4597 |
Variété, minstrelshow, vaudeville, revue en Can-Can |
![]() |
In de Nes waren een aantal verschillende variététheaters. Een variétévoorstelling was een bonte avondvullende show, gevuld met goochelaars, een beetje bloot ballet, komische sketches en politieke conferences en veel populaire muziek. Een variétéprogramma opende met een openingsmars. Daarna volgden nummers met zangers en zangeressen, komieken en danseressen, acrobaten, muzikale clowns, goochelaars, wielrijders, jongleurs, enz. elkaar in een bonte rij op.
Een vast nummer was de zogenaamde "coupletzanger", die met het zingen van actuele liedjes zorgde voor de vrolijke noot. Abraham de Winter die optrad met politieke conferences en komische voordrachten, gold als de eerste Nederlandse variété-komiek en wordt gezien als het grote voorbeeld van de latere cabaretier Wim Kan. Later werden er zowel voor als na de pauze bibberende rolprentjes uit de tijd van de stomme film gedraaid. Meestal was het publiek niet zo veeleisend. Het hoefde allemaal niet zo goed te zijn, als het maar gezellig was. |
Vrouwen die in de variététheaters liedjes zongen, werden "soubrettes" genoemd. Hun liedjes waren tamelijk onschuldig, maar met schalkse gebaartjes en veel belovende knipoogjes werden ze vaak wat dubbelzinnig. Soubrettes droegen vaak jurken bezaaid met tierelantijntjes, frunnikjes hier en frunnikjes daar, wagenwijde hoeden met vrachten veren, handschoenen tot over de ellebogen en dikwijls hielden zij een klein parasolletje of een met linten versierd stokje in de hand. Maar hun belangrijkste attractie vormden echter toch hun in zwart zijden kousen gestoken benen, die sterk afstaken tegen de roze onderrokken. Emilie Culp, die optrad in theater Carré, was de eerste "beschaafde" soubrette, die het niet moest hebben van kokette gebaartjes een gewaagd décolleté. Een andere later zeer beroemd geworden soubrette was Louisette ("de Nederlandse Mistinguette"). Rechts: De Franse soubrette Yvette Colbert begroet het publiek, aquarel van Henri Toulouse Lautrec |
![]() |
In 1847 kwam er voor het eerst uit Amerika een "Minstrelshow" naar ons land. De "minstrelshow" was omstreeks 1820 ontstaan. Blanken schilderden hun gezicht zwart en gaven een indruk van het leven van de leven van de negerslaven op de katoenplantages. Ze werden voorgesteld als blije kinderen, die dansten en zongen en zich volop te goed deden aan watermeloenen. Nog nooit eerder had men in ons land dansers gezien die zulke wilde bewegingen maakten bij het dansen op ritmische muziek. De mensen begrepen toen nog niet waarom die artiesten zich zo vreemd deden. |
Een vaudeville was oorspronkelijk een luchtig blijspelletje over gewone mensen. Een timmerman, een wasmeisje, een marskramer, koopman, een student. Het woord vaudeville zou een verbastering zijn van "voix-de-ville", de stem van de stad. Met deze stad zou dan worden bedoeld: Parijs. Tussendoor werden vrolijke liedjes gezongen, of liever gezegd meer voorgedragen dan gezongen. In de eerste vaudevilles werd alles en iedereen flink op de hak genomen, maar later gingen de scherpe kantjes er steeds meer af. Wat overbleef was een komedie met vrolijke, vaak pikante liedjes die bij het publiek vaak erg aansloegen.
Vaudeville ontleende zijn naam aan Vau-de-Vire, een stad waar in Normandië waar de bewoners bekendheid verwierven met het componeren en uitvoeren van ballades en satirische liedjes. Ten tijde van deze stroming werden de bar en andere aanstootgevende elementen uit het theater verwijderd om het toneel toegankelijker te maken voor ander publiek, onder andere vrouwen. De show zelf bestond uit negen verschillende acts en alles was mogelijk, zolang het maar netjes bleef. In de jaren twintig van de negentiende eeuw werd de aandacht voor de Vaudeville snel minder. De economie van Amerika raakte in het slop en de sterren uit de show vertrokken naar Hollywood om het daar te gaan maken. |
![]() |
Uit het variété- en vaudeville-theater ontstond aan het eind van de 19e eeuw in Parijs de revue.
De revue was feitelijk bijna net zo oud als het theater. De Grieken maakten al theater waarin met muziek en toneel de actualiteit van het dagelijkse leven tegen het licht werd gehouden. Het woord revue werd voor het eerst gebruikt in de 18e eeuw, toen in de Parijse theaters met een knipoog werd teruggekeken op het voorbije jaar. In de 19e eeuw werd de revue een politiek middel waarmee het volk de kans kreeg uiting te geven aan allerhande misnoegen. Ruim honderd jaar geleden was de revue uitgegroeid tot een aantrekkelijk theater zonder al te veel inhoud: een simpel verhaal met zang en dans, waarbij de artiesten in prachtige kostuums weren gehesen, tegen een kleurrijk decor. Later werden de revues steeds vaker afgewisseld met zang- en dansnummers, revuegirls en variétéartiesten. Van een duidelijk "verhaal" was op het laatst geen sprake meer, alhoewel er soms wel een "rode draad" in zat. In 1889 kon het publiek in Nederland voor het eerst met de revue kennismaken: "De Eiffeltoren".
