7328

Lage Landen (1572-1581)

De Lage Landen (1568 - 1572)

Na de inname van Den Briel door de Watergeuzen (1572) kozen veel steden nu de kant van de prins, alleen Amsterdam bleef trouw aan het Spaanse bewind.

Bijzonder druk over de inneming van Den Briel maakte admiraal der Nederlanden (de graaf van) Bossu, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, zich in eerste instantie vermoedelijk niet.  Van erg grote betekenis was het stadje niet en vroeg of laat, zo moet hij hebben gedacht, zouden die Geuzen wel worden teruggedreven.  Meer zorgen maakte hij zich echter over de toenemende opstandigheid onder de bevolking in het algemeen.  De economische situatie was weinig rooskleurig.  Veel mensen waren zonder werk en leefden in armoede.  De belastingmaatregel van landvoogd Alva - de tiende penning - en de strenge winter van 1571/72 hadden de crisis vergroot. Daarom ondernam Bossu toch nog een poging de Geuzen te verdrijven, maar het Spaanse leger werd, toen het op 6 april naar Voorne overvoer, smadelijk verslagen. Gedemoraliseerd trok het Spaanse leger zich op Dordrecht terug. Daar beraamde Bossu een nieuw plan: zijn manschappen zouden over de Maas naar Rotterdam varen en in de stad voet aan wal zetten. Van daaruit wilde hij de Geuzen, die Delfshaven hadden ingenomen, verdrijven. Op 7 april kwamen de eerste Spanjaarden in Rotterdam aan. Bossu zelf kwam een dag later. Hij trof het slecht. De achtste april was een heilige dag die door veel inwoners van de stad met veel drank was gevierd.  Formeel was Rotterdam in Spaanse handen, maar een deel van de bevolking verzette zich tegen het Spaanse bewind en trok gewapend naar de Oostpoort om de Spanjaarden toegang tot de stad te beletten. Pogingen van een van de burgemeesters en van Bossu zelf om de bevolking tot bedaren te brengen haalden niets uit: het Spaanse leger was zo gedwongen die nacht buiten de stad te bivakkeren.

Op 9 april trok Bossu in de vroege ochtend met een aantal schutters naar de Oostpoort om de doortocht te bevelen.  Na enig heen en weer gepraat, gaf het volk wat toe en kwam men tot een vergelijk.  In kleine aantallen zouden de soldaten de stad mogen betreden.  De poort werd geopend en dertig tot veertig Spanjaarden stroomden binnen. 

De troepen van Bossu trekken door de Oostpoort de stad Rotterdam binnen (9 april 1572), getekend door G. van Hove

Vervolgens probeerde de menigte de poort weer te sluiten, maar met gebruikmaking van grof geweld werd dit door de Spaanse soldaten belet.  Tijdens de schermutseling vielen enkele doden.  Ook in de daaropvolgende dagen vielen er slachtoffers.  Het precieze aantal mensen dat tijdens de aprildagen omkwam varieert in de diverse bronnen van ongeveer veertig tot vierhonderd. Intussen werd in de zuidelijke Nederlanden de toestand kritiek. De troepen van Lodewijk van Nassau hadden Bergen (Mons) in Henegouwen belegerd. In juli 1572 beval landvoogd Alva de Spaanse legers uit Holland terug te trekken. Met veel tegenzin gaf Bossu alle belangrijke steunpunten in Holland op. Alva bracht snel een leger op de been om in de zuidelijke Nederlanden terug te slaan. In oktober 1572 werd Mechelen door Spaanse soldaten geplunderd en werden vele inwoners vermoord, een gebeurtenis die in de geschiedenis van de stad te boek staat als "de Spaanse furie".

