7351

Amsterdam (1500-1600)

In de vijftiende en zestiende eeuw kwam een ontwikkeling op gang naar een grotere staatkundige eenheid. Het jonge Amsterdam zag het belang hiervan voor de groeiende handel en steunde de tendens. In de loop van de vijftiende eeuw ging Amsterdam deel uitmaken van het uitgestrekte rijk van Philips de Goede van Bourgondië. Deze streefde ernaar de middeleeuwse vorstendommen bijeen te voegen maar stuitte daarbij in Holland op tegenstand van Jacoba van Beieren. Aanhangers van beide machthebbers bestreden elkaar. De Amsterdammers stonden aan de kant van Philips de Goede en zijn opvolgers. 

Kort na 1500 was Amsterdam al de grootste stad van Holland. Het aantal inwoners omstreeks 1550 wordt op 30.000 geschat.  Vanaf omstreeks 1500 nam de handel van Amsterdam toe. Amsterdam lag ideaal tussen Noord-Europa en Zuid-Europa en midden tussen Engeland en Duitsland. Graan, hout, stokvis en huiden kwamen uit Scandinavië en Rusland naar Amsterdam. Uit Zuid-Europa vertrokken schepen met zout, wijn, zuidvruchten en specerijen voor Noord-Europa. 

Het Paalhuis aan de noordzijde van de Nieuwe Brug aan wat toen nog het Open Havenfront was, nu de Prins Hendrikkade, was een belastingkantoor en de facto het eerste postkantoor van Amsterdam. Het gebouw werd in 1560 in Hollandse renaissance-stijl gebouwd en lag half in het IJ, zodat schippers hier gemakkelijk het verschuldigde paalgeld konden betalen. Ook konden schippers hier brieven voor kooplieden achterlaten. In het begin was dit nauwelijks gereguleerd, zodat het regelmatig voorkwam dat brieven te laat of helemaal niet bezorgd werden. Op 31 januari 1598 kwam hier verandering in. Vanaf die datum waren alle schippers verplicht hun brieven aan het Paalhuis af te geven, waarna de inwonende Paalknecht deze registreerde en de geadresseerde deze tegen betaling van 1,5 stuiver kon ophalen. De Paalknecht moest de ontvangen 1,5 stuiver vervolgens weer afstaan aan de betrokken schipper. Het Paalhuis werd midden 17e eeuw afgebroken bij de aanleg van een schutsluis tussen het IJ en het Damrak.

Links: het Paalhuis, Jan Abrahamsz. van Beerstraten. Het Paalhuis. 1640-1666. Amsterdam, Rijksmuseum Amsterdam.

De reis werd niet in één keer gedaan. In Amsterdam werden de goederen opgeslagen bewerkt. Uit Amsterdam werden bovendien veel Nederlandse goederen als boter, kaas en vooral haring naar het buitenland verscheept. Door de handel op Indië, vanaf 1594, werd Amsterdam steeds rijker en machtiger. Door de economische bloei groeide Amsterdam uit tot de grootste stad van Holland. Het aantal inwoners bedroeg ongeveer dertigduizend. Door kaarten uit de zestiende eeuw kunnen we ons een beeld vormen van de stad. Het IJ was nog een zeearm, met daarin een haven die in verbinding stond met het Damrak. De zeeschepen konden de stad binnenvaren tot de huidige Dam. De Dam was bebouwd met huisjes en een oud, gotisch raadhuis. De Nieuwe kerk was omringd door huizen. De stadsgrenzen werden gevormd door het Singel aan de westzijde en de kloveniersburgwal aan de oostkant.

De Hervorming waarde door Europa en bracht ook Amsterdam in beroering. Tussen 1535 en 1578 kwam de groei van de stad tot stilstand als gevolg van de godsdienstige onlusten. Het begon met het Wederdopersoproer in 1535. Christenen die meenden dat de christelijke gelijkheid ook in de maatschappij werkelijkheid moest worden. Een door hen georganiseerde demonstratie werd hard afgestraft. De demonstranten werden gruwelijk verminkt en vermoord. De stedelijke overheid, die deze hervormingsactiviteiten een tijdlang had getolereerd, werd vervangen door een strenger bewind. 

