8113 |
Handel in de 17e eeuw |
![]() |
De Nederlanders waren de vrachtvaarders van Europa. Als een koopman kans zag onderweg op zijn reis andere dingen te kopen of te verkopen, liet hij die niet aan zijn neus voorbijgaan. De pakhuizen in Amsterdam en andere steden werden volgestapeld met graan, wijn, huiden, zout, wol en nog veel meer producten. Er waren handige ambachtslieden die al die waren kochten en er dan iets van maakten dat ze weer verkochten. Van de wol werden sterke stoffen geweven die voor veel geld werden verhandeld. Van het graan werd bier gebrouwen en van ijzer en koper werden allerlei voorwerpen gemaakt. "Voor het eerst in de geschiedenis was er spraken van een echte, algemene wereldmarkt. De vroegere marktcentra waren alleen van regionale betekenis geweest. Venetië, Genua, Lissabon, Sevilla, Lyon, Brugge, Neurenberg, Lübeck, Antwerpen hadden zich tevoren vooral toegelegd op de handel in luxe goederen. De Noordelijke Nederlanden waren nieuw en uniek door de handel en vrachtvaart in massagoederen als specerijen, textielwaren en suiker. Al in de 15e en 16e eeuw was in Holland de handel in massagoederen tot volle wasdom gekomen, maar het zou verkeerd zijn om daarin nu ook meteen de oorsprong van de Hollandse wereldmarkt te zien. |
![]() |
![]() |
De Hollandse wereldmarkt kwam plotsklaps en onverhoeds uit de hemel vallen: na de val van Antwerpen in 1585 toen kapitaalkrachtige kooplieden uitweken naar het noorden om er met hun goede relaties en kennis van zaken de handel in hoogwaardige producten te brengen. Dat gebeurde met krachtige steun van de Nederlandse overheid, zonder welke de hele zaak nooit zijn beslag zou hebben gekregen." (Dutch Primacy in World Trade, 1595-1740 / Jonathan I. Israel. - 1989) |
![]() |
In de periode 1625-1675 was de Republiek een toonaangevende wereldmacht dankzij haar leidende en centrale positie in de toenmalige wereldeconomie. Op het gebied van visserij, landbouw, veeteelt en nijverheid (textiel en scheepsbouw) waren de Nederlanden door hun goedkope en efficiënte werkwijzen alle concurrenten een stap voor. Op grond daarvan werd de Republiek ook verreweg de belangrijkste handelsnatie. Door staatslieden en kooplui uit landen als Engeland en Frankrijk werd die macht en rijkdom van de Republiek met lede ogen aangezien. |
Maar in de eerste helft van de 17e eeuw moest die naijver bij woorden blijven, want Engeland noch Frankrijk waren economisch en militair in staat de positie van de Republiek werkelijk te bedreigen. Bij de enorme economische bloei heeft de Republiek ook duidelijk voordeel getrokken uit de binnenlandse woelingen in Engeland, Frankrijk en het Habsburgse Rijk (Dertigjarige Oorlog). Vooral door de problemen in de grote Noordzeelanden kon de Republiek ten volle profijttrekken van de nieuwe economische kansen die de opkomende oceaanhandel bood. Het waren echter in feite alleen Holland en in minder mate ook Zeeland en Friesland die hiervan de vruchten plukten. Ten oosten van de lijn Groningen - Middelburg was het patroon niet zo heel veel gunstiger dan in de omringende landen. De jaren rond het vredesjaar 1648 waren waren in veel opzichten een hoogtepunt. Het bevolkingsaantal bereikte een top van 1,9 miljoen (evenveel als een halve eeuw later) en in de landbouw, in de investeringen grondwinning en kanalenaanleg, in de meeste sectoren van de nijverheid, in de haringvisserij en in de zeehandel werd het later nooit meer zoals het was in die gouden jaren. Daarna ging de vaart eruit: de eenzijdige nadruk op de commercie maakte de Nederlandse economie kwetsbaar voor de gevolgen van de stagnatie in de bevolkingsgroei en vooral voor de onweerstaanbare opkomst van Engeland en Frankrijk. Dat veranderde rond 1650 toen de politieke situatie in die landen stabieler werd. Aan de dominerende positie van de Republiek kwam in de jaren na de derde Engelse zeeoorlog (1672-1674) een einde. Niet omdat het zoveel slechter met de handel en nijverheid ging, maar omdat Engeland en Frankrijk door hun groter potentieel aan nationale rijkdommen en mankracht de Republiek economisch en militair overvleugelden. Jonathan Israel stelt echter dat het na het Rampjaar 1672 een nu niet langer goed ging met de "moedernegotie" (handel in massagoederen), maar dat het verlies werd overtroffen door de winst op de handel met Spanje, het Middellandse Zeegebied, West-Indië en Azië. Toch kondigde de achteruitgang zich aan. Dat gebeurde vooral doordat buitenlandse handelspolitieke maatregelen afbreuk gingen doen aan de Nederlandse hegemonie. Vooral tengevolge van politieke factoren en omstandigheden, aldus Israel, zag de Hollandse markt zich tijdens de eerste helft van de 18e eeuw teruggeschroefd naar de plaats die deze vóór de val van Antwerpen had ingenomen. De markt fungeerde alleen nog maar als passief opslag- en doorvoercentrum, zonder actief in te grijpen in de distributie van de goederenstroom. In 1740 was het met de handelshegemonie gedaan. Daarna volgde verval en achteruitgang. laatst bijgewerkt: 18-07-01 |