4436

Veenarbeiders (turfstekers)

Leven op het platteland
Boven: J.W. van Borselen (1825 - 1892)

Al eeuwenlang was veen tot turf versneden en als brandstof gebruikt. Vanaf de 16e eeuw zelfs op zo'n grotere schaal, dat de veengebieden in Groningen, Friesland, Overijssel en andere delen van Drenthe waren uitgeput. In de loop van de19e eeuw nam de vraag naar brandstof nog meer toe. 

Het zuidoosten van Drenthe, dat omstreeks 1850 nog volkomen ongerept was, bezat nog uitgestrekte onontgonnen veengebieden. Na 1850 trokken grote groepen werkelozen uit Friesland, Groningen, Overijssel, Zeeland en zelfs uit Duitsland naar deze gebieden om daar turf te steken. Turf was het bruine goud. Gedroogd turf was een uitstekende brandstof en dus veel geld waard. Maar hoewel de turf duur werd verkocht, bleven de arbeiders straatarm.  
Sommigen leefden hun leven lang in een plaggenhut. Vaak woonden hele gezinnen van 6 tot 9 personen in een ruimte van 4 bij 6 – 8 meter. Niet zelden moest ook de geit of het schaap er verblijven. De hutten werden in groepen bijeen gebouwd. Dat was gezelliger en veiliger. De kookgelegenheid, het toilet en de waterput werden gezamenlijk gebruikt.  

Het leven in het veen was onmenselijk. Het voedsel was slecht en het werk was zwaar. De hutten van deze veenarbeiders werden gemaakt uit hout, stro en plaggen. Bij slecht weer was er geen droge plek te vinden in deze plaggenhutjes. De kindersterfte was in die tijd dan ook zeer hoog. Om het leed iets te verzachten, werd er zeer veel alcohol gedronken.

Veen: Zo’n 13.000 jaar geleden begon de vorming van het veen. Het ontstaat in een drassige omgeving, waar de resten van planten niet totaal verteren. De planten verteren niet omdat er onder water geen lucht bij komt. Laag op laag groeit zo een veengebied. Na een tijd zijn de lagen zo zwaar dat er onder in een vaste ‘koek’ ontstaat. Dat noem je turf. Als je deze koek in stukjes snijdt of steekt krijg je turfblokken die je na drogen kunt branden. In Drenthe waren de veenlagen gemiddeld zo’n vier meter dik. Op veel plaatsen waarvan de naam nu eindigt op veen was vroeger ook echt veen te vinden. Hoogeveen, Witteveen, Vriezenveen, Weiteveen en Klazinaveen zijn hiervan voorbeelden.  

In 1849 werken er in Drenthe slechts 100 veenarbeiders, maar dit aantal nam snel toe en tijdens het hoogtepunt in 1920 werkten er in Zuidoost Drenthe maar liefst 13.000 veenarbeiders. 

Het werk was zwaar. Het zwaarste werk was wel het graven van afwateringsgeulen. Veen is drassig. De gegraven geulen zorgden voor de afwatering en dienden later als transportweg voor de schepen. Na het afwateren werd het turf door de mannen gestoken in handzame blokken en vervolgens door de vrouwen en kinderen op kruiwagens geladen. Zij legden de turf te drogen. Daarna kon het naar de handelaar om verkocht te worden.

De veenarbeiders waren dagloners, mensen die voor een bedragje per dag (in 1853 was dat ongeveer 50 cent) werk verrichten. Turf steken gebeurde van de eerste vorstvrije dag tot aan de langste dag. De maanden juli tot en met oktober werd gebruikt om de turf te drogen. Slecht gedroogd turf brandt slecht. Als in november de voorraad gedroogd turf was verscheept, viel het werk stil. Het hoofd van het gezin ging vaak naar Duitsland om aan bijvoorbeeld spoorlijnen te werken. De kinderen gingen voor een kwartje per kruiwagen op de heide stenen zoeken, die werden gebruikt om de wegen in de dorpen te verharden. Zonder werk had je geen geld. De veenbazen waren best bereid op de pof goederen te leveren maar vaak tegen woekerprijzen. 

Mannen werkten 16 uur per dag, vrouwen en kinderen korter. Het hele gezin werkte mee. Een gezin met een gezonde vader en een aantal sterke zonen verdiende genoeg om goed te leven. Was de vader zwak van gezondheid en had het gezin alleen dochters dan was men arm. Geld of kleding voor school was er vaak niet. De honger en de armoede werden vaak weggedronken. Het alcoholgebruik (illegaal gestookte Jenevers) was hoog. Prostitutie en stropen was soms nodig voor wat extra geld. Als het erg koud was kroop men bij elkaar in de beste hut en werden er spannende verhalen verteld.

De mensen waren arm en het leven in zo’n rokerige, vochtige en koude hut was natuurlijk niet alles, maar daar tegenover stond dat het werken in de buitenlucht beter was dan het leven in de grote, drukke, vieze stad, het wonen in een kleine vochtige kelder en het werken in een smerige stinkende fabriek. De stedelingen beschikten niet over een eigen groentetuintje of een geit. Een konijn stropen of vissen vangen voor de maaltijd was er niet bij. 

Na 1920 was de rol van turf als brandstof ten einde. Olie, gas en kolen werden nu de belangrijkste brandstoffen. De veenarbeiders raakten werkeloos en trokken naar de stad om ander werk te zoeken. Bij Philips in Eindhoven, de Enka in Ede en de mijnen in Zuid-Limburg  vonden velen een nieuwe baan. Tussen 1924 en 1934 vertrokken uit Drenthe ruim 10.000 mensen. Voor de mensen die achterbleven werd geleidelijk aan een stenen huis gebouwd. Toch zou het nog tot juli 1992 duren voordat de laatste turven werden gestoken in het Drenthse Weiteveen. Deze turf werd verwerkt tot actieve koolstof dat werd gebruikt bij het maken van suiker en het zuiveren van water.  

Gemaakt: 21-03-03; laatst bijgewerkt: 19-02-06