4630 Tunesië (632 - 1574)
Byzantijnse rijk (602 -705)

, slaagde erin deze opstand door krachtig optreden snel te bedwingen en de strijdlust en zucht naar rijkdommen van de Arabieren te richten naar de buurlanden Byzantium en Perzië. 

Niet alleen aangewakkerd door godsdienstig fanatisme, maar ook honger en belustheid op oorlogsbuit trokken de vurige strijders voor de Islam trokken de Arabieren onder de in 632 tot opvolger van Mohammed uitgeroepen kalief Abu Bakr ten strijde tegen de Byzantijnen. Onder kalief Omar (634-644) boekten de Moslims hun grootste veroveringen: Mesopotamië (637), Syrië, Palestina en Egypte (640) en Perzië (642).  In de door hen veroverde gebieden zag de vroeger zwaar onderdrukte bevolking de Moslims als bevrijders en niet als veroveraars en vaak sloten zij zich bij hen aan om hun vroegere heren te bestrijden. 

Osman (644-656) onderwierp vervolgens systematisch vanuit Cairo te vuur en te zwaard heel Noord-Afrika. het gehele christelijk-Romeinse cultuurgebied, inclusief de verovering en verwoesting van Carthago. Dit grote gebied begon onder de mohammedaanse terreur eerst weinig, dan geleidelijk meer en meer in een woestijn te veranderen, zoals nu bijna overal waar moslims wonen woestijn is ontstaan. Osman wilde het gehele Middellandse Zeegebied veroveren. Hij begon met de steden Tripolis, Cyprus en Rhodos, maar werd bij een opstand in Medina verslagen. Na de moord op kalief Ali in 661 kwam het kalifaat onder het bestuur van de Omayaden, die het rijk bijna 90 jaar lang vanuit hun hoofdstad Damascus als wereldlijke vorsten zouden regeren (661 - 750).

Het Midden-Oosten kende in deze periode een grote culturele bloei. Waar Europa na de val van het Romeinse Rijk in een diepe crisis kwam, met een dalende bevolking, invasies en opkomende armoede, kwamen steden als Alexandrië, Basra, Damascus en vooral Bagdad  tot grote bloei. De bevolking van deze steden groeide en op gebieden als literatuur, architectuur, geneeskunde en wetenschap kwam de regio mijlenver voor te liggen op Europa. Tijdens de Omayanden veroverden de Arabische legers steeds meer gebieden in Noord-Afrika en Spanje (de meest lichtgroene gebieden op het kaartje rechts). Arabische handelsschepen voeren naar India, Indonesië en langs Oost-Afrika.

De Islamitische veroveraar van Tunesië, Oqba ben Nafi, stichtte in 670 de stad Kairouan.(= "karavaan") midden in een desolaat, droog en warm steppegebied. Voor de bouw van de stad werd gebruik gemaakt van Romeinse bouwmaterialen uit de omgeving. Oqba ben Nafi bouwde ook meteen, met Romeinse materialen uit Sousse en Carthago, de eerste moskee, gelegen aan de medina van Kairouan: namelijk de Sidi Oqba moskee (beter bekend als "de Grote Moskee"). Deze moskee van Kairouan is de oudste en ook een van de grootste moskee's van de Maghreb. Hierdoor werd Kairouan de belangrijkste heilige stad in Noord-Afrika: van hieruit werd immers de hele Maghreb tot de Islam bekeerd. Vandaar dat Kairouan ook gedurende eeuwen, vóór Tunis, eveneens de administratieve, culturele en economische hoofdstad was van Tunesië.

Het was pas in 698 dat de Byzantijnen door de Arabieren uit Tunesië waren verdreven. Deze gebeurtenis was zeer ingrijpend voor de bevolking: vanaf de 7de eeuw gingen zij over tot de Islam en in de eeuwen erna namen ze de Arabische taal en cultuur over.

In 800 werd Ibrahim ibn al-Achlab tot stadhouder benoemd en hij stichtte de eerste Tunesische dynastie, die van de Aghlabieden. Gedurende deze periode werden de grootste historische monumenten van Tunesië gebouwd: de Jemaa ez Zitouna in Tunis en de Grote Moskee in Kairouan en Sousse.

De Aghlabieden verfraaiden de Grote Moskee van Kairouan met een koepel boven de gebedsnis en een uitbreiding van de gebedsruimte. Het ganse complex van de moskee is een 195 bij 80 m onregelmatig vierkant, met een 35 m hoge minaret. De Aghlabieden voltooiden de moskee in 864. in de 10de eeuw werd ze vergroot door de Zirieden om later, in 1637, nog een keer door de Turken. In 909 volgde de dynastie van de Fatimieden. Die veroverden in 969 ook Egypte en voor Tunesië werd een Berber stadhouder benoemd. Op zijn beurt maakte deze zich onafhankelijk en stichtte de dynastie van de Zirieden.

