5490

De Amsterdamse kermis

Amsterdam in de 19e eeuw; Het kermisoproer (1875)
Al sinds 1306 betond er al een traditie om in de stad een vrijmarkt te houden. Het woord vrijmarkt had toen echter een andere betekenis dan nu. 

Mensen die anders bij het betreden van de stad het risico liepen in de kraag te worden gegrepen, zoals kwakzalvers en zij die wegens lichte vergrijpen gezocht werden, konden veilig de vrijmarkt bezoeken. 
De vrijmarkt groeide later uit tot jaarmarkt.

Rechts: Kermis op de Amsterdamse Nieuwmarkt in 1866, door
R. Craeyvanger. (GA Amsterdam)

De ambachtsman verkocht zijn producten rechtstreeks aan de consument. De melkboerinnen liepen met hun emmers langs de huizen en de tuinders voeren met schuitjes de stad binnen. Winkels waren er niet veel. De jaarmarkt bood echter de gelegenheid om al die dingen te kopen die niet aan huis werden aangeboden, stoffen, huisraad, schilderijen of kinderspeelgoed. De "lapduyvels" stonden er met kramen met oude en nieuwe kleren, tuinlieden verkochten er geneeskrachtige kruiden en verder stonden er eindeloze rijen kramen met allerlei waren, zoals aardewerk en zuivelproducten. Behalve marktkramen waar de mensen allerlei zijn konden kopen, was er ook allerlei vermaak, zoals een paardenspul, koorddansers, marionetten, vreemde beesten, muziek en toneel. In de theaters was er tijdens de kermisweken een aangepast programma voor iedereen. 
Eens per jaar, in de maand september, was het kermis op de Botermarkt.
Voor veel Amsterdammers was dat het hoogtepunt van het jaar. Iedereen keek uit naar dit jaarlijkse feest. Zowel de rijken, die een verzetje op z'n tijd best leuk vonden, als de armen, die met de kermisfooi in de hand, de armoede en ellende tijdelijk konden vergeten. Iedereen had daar ook geld voor. De meiden en knechten kregen een kermisfooi. Anderen hadden net hun jaarloon ontvangen en zo was niemand platzak en iedereen was vrij. 
Ook de kinderen kregen dan vrij van school. Als het even kon, maakten vader en moeder zich los van hun dagelijkse beslommeringen om met de kinderen naar de kermis te gaan. Ma met haar luifelhoed en gekleed in een lange hoepelrok en pa met hoge hoed en geklede rok. "Komt dat zien, komt dat zien" hoorde je overal. 

De mensen kwamen vroeger zelden of nooit buiten de stad. Ze lazen niet en zagen zelden plaatjes of afbeeldingen van verre steden en streken en wisten niets wat daar omging. De kermis bracht die buitenwereld binnen bereik, door zangers die erover zongen, door de afbeeldingen die er te zien waren en door het vertonen van uitheemse voorwerpen, dieren en mensen. 

Gretig lieten de mensen zich binnenloodsen in het tentje met de dikke dame en het doorgezaagde weesmeisje. Kermiskoning Blanus was er met onvergelijkbare paardenspul en zijn collega's boden "nooitgeziene natuurwonderen" met wilden, dwergen, reuzen, mensen met bochels, krachtpatsers, jongleurs, springers en vliegers. 

Het was gewoon een sensatie om leeuwen, olifanten, apen, struisvogels de stad te zien binnen komen. De menagerieën op de kermis werden zeer aanbevolen door onderwijzers en ouders om zo hun kinderen aanschouwelijk les te geven in de natuurlijke historie. 
Er waren ook dieren te zien die allerlei kunstjes hadden geleerd, zoals een sprekend paard, een schietende haas, een hondje dat kon rekenen of dieren die mismaakt waren (zoals een opgezet kalf met twee koppen of een paard met drie benen dat nog steeds liep). 