De staatkundige eenheid van de Nederlanden werd in 1543 tot stand gebracht door Karel V, de achterachterkleinzoon van Philips de Goede. Het zwaartepunt van de nieuwe staat lag in het zuiden. Brussel was de hoofdstad. Amsterdam werd belangrijk in de Nederlanden door zijn status als handelscentrum. 

De stad importeerde hout en graan. Deze goederen kwamen uit de landen aan de Oostzee waar tegelijkertijd ijzererts, pelzen en kabeljauw werd ingekocht. Het zout, waarmee de kabeljauw werd ingemaakt, kwam uit Portugal. Amsterdam werd hierdoor een stapelmarkt waar noordelijke en zuidelijke producten werden opgeslagen, bewerkt en verkocht. Om deze handel heen groeiden bedrijfstakken als cartografie, drukkerij en bank- en verzekeringswezen.

In Amsterdam begon de Beeldenstorm op 23 augustus 1566. De Oude Kerk en het Minderbroedersklooster werden geplunderd, maar de schade bleef beperkt. De kerkschatten waren voor het grootste deel tijdig in veiligheid gebracht. De hervormingsgezinde rijke burgerij greep de beeldenstorm aan om weer in het stadsbestuur te komen, nadat zij na de aanslag van de wederdopers hieruit door de katholieke burgers waren verdreven. Zij bezetten zelfs een deel van de stad. Temidden van deze tumult kwam Hendrik, de graaf van Brederode, naar Amsterdam. De calvinisten in de stad verwachtten dat hij de macht wel zou overnemen, maar Hendrik liet die kans voorbijgaan. Het jaar daarop moest hij de vlucht nemen. 

De eenheid van de Nederlanden werd door de godsdienststrijd teniet gedaan. Door erfenis was Filips II, koning van Spanje geworden. Van daaruit bestreed hij de Hervorming in de Nederlanden. De Nederlanders kwamen tegen hem in opstand. Ze wilden hun vrijheden behouden en waren niet gediend van geloofsvervolging. Prins Willem van Oranje werd leider van de opstandelingen. 

Toen in 1572 Holland de kant van de prins koos, (De Lage Landen (1568-1572)) bleef Amsterdam trouw trouw aan het Spaanse bewind. Tijdens het begin van de Tachtigjarige oorlog gingen handel en nijverheid, waarmee het toch al niet zo geweldig ging, nog meer achteruit. De Watergeuzen maakten de zee onveilig en de belangrijke kooplieden verlieten de stad. Daardoor kwam de levendige Amsterdamse handel tot stilstand. na de inname van Den Briel (1572) kozen de meeste Hollandse steden de kant van de opstandelingen gekozen, maar Amsterdam deed niet mee en bleef Spaansgezind. De stad kreeg te maken met sancties en werd aan alle kanten ingesloten. Daardoor ontstond er in het begin van 1578 een nijpend gebrek aan voedsel en geld.

Na de Spaanse overwinning op Haarlem (1573), die met hulp van de Amsterdammers tot stand kwam, keerden de kansen. De Spanjaarden werden teruggeslagen en de Geuzenvloot versloeg de Amsterdammers. Amsterdam was nu geïsoleerd.

Er werden onderhandelingen gevoerd, maar die liepen vast, omdat de Amsterdamse stadsbestuurders, burgemeester Joost Buyck voorop, niet wilde in stemmen met de terugkeer van de uitgeweken protestanten. Buyck maakte al sinds 1532 deel uit van  het Amsterdamse stadsbestuur en achttien maal gekozen tot burgemeester. Door zijn toedoen bestond het stadsbestuur uit maar een klein aantal personen, voornamelijk afkomstig uit zijn familie. Zij hielden de meeste invloedrijke posten van de stad bezet. Behalve dat Joost Buyck streng katholiek was, was hij ook een harde figuur die elk compromis met de "ketters"verwierp.