Hoog boven de stad Sousse rijst binnen en nagenoeg tegen de oude stadsmuren de kasba, of 'burcht', omhoog. De kasba meet 200 bij 75 m en bezit een hoge vierkante toren, de Tour Khalef. Het geheel is samen met de muren van de medina gebouwd in de 9de eeuw.

Het ribat (= een 'versterkt klooster'.van Sousse is het oudste in Tunesië, ook Monastir bezit een ribat. Beide zijn vroege islamitische gebouwen uit de 8ste eeuw met als doel de moslims te beschermen tegen invallen. Bovenaan de 2 m dikke muren zijn kantelen aangebracht en een nador (wachttoren) met een hoogte van 26 m. Aan het binnenhof, achter de zuilengalerijen, waren de vroegere voorraadkamers, wapenopslagplaatsen en stallen. Bovendien waren hier ook de cellen van de monniken die tegelijk soldaten waren: het waren Hurabitum of 'vechtmonniken'. Het ribat was tegelijk klooster en fort!

Rond 1050 kwam het tot een breuk tussen Tunesië en Egypte. Roger II van Sicilië maakte hiervan gebruik om in 1148 de kuststreek te bezetten. De Almohaden uit Marokko veroverden in 1159 Tunesië en maakten Tunis tot hoofdstad. 

Tunis

De grondvesten van Tunis dateren uit de 9de eeuw voor Chr., maar over de vroegste geschiedenis van de stad is weinig bekend. Zo'n 500 jaar later, in de Punische tijd, was Tunis nog niet de toonaangevende stad die het nu is. De stad stond in de schaduw van het machtige Carthago. De aanvallen op deze buurstad troffen ook Tunis, dat in 146 voor Chr. tegelijk met Carthago van de aardbodem verdween. De Romeinen bouwden ten -tijde van Augustus beide steden opnieuw. De huidige hoofdstad droeg toen de naam Thuni. Na de Arabische aanvallen aan het eind van de 7de eeuw waarbij Carthago opnieuw werd verwoest, begon de bloeitijd van Tunis. De stad ontwikkelde zich tot een welvarende havenplaats. De vooraanstaande positie die Tunis innam blijkt uit het feit dat eind 9de eeuw de Aghlabiden er hun zetel vestigden. De grote moskee in de medina herinnert nog aan deze tijd. De succesvolle aanval van Beni Hilal aan het begin van de 11 de eeuw op Kairouan, het centrum van de islamieten, leidde ertoe dat het aanzien van Tunis verder groeide. Tijdens de dynastie van de Hafsiden (1229-1574) kende de stad haar grootste bloei. De opkomst van de handel tussen Europa en de islamitische landen aan de Middellandse Zee maakte Tunis tot een van de belangrijkste handelscentra van het Mediterrane gebied. In deze tijd werden het grootste gedeelte van de overdekte markt (souks), de citadel (kasbah) de eerste koranscholen [medreses) gebouwd. De bloeitijd van Tunis kwam ten einde in de tweede helft van de l6de eeuw toen de Turken verschillende pogingen deden de stad in handen te krijgen hetgeen in 1574 lukte. Aangezien de handel tussen christenen en islamieten op een zeer laag pitje kwam te staan, veranderde het eens zo grote Tunis in een onbetekenende provincieplaats. In de 17de eeuw werd Tunis geconfronteerd met een grote stroom Andalusiërs, uit angst voor, van de Inquisitie uit Spanje gevluchte islamieten. De komst van de nieuwe bewoners bracht geen verandering in de malaise waarin de stad verkeerde. De inkomsten kwamen hoofdzakelijk uit de piraterij en toen in de l9de eeuw ook voor zeerovers geen droge boterham meer te verdienen viel, verarmde Tunis snel.

Hafsiden-dynastie (1229 - 1574)

In 1207 werd Abd al Wahid de stadhouder van Tunis, die maakte zich in 1228 los van de Almohaden-dynastie in Marokko en stichtte de dynastie van de Hafsiden. Onder deze dynastie onderging Tunesië drie eeuwen van welvaart en culturele bloei. De Hafsiden regeerden niet alleen over het huidige Tunesië maar ook over het oostelijke deel van Algerije en het westen van Lybië.

Hoewel voortdurend bedreigd door andere Middellandse-Zeemogendheden, bleef Tunesië onafhankelijk ten gevolge van onderlinge conflicten van die staten. Het waren de Hafsiden die in de medina van Tunis voor elke ambacht een eigen soek (souq) bouwden. De aaneengesloten winkeltjes staan onder een galerij van bogen, voorzien van opening en in het gewelf om licht door te laten. 