Niet één kermisexploitant ging ooit zelf op safari. Meestal kocht hij of kreeg hij de beesten uit particuliere menagerieën, bijv. van het koninklijk huis. De twee grootste Nederlandse kermismenagerieën, van de heren Martin en Van Aken, hielden respectievelijk in 1831 en 1839 op te bestaan. Henri Martin wordt de eerste directeur van Diergaarde Blijdorp in Rotterdam. Cornelis van Aken verkocht voor 34.000 gulden zijn menagerie aan Artis in Amsterdam. Hij werd zelf opzichter. De enige kermisdieren die nog lange tijd op de kermissen te zien waren, waren de vlooien in de vlooientheaters. 

Men amuseerde zich graag met attracties die wij nu heel afstotend zouden vinden, zoals het voederen van slangen met levende konijnen of het vertonen van mensen met allerlei misvormingen, zoals Jojo de poedelmens, (zijn lichaam was helemaal bedekt met krullerig zwart haar) of Lionel de leeuwmens (die over zijn gehele lijf begroeid is met blonde lokken). Ook mensen die er voor de mensen ongewoon uitzagen trokken veel bekijks, zoals negers in de "Afrika"-tent met "een heuse wildenshow". In andere tentjes vond men schitterende panorama's en diorama's vol wonderbaarlijke vergezichten op enorme veldslagen met rook en vuur, en dan waren er ook nog de "chambres obscures" (donkere kamers), waarin door de toverlantaarn een fantastisch spel met licht- en schaduwbeelden bedreven werd. In heel deze bonte heksenketel waren er natuurlijk ook de kwakzalvers en horoscooptrekkers, goochelaars en kaartleggers, tandentrekkers en buiksprekers.

Beurstrommelen

Totdat in 1903 de nieuwe Beurs van Berlage geopend werd, mochten kinderen eens per jaar spelen op de beurs. In september, tijdens de Amsterdamse kermis, trokken zij verkleed als soldaten door de stad naar de Beurs en maakten met trommels en trompetten een oorverdovend lawaai. Het beurstrommelen zou ontstaan zijn in 1621. De Spanjaarden wilden toen Amsterdam innemen. Een jongen speelde stiekem in de over het Rokin gelegen Beurs. Toen zijn bal door een gat in het water rolde, ontdekte de jongen een schuit vol buskruit onder de Beurs. Hij meldde dit bij het stadsbestuur en als beloning mochten de Amsterdamse kinderen eens per jaar op de Beurs spelen.

Rechts: Beurstrommelen, Cornelis Troost.

Cornelis Troost was de bekendste Nederlandse schilder van de 18de eeuw. Hij verdiende eerst zijn geld als toneelspeler en decorontwerper in de Amsterdamse schouwburg aan de Keizersgracht. Daarna legde hij zich toe op de schilderkunst. Hij schilderde portretten van welgestelde burgers en familieportretten, maar ook veel toneelscènes uit blijspelen uit de tijd dat hij zelf nog acteur was.

Het beurstrommelen is in de loop der eeuwen een paar keer verboden geweest. Toen het stadsbestuur het in 1850 verbood, lieten de kinderen van Amsterdam dat niet op zich zitten. Ze dienden een verzoek op rijm in. Daarna werd het weer toegestaan.
In september was het 3 weken lang kermis in Amsterdam. Iedereen trok dan de straten op. De meesten hadden ervoor gespaard en veel werkgevers verstrekten zelfs een speciale ‘kermisfooi’. Overal stonden tenten, kramen en stalletjes. Het centrum van de kermis was de Botermarkt, tegenwoordig het Rembrandtplein. Tussen 1609 en 1611 werd op een speciaal daarvoor gedempt stuk van het Rokin de eerste Beurs gebouwd naar ontwerp van Hendrik de Keyser. Het gebouw stond gedeeltelijk boven het water. De Beurs bestond uit een rechthoekige binnenplaats met daaromheen een zuilengalerij waar zich de handelsactiviteiten afspeelden.

laatst bijgewerkt: 05-08-02