In juni 1572 werd de stad Zutphen ingenomen door een zwager van Willem van Oranje, graaf Willem van den Berg. , Zijn troepen waren ordeloos en vooral de kloosters moesten het ontgelden. Op 17 november 1572 werd de stad echter onder Don Frederik, de zoon van de hertog van Alva, tijdens zijn strafexpeditie terugveroverden en honderden inwoners executeerden, het 'Bloedbad van Zutphen'. Zwolle, Kampen en Hasselt gaven zich daarop vrijwillig over. Ook Bolsward, Franeker en Sneek gaven zich over en aanvaardden Waalse garnizoenen. Don Frederik kon nu zijn volle aandacht op het Westen richten. Gedurende enkele weken belegde hij de vesting Naarden dat met steun van een deel van de bevolking in augustus in handen van de geuzen was gekomen. Op 1 december trok hij met 400 Spanjaarden de vesting binnen. Het Bloedbad van Naarden werd door slechts 60 bewoners overleefd. 
Met Amsterdam als basis konden de Spaanse troepen daarna Haarlem belegeren, dat zeven maanden stand hield in de winter van 1572-1573. Volgens sommige ooggetuigenverslagen van Duitse huursoldaten vocht Kenau Simonsdochter Hasselaer, de dochter van burgemeester Simon Gerritszoon Brouwer actief mee tegen de Spanjaarden. Zo zou ze aan het hoofd staan van 300 vrouwen die met kokend water, brandend stro en gesmolten pek vanaf de stadsmuren de vijand van zich afhield. Volgens Hooft vochten de vrouwen actief mee omdat ze wisten hoe de Spanjaarden waren omgegaan met de vrouwen in andere veroverde steden. Hierdoor is de mythe om haar persoon ontstaan. Volgens sommige historici is echter niet vast te stellen dat ze daadwerkelijk meevocht.

De stad kon niet worden uitgehongerd, doordat zij via de Haarlemmermeer werd bevoorraad door schepen van de Geuzen. Helaas kon een Spaanse vloot vanuit Amsterdam over de Schinkel de Haarlemmermeer bereiken, waar zij de geuzenvloot versloeg. Toen dwong de honger Haarlem tot de overgave. Duizenden werden door de Spanjaarden terechtgesteld: opgehangen, onthoofd of met tweetallen, rug aan rug gebonden, in het Spaarne gegooid om te verdrinken. In 1577 verlieten de Spanjaarden na het akkoord van Veere de stad. De wederopbouw kon beginnen.

In hetzelfde jaar werden de Amsterdammers echter op de Zuiderzee door een andere geuzenvloot verslagen. Nu was Amsterdam van de buitenwereld afgesloten. Vanaf nu keerden de krijgskansen. Bossu verloor de slag op de Zuiderzee tegen de Geuzenvloot (1573). Alkmaar hield stand tegen de Spanjaarden, nadat het land rondom de stad onder water was gezet. ( De Victorie van Alkmaar)
De Amsterdamse kooplieden besloten om zich nu ook maar aan te sluiten bij de opstand. De stadsregering werd vervangen door protestanten en partijgangers van de Prins van Oranje.

links: het beleg van Alkmaar

Nadat in 1573 de hertog van Alva door Filips ll was vervangen door de nieuwe landvoogd Requesens, volgden nieuwe nederlagen voor de Spanjaarden: Middelburg kwam aan de prins. Op de Mokerhei verloor Lodewijk van Nassau, een broer van Willem van Oranje, zowel de slag als zijn leven. 

In 1574 trok Requesens met een groot leger op naar de stad Leiden. Weer werd het land onder water gezet en opnieuw moesten de Spanjaarden zich terugtrekken.

Toen in 1576 de landvoogd plotseling overleed, stonden de Spanjaarden er niet slecht voor. Maar er was geen geld meer om de troepen te betalen. Nadat de soldaten na maanden nog geen soldij hadden gekregen trokken zij naar de nog rijke gewesten Brabant en Vlaanderen en sloegen er aan het plunderen. Vooral in de stad Antwerpen hielden ze flink huis. Alles wat de ze konden gebruiken werd weg geroofd. Door deze plunderingen kwam ook het zuiden eindelijk voor de prins in beweging. 

Rechts: Landvoogd Requesens

Requesens probeerde eerste met zachtheid te bereiken wat met dwang niet gelukt was en kondigde zelfs een algemene vergiffenis voor de opstandigen af. Het hielp echter niets en opnieuw moesten de Spanjaarden enkele nederlagen incasseren. In 1576 slaagde Willem van Oranje erin de gewesten tot eensgezindheid te brengen (Pacificatie van Gent).

In 1581 verklaarden de noordelijke gewesten dat koning Filips ll zijn rechten als Heer der Nederlanden verloren had. Met andere woorden: Filips was nu geen koning meer over de noordelijke Nederlanden.

Lage Landen (1581-1588)

bronnen: In den Rustwat - Hoofdstuk 1

laatst bijgewerkt: 14-10-06

colofon