4594 |
Theater Carré (1887) |
![]() In de tweede helft van de 19e eeuw was Wilhelm Carré een bekende naam. In 1864 kwam hij voor het eerst met zijn gedresseerde paarden, clowns en de acrobaten in Amsterdam op de kermis. Het circus van Wilhelm en zijn zoon Oscar Carré, was een groot succes. De naam Carré is afkomstig van het Duitse circusgeslacht Carré. Wilhelm Carré behoorde al tot de derde generatie van deze beroemde circusdynastie. In september 1863 vertoonden de Carré’s zich voor het eerst in Nederland. Op de jaarlijkse hoofdstedelijke kermis op het Amstelveld voerden zij hun paardenspel op. Drie jaar later (1866), toen de kermis wegens de cholera-epidemie niet doorging, kreeg Wilhelm Carré toestemming om in de Plantage, een buurt van oudsher een buurt van theehuizen, tapperijen en vanaf de 19e eeuw, theaters. een tijdelijk houten circustheatertje te bouwen, waarin de familie haar kunsten vertonen kon. Dat was de laatste keer dat Wilhelm Carré de Amsterdamse kermis bezocht. In 1873 overleed hij in Graz (Oostenrijk), maar had al enkele jaren eerder de zaak overgedragen aan zijn zoon Oscar. In 1874 mocht Carré een mooier en groter circusgebouw neerzetten op het Frederiksplein, nu met een piste van 14 meter doorsnee, een verwarmde vestibule en fraaie wachtzalen. Vijf jaar later was het op die locatie alweer te benauwd en verhuisde Carré naar de plaats van het voormalige Rasphuis aan de Binnen-Amstel 125. Het circus oogstte veel succes met de paardendressuur van Oscar, de clownsbroers Price en de acrobatenfamilie Nagel. Oscar was al vanaf jeugdige leeftijd beroemd om zijn paardennummers. Zo had hij bijvoorbeeld 14 Trakhener hengsten die allemaal tegelijk konden steigeren. Oscar was een paardenfanaat. Zijn lievelingspaard heette Walzertraum. Aan het eind van de voorstelling verschenen alle artiesten in een gloed van Bengaals vuur. Ook toen de kermis was afgeschaft (1876) bleef Carré in Amsterdam. Hij kocht het terrein waarop de molens van het Rasphuis stonden en zette daar zijn tent neer. In 1887 werd in 8 maanden tijd het gebouw van het "Koninklijk Circus Oscar Carré" geopend. Het zou uitgroeien tot één van de beroemdste theaters in Europa. Al in 1879 had Oscar een identiek circustheater in Keulen gebouwd. Dit theater is afgebroken toen het circus uit de mode raakte en moest wijken voor modernere vormen van amusement, zoals het variété en de revue. Het Amsterdamse theater bleef behouden dankzij het feit dat Oscar in het begin van deze eeuw een toneelvloer liet bouwen tussen de zaal en de stallen. Dit toneel zou later worden gebruikt voor revues en variété's. Het theater had een zaal van 26 meter hoog, 34 meter lang en 37 meter breed. Met de zitplaatsen in een hoefijzervorm rond de piste, bood het circustheater plaats aan 2.000 toeschouwers. Het hele gebouw werd verlicht door gaslampen; hun feeërieke licht scheen in de grote zaal, de twaalf kleedkamers, de drie foyers, het restaurant, de gangen en trappenhuizen, de twee stallen èn in de tien kamers tellende woning van directeur Carré. In de wintermaanden (van november tot mei) gaf Carré zijn circusvoorstellingen in zijn theater in Amsterdam en in de lente en zomer maakte hij een tournee door Europa en kwam het theater tot het einde van de herfst leeg te staan. In 1891 verongelukte in Duitsland de speciale circustrein van Carré, waarbij onder andere zijn vrouw om het leven kwam. Toen een aantal jaren later ook Carrés tweede vrouw overleed, leek het einde van het circus nabij. Om te voorkomen dat zijn geliefde paarden ooit nog een voddenkar zouden moeten trekken, schoot hij ze dood. Door zijn zoon Max kwam Oscar Carré deze inzinking weer te boven. In 1893 echter kreeg het theater ook een zomerbespeler. Oscar Carré verhuurde zijn gebouw aan variété-koning Frits van Haarlem. De piste werd dan uitgeruimd en het toneel werd verhoogd. Er kwam een orkestbak, een toneelgordijn en in de zaal kwamen tafeltjes en stoeltjes te staan. Onder leiding van Frits van Haarlem, die vanaf 1899 de leiding in handen kreeg, werd Carré het Mekka van de variété. Er traden dan de meest bizarre artiesten, zoals de 450 pond wegende krachtpatser Emile Nacke, die allerlei kunsten deed met zware stukken staal. Tot zijn Specialiteiten Gezelschap behoorden verder onder meer acrobaten, koorddansers, een evenwichtskunstenares