware Speenhoff toen Speenhoff gebleven zou hij het misschien gered hebben. Maar deze man, die alle vlotheid vreemd was, ging concessies doen, mopjes vertellen in plaats van eigen dingen zeggen en meezingliedjes in elkaar draaien die ver beneden zijn niveau lagen. Het resultaat was averechts: hij verloor zijn greep op de massa. Natuurlijk was hij zó bekend dat er altijd nog voldoende Speenhoff-bewonderaars overbleven om hem een zeker arbeidsterrein te doen behouden maar bij het grote publiek werd hij onherroepelijk door toffere jongens verdrongen. Misschien ook had hij zich uitgeput in veelschrijverij. Want ontegenzeggelijk ontstonden zijn beste liedjes gedurende de eerste jaren van zijn optreden.Toen in de loop der jaren zijn roem begon te tanen, omdat een jongere generatie de fakkel overnam, raakte hij enigszins verbitterd. Later schreef hij maar raak, tot reclameversjes voor de meest-on-waarschijnlijke firma's toe. Hij leefde duur en de machine moest blijven draaien. Zoiets móet zich wreken. Honderden liedjes heeft hij achtergelaten. Misschien behoren vijf en twintig daarvan tot het beste wat aan Nederlandse volks-poëzie gedicht werd. Dat is echter onnoemlijk veel voor één man. Ook het aantal meesterwerken dat Bruant produceerde komt niet boven dit getal uit. Toch heeft het feit, dat hij langzamerhand minder "gevraagd" werd ook een winstpunt opgeleverd. Hij had nu meer tijd voor ander werk en begon in De Groene zijn geschreven portretten te publiceren. Ook daarin toonde hij zich een meester. In een politiek-geladen tijd (jaren 30) schreef hij, die nooit een blad voor zijn mond genomen had, soms dingen die hem later onverdiend de reputatie bezorgd hebben van "fout" te zijn geweest. In het Rotterdamse leven was hij jarenlang een veelbesproken figuur. Zijn gelaat was gesierd met een baard en zijn hoofd getooid door een woeste haardos waaruit de wilde haren maar niet wilden wijken. Er gingen geruchten over bacchanalen, waarbij vergeleken de feesten van Keizer Nero melige Leger des Heils-bijeen-komsten waren, maar die verhalen waren allemaal zwaar overdreven. Goed: er werd eens een inval gedaan in een nachtkroeg aan de Wijde Broedersteeg en onder de aanwezige gasten bevond zich ook Speenhoff, die voor de Rechtbank plechtig getuigde dat hij daar alleen was geweest om stof voor een nieuw liedje op te doen. Het Engelse vergissings-bombardement op het Haagse Bezuidenhout maakte op 3 maart 1945 een abrupt einde aan zijn leven. Maar niet aan zijn poëzie, of zoals Willem Wilmink het in 1980 in zijn ‘Inleiding’ bij de heruitgave van Greshoffs bloemlezing formuleerde: ‘Sommige gedichten van Speenhoff zijn terecht klassiek geworden.’ Gemaakt: 05-01-06 |