Een poging om Amsterdam met geweld te veroveren mislukte, maar toen de stad in 1578 onder belegering lag, besloten de Amsterdamse stadsbestuurders aan die eis toe te geven. Op 28 februari 1578 tekenden zij in Den Haag de zogenaamde satisfactie of verzoening. Hierbij werd bepaald dat de gereformeerde ballingen mochten terugkeren en dat zij vrijelijk, maar niet in het openbaar hun godsdienst mochten belijden. Van heinde en ver keerden de ballingen naar hun geliefde stad terug. Op 26 mei werden 24 katholieke stadsbestuurders: burgemeesters, onder wie Joost Buyck, vroedschapsleden, raden en schepenen en enkele katholieke geestelijken buiten de stad gezet, op schepen gegooid en letterlijk aan de dijk gezet. Bij de uitgeleiding van de Minderbroeders, "die zeer weinig waren gezien in brede kringen van de burgerij" (Brugmans) ging het iets minder zachtzinnig toe en er is ook duchtig geplunderd in kerken en kloosters, maar over het algemeen was de Alteratie van 1578 een haast geweldloze revolutie, waaraan trouwens ook door heel wat katholieken werd deelgenomen. Burgemeester Buyck overleed tien jaar later, 82 jaar oud en werd begraven in de Nieuwe Kerk.

Aan de Alteratie (regeringswisseling) heeft de stad praktisch al haar eerste grote gebouwen te danken. Van Prinsenhof, tot Weeshuis, Rasphuis, Spinhuis, Bank van lening, Latijnse School en Atheneum. Voor de overgenomen gebouwen werd schadevergoeding betaald, want de katholieke gemeente bleef gewoon bestaan en de achtergebleven nonnen en monniken werden tot hun dood van stadswege onderhouden. Na deze machtsovername kwamen alle katholieke bezittingen (zoals de kerken en de kloosters) aan de stad. Het St. Luciënklooster in de Kalverstraat werd verbouwd tot weeshuis voor de Amsterdamse weeskinderen. 

In 1579 vielen de Nederlanden definitief uiteen in de Unies van Utrecht en Atrecht. De Unie van Utrecht, waarvan zeven gewesten deel uitmaakten, bleef in oorlog met de Spaanse koning. In 1648 sloten zij uiteindelijk de vrede van Munster. Hiermee kwam een eind aan de tachtigjarige oorlog. De zeven gewesten, die het begin waren van het tegenwoordige Nederland, werden De Republiek genoemd. Zij vormden een losse statenbond. Stadhouder Willem van Oranje zetelde in Den Haag. Hij was militair leider van de hele Unie. Amsterdam lag weliswaar buiten het politieke machtscentrum, maar doordat de invloed in de Republiek evenredig was aan de financiële bijdrage die een stad of gewest leverde, kon Amsterdam veel invloed uitoefenen. De Republiek was geen democratie, maar ook geen absolute monarchie, zoals de meeste omringende landen. Overgeleverde middeleeuwse rechten en de belangen van de handel stimuleerden een zekere vrijheid en tolerantie.

Door de inlijving van Portugal door Spanje in 1580 werden de Noordnederlanders gedwongen zelf naar Indië te gaan. Een andere impuls hiertoe was de komst van kapitaalkrachtige Zuidnederlandse kooplieden naar Amsterdam nadat Antwerpen in Spaanse handen was gevallen. Onder hen bevonden zich Portugese joden, die al eerder uit Portugal naar Antwerpen waren gevlucht.

Vanuit Amsterdam werden vanaf 1595 de eerste tochten naar Indië ondernomen. Deze waren een gigantisch succes. Ze leverden de aandeelhouders maar liefst vierhonderd procent winst op. Aangespoord door deze resultaten maakte men overal in het land aanstalten om schepen naar Indië te sturen. 

In 1602 ontstond uit al die versnipperde initiatieven de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC. Amsterdam nam meer dan de helft van het kapitaal in de nieuwe onderneming voor zijn rekening. Hoewel Amsterdam niet de helft van het aantal bewindhebbers mochten leveren uit angst voor overheersing, was de stad uiteraard zeer machtig in deze organisatie. Bij de oprichting van de VOC waren overigens niet alleen rijke kooplieden betrokken. Ook de burgerij investeerde in het project.

laatst bijgewerkt: 26-09-02

colofon