|
Van 1889 tot 1905 werden er in het kleine zaaltje van het Salon des Variétés in de Amstelstraat (bij het Rembrandtplein) verschillende revues opgevoerd en met veel succes. Het was Henri (Hendrik) ter Hall (1866 - 1944) uit Haarlem die het genre volwassen maakte. Hij begon als muzikant bij de Marine, regisseerde amateurtoneelgezelschappen en trad op met komische voordrachten. Zijn debuut als beroeps maakte hij in een gek pak met een rode pruik op. In Amsterdam vergaarde hij faam met zijn improvisaties. Vanaf 1898 legde ter Hall zich toe op de revue en zijn gezelschap groeide uit tot het Eerste Nederlandse Revue Gezelschap dat tot ver in de jaren 1920 toonaangevend zou blijven. Met voor die tijd groots opgezette revues trok hij door het land, samen met sterren als Johan Buziau (1877 - 1958) en Louis Davids (1883 - 1939). Zijn ideeën kwamen uit het buitenland maar zijn stijl hield hij herkenbaar Nederlands. | ![]() |
De revues van Ter Hall dankten hun succes vooral aan een voor-elk-wat-wilsmentaliteit. In tegenstelling tot de Franse revues ging Ter Hall heikele onderwerpen uit de weg en waren pikanterieën uit den boze. Ter Halls eerste revue Naar de tentoonstelling (1898) was nog een bescheiden voorstelling geweest maar vanaf Doe er een deksel op! (1907) bracht hij met een gezelschap van zo'n zeventig personen een avondvullende voorstelling. Twee jaar later trouwde Ter Hall met zijn tweede vrouw Henriette Köhler, een lid van zijn revuegezelschap. Ze betrokken een villa in het Zuid-Hollandse Rijswijk waar ter Hall in 1917 lid van de gemeenteraad werd. In 1918 produceerde Ter Hall de revue Knijpen maar! die diende als ondersteuning voor zijn campagne om Tweede Kamerlid te worden. Uit het theatervak trok hij zich vervolgens langzaamaan terug.
De vroege revues hadden nog een sterk satirisch karakter. De liedjes gingen echter een eigen leven lijden. De muziek en de teksten werden in grote oplagen verkocht. Het meest populair in jaren '90 werden de sentimentele balladen als "Grootvaders klok", "Het hutje bij de zee" of "Weet U moeder wat ik droomde..." Revues werden ook opgevoerd in het varété-theater Flora, dat eveneens gevestigd was in de Amstelstraat. Na Ter Hall werd Louis Bouwmeester de grote revueproducent, eveneens met Buziau en Davids en met Lou Bandy. Voor de kleine rollen had Bouwmeester Willy Walden (1905 - 2003) en Piet Muyselaar (1899 - 1978) in dienst. Toen die op een avond in 1937 voor de AVRO in de radiorevue De Bonte Dinsdagavondtrein een gaatje moesten vullen, grepen ze in wanhoop naar een sketch van Jacques van Tol (1897 - 1969) over twee kletsende dames: Snip & Snap. Het publiek smulde en vroeg om meer. Het kreeg meer veertig jaar lang. Producent René Sleeswijk formeerde al snel een gezelschap rond het duo dat het land n trok als de Snip en Snap Revue. Walden en Muyselaar volgden het klassieke stramien van het domme kleine mannetje dat zijn intelligentere, verstandige grote vriend tot wanhoop brengt. De Snip & Snap Revue leek na de oorlog als enige van het genre te overleven, tot producent Joop van den Ende André van Duin (* 1947) en Frans van Dusschoten (1933 - 2005) als komisch duo lanceerde. Van Duin maakte in 1968 naast Walden en Muyselaar zijn debuut speelde met een enkele blik met de zaal en hij improviseert virtuoos. Walden en Muyselaar traden voor het laatst op in 1972. Van Duin speelde door tot 1992. Toen hij stopte, leek het dat het einde van het genre, Revues waren te duur geworden en de musical had hun rol min of meer overgenomen. De komieken bleven nog wel, zoals Toon Hermans (1916 - 2000) met zijn one-man-shows, gevolgd door een leger andere humoristen van Wim Sonneveld (1917 - 1974), Wim Kan (1911 - 1983), Freek de Jonge tot Youp van 't Hek. Het duo Johnny (John) Kraaijkamp (* 1925) en Rijk de Gooyer (* 1925) richtten zich, evenals Rudy Carell (1934 - 2006) die later in Duitsland een bekende tv-persoonlijkheid werd, Tom Manders (Dorus) (1921 - 1972), de Mounties: Piet Bambergen (1931 - 1996) en René van Vooren (1931 - 1998) op de televisie. |
In Parijs werd omstreeks 1890 de Can-Can, een wilde dans waarbij de rokken enigszins werden opgetild, een enorme rage. Sommige mensen vonden het een obscene dans en bewerkstelligden dat deze dans verboden werd. Eigenaars van nachtclubs die deze dans tóch vertoonden werden voor het gerecht gedaagd.
Rechts: Can-Can danseres, tekening van Henri Toulouse lautrec laatst bijgewerkt: 08-08-07 |
![]() |