Links: Het Hafsidenrijk ca. 1400

Abu Zakariya, de Almohadische gouverneur van de Tunesische steden Gabès en Tunis, verklaarde zichzelf in 1229 onafhankelijk. Hij veroverde Constantine en Béjaïa in 1230, annexeerde Tripolitania (in westelijk Libië) in 1235, Algiers in 1238 en Tlemcen in 1242. Zo vestigde hij de Hafsiden als belangrijkste machtsfactor langs de noordwestkust van Afrika. Aboe Zakariya riep zichzelf uit tot emir, en zijn opvolger Mohammed I al-Moestansir (1249-1277) verklaarde zichzelf tot kalief, een titel die de Hafsidenheersers zouden blijven dragen.

Tunis werd het economisch en cultureel centrum van dit machtige nieuwe rijk. Het rijk nam veel moslims op die door de christenen veroverde Andalusië waren ontvlucht. In de periode 1231-1236 werden handelsovereenkomsten gesloten met de Italiaanse staten Venetië, Pisa en Genua. In 1270 werd Tunis aangevallen door kruisvaarders onder leiding van Lodewijk IX van Frankrijk tijdens de Achtste Kruistocht. De kruisvaarders braken bun beleg van Tunis af nadat ze met Mohammed I al-Moestansir waren overeengekomen dat de christenen handelsrechten met de stad zouden krijgen. Er mochten zich zelfs monniken en priesters vestigen.

In de 14e eeuw beleefde het rijk van de Hafsiden een tijdelijke terugval. In deze periode werd het rijk een aantal keer getroffen door pestepidemieën. Ook werd de 14e eeuw gekenmerkt door een langdurige strijd met de Meriniden in Marokko over de controle over het rijk van de Abdalwiden in Tlemcen. Tussen 1347 en 1357 lukte het de Meriden twee keer om Tlemcen te veroveren, maar de Meriden waren niet in staat de bedoeïenen te verslaan en verloren het rijk weer aan de Hafsiden.

In deze periode nam de piraterij tegen christelijke scheepvaart steeds grotere vormen aan – met steun van de Hafsiden, die de winsten van de piraterij gebruikten om hun steden uit te breiden en de kunst, literatuur en wetenschap te financieren. De piraterij veroorzaakte echter ook wraakacties van Aragón en Venetië, die meerdere keren Tunesische steden aanvielen. Er waren zelf plannen voor een nieuwe kruistocht tegen de Hafsiden.

Het Hafsidenrijk bereikte haar hoogtepunt onder Utman (1436-1488) als centrum van handel, zowel de karavaanroutes van en naar Egypte en de landen ten zuiden van de Sahara als de zeehandel met Venetië en Aragón. De bedoeïenen en steden buiten Tunesië werden echter steeds onafhankelijker, zodat de Hafsiden uiteindelijk alleen nog Tunis en Constantine in hun grip hadden.

Hafsiden

Abu Zakariya 1229 - 1249
Muhammad I al-Mustansir 1249 - 1277
   
   
   
   
   
Abd al-Aziz ll 1394 - 1434
Utman 1434 - 1488
   
   

In de 16e eeuw raakten de Hafsiden steeds verder verzeild in de machtsstrijd tussen Spanje en de Barbarijse zeerovers, die gesteund werden door het Ottomaanse Rijk

In 1533 werd Barbarossa, de meest bekende Barbarijse zeerover in die tijd, Khair ad Din, bijgenaamd "Barbarossa" (Roodbaard) door de Ottomaanse sultan Suleyman l naar Istanbul ontboden. De sultan was verontrust door de activiteiten van de Genuese admiraal Andrea Doria in het oostelijke Middellandse Zeegebied. Hij benoemde Barbarossa tot grootadmiraal (kapudan paşa) en belastte hrm met de bouw van een grote oorlogsvloot. In de zomer van 1534 zette Barbarossa met deze vloot koers naar Tunis. Op het naderen van de Turkse vloot vluchtte de sultan van Tunis, Muley Hassan en Tunis werd ingelijfd bij het Ottomaanse Rijk.

Door het bezit van Tunis namen de Turken nu een strategische positie in op de scheiding tussen de westelijke en de oostelijke helft van de Middellandse Zee. Als reactie op deze dreiging organiseerde keizer Karel V in 1535 een grootschalige expeditie met als doel Tunis in te nemen. De vloot stond onder bevel van Andrea Doria. De expeditie slaagde in zijn opzet, en een groot deel van Barbarossa's vloot viel in handen van de aanvallers. Barbarossa zelf slaagde er echter in te ontkomen en met een ander deel van zijn vloot, dat hij uit voorzorg had gestationeerd in Bône, deed hij vervolgens een aanval op de Balearen, waarbij o.a. Mahón, de hoofdstad van Minorca werd geplunderd. De verovering van Tunis door Karel V miste aldus zijn doel, want Barbarossa's macht ter zee bleef onaangetast.

In 1547 werd Tunis opnieuw door de Ottomanen ingenomen. Dit betekende het einde van de Hafsidendynastie. Hun rijk werd een provincie van het Ottomaanse Rijk.

Tunesië (1574 - 1881)

Gemaakt: 04-10-05; Laatst gewijzigd 23-10-09

colofon