8160

Steden in de Republiek (1600-1700)

Steden in de Middeleeuwen

Klik hier voor het frame van de pagina

In de 16e en 17e eeuw breidden veel van onze steden zich enorm uit, vooral in Holland. In dat gewest lagen kort na 1500 al de meeste steden van ons land. In 1525 was de lakenstad Leiden de grootste Hollandse stad. Het was de derde stad van ons land. Utrecht en 's Hertogenbosch waren groter. 

1525  1672 
1. Utrecht (30.000) 
2. 's Hertogenbosch (18.000) 
3. Leiden (15.000)
1. Amsterdam (200.000) 
2. Leiden
3. Rotterdam (45.000)
Tussen 1525 en 1672 nam het aantal stadsbewoners snel toe. Dat kwam vooral doordat veel protestantse vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Duitsland zich in Noordnederlandse steden vestigden. Oude plaatsen als Delft en Dordrecht groeiden minder snel dan steden die veel vluchtelingen opnamen, zoals de industriesteden Haarlem en Leiden. De zeehandel van Dordrecht was in de loop van de 16e eeuw sterk teruggelopen. Het werd een binnenhaven. Andere zeehavens, waaronder Amsterdam, groeiden in die tijd juist heel snel. In het begin van de 17e eeuw zelfs stormachtig. Dat kwam door de toenemende handel, industrie en scheepvaart. 

De steden zagen het omringende platteland als wingewest. Holland had een "order op de buitennering". Hierin stond dat buiten de stad weverijen, leerlooierijen, metselarijen, timmerijen en andere ambachten of neringen verboden waren, die men in de stad kon doen. Buiten de stad was de verkoop van koren verboden. De boeren moesten het graan naar de stedelijke markt brengen. Op die manier werden ze gelijk verplicht om inkopen te doen, want ozut, stroop, rozijnen en kaarsen mochten op het platteland niet verkocht worden. 

Amsterdam, Leiden en Haarlem groeiden snel, vooral nadat de Spanjaarden de stad Antwerpen hadden veroverd. In dat jaar woonden er in de stad 30.000 mensen. In 1622 had Amsterdam al 100.000 inwoners. 50 jaar later (1672) was de bevolking gegroeid tot 200.000. Daarmee werd Amsterdam de grootste stad ons land en één van de grootste steden van Europa. Leiden was toen de tweede stad. Rotterdam, in 1500 nog maar een klein vissersplaatsje, werd in dat jaar met 45.000 inwoners de derde stad van ons land. Middelburg, Hoorn en Enkhuizen hadden toen ook meer inwoners dan in de tijd van Karel V.  De oude handelssteden aan de IJssel, zoals Deventer en Kampen, groeiden bijna niet, doordat de handel zich verplaatste naar Holland en Zeeland. Ook Utrecht, eens de grootste stad van de Noordelijke Nederlanden, en de steden 's Hertogenbosch en Maastricht gingen na 1585 achteruit in inwonersaantal. De laatste twee steden dreven voornamelijk handel met Antwerpen en die handel had zich na de afsluiting van de Westerschelde verplaatst naar Holland. 's Hertogenbosch had in 1672 bijna de helft minder inwoners dan in 1525 (9000). 

De meeste plattegronden van steden in de 16de en 17de eeuw laten nauwe straten en stegen zien waar de huizen dicht opeengepakt staan. Om te voorkomen dat er te veel in het wild zou worden gebouwd en verbouwd, stelde het stadsbestuur keuren (regels) op voor het onderhoud en de keuze van bouwmaterialen, maar ook voor bijvoorbeeld iets specifieks als de breedte die luifels mochten hebben. De regels van het stadsbestuur gingen in sommige gevallen dan wel ver, maar lieten nog altijd ruimte aan de rijkere stadsbewoners hun huizen van allerlei uiterlijkheden te voorzien. Daarbij speelde de ruimte vóór het huis een belangrijke rol. Brede stoepen met stoeppalen en kettingen maakten duidelijk wie er woonde: hoe groter, hoe voornamer. Dat gold uiteraard ook voor de huizen zelf: het aantal ramen en kamers bepaalden de status van de bewoners. 
Aangezien huisnummers in de Gouden Eeuw nog niet bestonden, verfraaiden daarbij ook andere uiterlijke kenmerken de gevels. Zo gaven de bewoners met uithangborden en gevelstenen het huis een naam. Een koopman woonde bijvoorbeeld ‘In den Swaen’, was eigenaar van het ‘Appelboompje’ of van de ‘Twee vergulde bijlen’. Rijke stadsbewoners ontvluchtten bovendien aan het begin van de zomer vaak hun huizen in de stinkende stad, die in feite één open riool was. Zij trokken zich met gezin en bedienden terug in riante buitenhuizen. Vooral locaties langs de Amstel, de Vecht en de Oude Rijn waren erg in trek.

Het was moeilijk om in de stad de weg te vinden, want straatnaambordjes bestonden niet en huisnummers evenmin. Wél bezaten de meeste winkels uithangborden en hadden veel huizen een fraaie gevelsteen. Het huis heette dan naar de afbeelding op deze gevelsteen, bijvoorbeeld "In den gulden rose" of "In den uyl". Er was bepaald dat een woning zo'n gevelsteen altijd moest behouden, anders kon er op den duur niemand meer uit wijs worden. 

laatst bijgewerkt: 19-07-01

colofon