op een bal, een Amerikaanse hondendresseur en danseressen, alsmede een komiek die het geheel aan elkaar praatte. Behalve Van Haarlem (die het tot 1915 als vaste klant in Carré heeft volgehouden) traden er in de zomerseizoenen ook andere variétégezelschappen op. Langzaam aan veranderde het gebouw van Oscar Carré op die manier van een circus- in een variété-theater. In de jaren negentig van de 19de eeuw kwamen er ook nog toneel en operette bij als vormen van amusement. De familie Carré en hun circusartiesten traden steeds minder op; er braken jaren aan waarin ze zelfs helemaal niet te zien waren in hun eigen theater. Tot aan de jaren dertig was het vooral Henri ter Hall die Carré gedurende een reeks maanden per jaar tot een revuetheater maakte. Hij lanceerde ook allerlei talent dat zich later tot grote sterren ontwikkelde, zoals Louis Davids, Henriette Köhler, de komiek Johan Buziau met zijn komische act als professor Ri-ki-ri en de eerste "beschaafde" soubrette Emilie Culp, die het niet moest hebben van kokette gebaartjes een gewaagd décolleté en de later zeer beroemd geworden soubrette Louisette ("de Nederlandse Mistinguette"). Ook revues werden er opgevoerd. Een andere trouwe revuebespeler van Carré was het gezelschap van Nap de la Mar. Johan Buziau (1877 - 1958) was een clownesk kunstenaar van de eerste rang, die uitmuntte in typeringen, travesties en parodieën en ongetwijfeld de grootste Nederlandse figuur in het clowneske genre Buziau werd geboren in een muzikantenfamilie. Van jongs af aan wilde hij theaterartiest worden. Al op zeventienjarige leeftijd werd hij full-time artiest. Hij bracht clowneske nummers waarvan zijn creatie Professor Rikiri de beroemdste werd. Het leidde tot een internationale carrière. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beperkte hij zich noodgedwongen tot Nederland, waar hij vanaf 1914 de publiekstrekker voor het Eerste Nederlandse Revue Gezelschap van Henri ter Hall werd. Van 1928 tot 1942 vervulde hij dezelfde rol voor de Sleeswijkrevue. Buziau was in de periode tussen de beide wereldoorlogen onbetwist Nederlands populairste komiek. Filmbeelden zijn nooit van hem gemaakt omdat hij bang was dat het publiek anders niet meer op zijn theateroptredens af zou komen. In de jaren twintig verdween de naam van Oscar Carré van de gevel; het theater heette voortaan Circus Carré. Dit ondanks het feit dat het circusvermaak zo goed als verdwenen was uit de programmering van het theater. Geleidelijk aan verdween echter ook het elan uit Carré; het ging zo slecht met de exploitatie dat de familie Carré van haar verlieslijdende bezit in Amsterdam af wilde. In 1920 nam een groep theatermensen het gebouw over en werd de naam opnieuw veranderd, nu in Theater Carré. De dirigent en componist Max Gabriël werd er directeur. Hij liet een deel van de stallen verbouwen tot kleedkamers en verbeterde de akoestiek van de theaterzaal. Reeds na één jaar echter vertrok Gabriël weer omdat hij, al zijn inspanningen ten spijt, geen nieuw leven in Carré had kunnen brengen. De Hagenaar Boekholt was de volgende directeur; hij had in de Residentie het Scalatheater tot bloei gebracht en probeerde het nu in de hoofdstad. Carré moest weer een variététheater worden, vond Boekholt. Die opzet mislukte echter en al snel moest het gebouw weer voor andere vormen van volksvermaak worden verhuurd. Bij de pogingen om het kwakkelende theater Carré van de jaren twintig toch maar een beetje publiek te bezorgen hoorden zelfs filmvoorstellingen. Maar ook toneelgezelschappen trokken langs, onder meer van Herman Heijermans, Louis Bouwmeester en Herman en Aaf Bouber. Alle veranderingen – én geslaagde nieuwe voorstellingen – ten spijt bleef Carré verlies lijden. Begin 1928 was er een schuldenlast van 800.000 gulden. Alex Wunnink van het Paleis van Volksvlijt werd te hulp geroepen. Hij wist een faillissement te voorkomen en vond nieuwe aandeelhouders en een raad van beheer die hem vervolgens tot directeur van Carré benoemde. Met Alex Wunnink ging er een frisse wind waaien door Carré en kwam er ook continuïteit: de ene voorstelling volgde de andere op en er kwamen vooral steeds meer operette in Carré. Mede daardoor kon er 1931 voor het eerst sinds dertig jaar winst worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. laatst bijgewerkt: 02-01-06 |