8116

Visserij (1600-1900)

Visserij; Walvisvaart; Republiek der Verenigde Nederlanden (1600 - 1702)
In het begin van de 17e eeuw bereikte de Hollandse haringvisserij haar hoogtepunt. Enkhuizen en Rotterdam waren toen de belangrijkste haringhavens. De vis werd geëxporteerd naar de Oostzeelanden, naar de landen rond de Middellandse Zee en over de Rijn naar Duitsland. Deze export werd een van de belangrijkste pijlers onder de economie van de Republiek. 

Links: Terugkeer van de Vissersvloot (1895), geschilderd door Hendrik Willem Mesdag (1831 - 1915)

Er ging meer kapitaal om in de haring dan in de overzeese handel en er werkten evenveel mannen op de haringschepen als op de handelsvloot. In de grotere havensteden bood de haringvisserij veel werkgelegenheid aan handwerkers en middenstanders. Heel anders was het in de armzalige vissersdorpen in de duinen langs de kust, zoals Scheveningen, Zandvoort en Egmond, waar op veel kleinere schaal op haring werd gevist. Een haven hadden deze dorpen niet. De boten werden hier op het strand op- en afgetrokken. De vis werd direct op het strand verkocht.

Rond 1700 kwam driekwart van alle haring op de Europese markt nog uit de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daarna ging het bergafwaarts, vooral door de opeenvolgende oorlogen met Engeland en Frankrijk in de 18e eeuw. In 1850 hadden Noorwegen en Schotland elk bijna de helft van de totale haringmarkt in handen. Toch konden Vlaardingen en Maassluis zich nog redelijk handhaven doordat ze een monopolie op het haringkaken wisten te veroveren. In de 18e eeuw ontstond daar de traditie van de vlaggetjesdag. Tegen half juni lagen de haringbuizen versierd in de haven. Na de Buizenbiddag voeren de schepen op Buisjesdag uit naar de Doggersbank en verder naar het noorden, waar een "jager" de eerste vangst van een vissersschip aan boord bracht om zich vervolgens met de tonnen vis naar de thuishaven te varen. Per sjees werd de haring dan naar het paleis van de stadhouder gebracht.

In de tweede helft van de 19e eeuw verloren Vlaardingen en Maassluis hun monopolie op het haringkaken, waarna andere plaatsen hun bedrijvigheid konden uitbreiden.

Rechts: Vissersbommen op de kust, Hendrik Willem Mesdag (1831 - 1915)

Technologische vernieuwingen, zoals stoom- en dieselmotoren en het gebruik van staal voor het bouwen van de haringschepen leidde tot grotere en betere schepen. Er kwam weer groei in de haringvisserij. Scheveningen en IJmuiden kregen eigen havens. De Katwijkers bleven vanuit andere havens opereren. Ook het oude vissersdorp Urk wierp zich op de haringvangst. Na de Tweede Wereldoorlog behoorde Nederland weer tot de grote haringnaties.

In 1977 kwam daarin echter  verandering. Wegens overbevissing werd de haringvisserij een aantal jaren gesloten. Begin jaren tachtig werd deze heropend. Alleen vissen de Nederlanders weinig meer op maatjes, dwz. haringen die tussen ongeveer half mei en half juni zijn gevangen. Zij hebben door het eten van plankton in het voorjaar een vetgehalte en fijne smaak. Hollandse Nieuwe is maatjesharing, die op een speciale manier wordt gekaakt, waarbij de kieuwen en de meeste ingewanden worden verwijderd, terwijl enkele organen blijven zitten voor de juiste smaak. De Hollandse Nieuwe is echter alleen geliefd in Nederland, Duitsland en een deel van België en maakt nu slechts 15% deel uit van de totale Nederlandse haringvangst. De meeste maatjesharing komt nu uit Denemarken (Hirtshals en Skagen) en Noorwegen (Egersund), waar deze ter plaatse machinaal wordt gekaakt en door Nederlandse handelaren wordt opgekocht voor de verkoop als " Hollandse Nieuwe". 

Links: de Thuiskomst, schilderij van B.J. Blommers (1845 - 1914)

Bronnen:

Hollandse haring bij de vleet / Hans Schoots; in: De Volkskrant/Historisch Nieuwsblad, 9-10-2010

Laatst bijgewerkt: 26-10-10

colofon