7505 | Barbarijse zeerovers |
![]() |
De Barbarijse zeerovers (ook rifpiraten) stonden vooral in de zeventiende eeuw bekend als de schrik van de Middellandse Zee. Ze opereerden vanuit Tunis, Tripoli, Algiers, Salè en andere havens in Marokko. Hun belangrijkste doelwitten waren zowel de rijke koopvaardijschepen die de Middellandse Zee bevoeren alsook de Atlantische route naar Azië rond Kaap de Goede Hoop. Deze kapers waren al actief ten tijde van de kruisvaarders en hun acties werden pas effectief gestopt in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hun thuisbases lagen op de Barbarijse kust, aan de voet van het Marokkaanse Rifgebergte en op de kust van de meer oostelijke Maghreb. Naast materiële buit van overvallen schepen en kustdorpen was een belangrijk doel van de piraten om slaven te verkrijgen. Talrijke kustplaatsen in Spanje, Italië en op de eilanden in de Middellandse zee werden hiervoor eeuwenlang 'bezocht' door de zeerovers. De Franse zuidkust was ook niet veilig voor hen en zelfs op de Ierse, Engelse en Nederlandse kusten werden mensen gegrepen en tot slaaf gemaakt. Hun strooptochten reikten echter nog veel verder, van IJsland in het noorden tot de gehele Afrikaanse westkust. Zelfs stak men de Atlantische oceaan over voor tochten naar Amerika. Behalve de talrijke koopvaardijschepen werden ook de Europese kolonies in dit gebied prooi voor de zeerovers. Op de eilanden van de Caraïbische zee en aan de Noord- en Zuid-Amerikaanse kusten werd soms eveneens, zoals gebruikelijk in de Middellandse Zee, een afgelegen dorp omsingeld en de bevolking gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. Vaak werden grote aantallen christenslaven bij deze acties gevangen genomen, die dan werden verkocht op Marokkaanse slavenmarkten.
|
![]() |
![]() |
Ook westerse zeerovers verkochten gevangen genomen christenen vaak in Marokko. De Marokkaanse sultan ![]() De schepen waren meestal galeien met slaven of gevangenen aan de roeiriemen. Omgekeerd werden ook moslimschepen door de christelijke naties gekaapt en werden gevangen genomen moslims tot slaaf gemaakt. In de Middeleeuwen waren de moslimschepen het rijkst en het vaakst slachtoffer. De Maltezer kapers waren tot ver in de 18e eeuw de tegenstanders van de Barbarijse zeerovers en handelden in moslimslaven. Soms ging het om echte kapers die dus legale activiteiten ontplooiden tegen vijandelijke schepen, soms om gewone zeerovers die om het even welk schip prijs poogden te maken, zelfs schepen van de eigen natie. Het onderscheid was niet altijd even duidelijk. Westerse landen probeerden de activiteit van de kapers af te kopen. In veel landen bestonden ook slavenkassen om christelijke krijgsgevangenen weer vrij te kopen. Het tegenovergestelde van een kaper was een vrijbuiter: die verkocht zijn "buit" op de vrije markten. De meest bekende zeerover was Khair ad Din, bijgenaamd "Barbarossa" (Roodbaard). Hij was van Turkse afkomst. Nadat hij meegeholpen had om Algiers te verdedigen tegen de Spanjaarden doodde hij de heerser en maakte van de stad een "vrijbuitersnest", en regeerde er als een regent voor de Ottomaanse sultan. De sultan benoemde Barbarossa tot grootadmiraal (kapudan paşa) en belastte hem met de bouw van een oorlogsvloot. In de zomer van 1534 zette Barbarossa met deze vloot koers naar Tunis. Op het naderen van de Turkse vloot vluchtte de sultan van Tunis, Muley Hassan, en Tunis werd ingelijfd bij het Ottomaanse Rijk. Links: Khair ad Din, bijgenaamd Barbarossa |
Door het bezit van Tunis namen de Turken nu een strategische positie in op de scheiding tussen de westelijke en de oostelijke helft van de Middellandse Zee. Als reactie op deze dreiging organiseerde keizer ![]() |
Tot aan het midden van de 16e eeuw waren de meeste piraten van islamitische origine maar vanaf toen versterkten steeds meer Europeanen hun gelederen. Een belangrijk gevolg hiervan was dat de Barbarijse zeerovers van deze Europeanen leerden hoe met oceaanvaardige zeilschepen om te gaan. Voorheen gebruikten ze meestal galeien met roeiers, goed genoeg voor op de Middellandse zee en voor de kustvaart van de oceaan maar niet erg geschikt om op de Atlantische oceaan te gebruiken. Toen ze de kneepjes van de oceaanvaart geleerd hadden breidde de plaag zich uit over de hele Atlantische Oceaan. Tientallen van deze piraten waren van oorsprong Nederlanders. Drie voorbeelden zijn: Suleyman Reis "De Veenboer", die in 1617 admiraal van de Algerijnse kapersvloot werd, en zijn rechterhand Murad Reis, geboren Jan Janszoon van Haarlem. Beiden werkten voor de beruchte zeerover "Simon de Danser", die een paleis bezat. Ook Claes Compaen was een zeerover die in Marokko kwam. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog dienden de Barbarijse zeerovers soms als bondgenoten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tegen Spanje en Portugal, beide koninkrijken onder Habsburgs bewind.
Maarten Harpertszoon Tromp was twee keer slachtoffer van de zeerovers: in 1609 als elfjarige was hij gevangene in Salé en in 1621 was hij een jaar gevangene van de Bey van Tunis. Viceadmiraal Michiel de Ruyter voerde tussen 1661 en 1663 acties uit speciaal gericht tegen de Barbarijse zeerovers en dwong uiteindelijk een verdrag af. Dit soort verdragen werd echter meestal snel weer geschonden. De aanvallen op West-Europa gingen nog jaren door: de hele 17e en 18e eeuw waren Engelse, Nederlandse, Spaanse en Franse eskaders actief om het gevaar te bedwingen. Maar de piraten wisten handig gebruik te maken van de onderlinge rivaliteit van de westerse zeevaartnaties en wisten van het ene land bescherming en afkoopgeld te krijgen terwijl ze andere rustig konden overvallen. Geleidelijk aan werden echter steeds meer piratenschepen door Europese oorlogsschepen tot zinken gebracht en hun havens gebombardeerd. Vaak herstelden deze de schade weer en hervatten hun 'beroep'. Maar door de steeds frequentere marine-acties werden de zeerovers toch minder brutaal en verminderde het aantal Barbarijse overvallen geleidelijk aan. Pas na de napoleontische oorlogen werd er effectief een einde gemaakt aan de Barbarijse zeerovers. Door de besluiten van het Congres van Wenen had Groot-Brittannië nu veel onderdanen erbij gekregen in de Middellandse zee en had er nu belang bij om de piraterij definitief de kop in te drukken. De Britse Royal Navy, bijgestaan door zes Nederlandse schepen, vernielde in 1816 de haven van Algiers, wat een van de laatste grote piratennesten was, en de daarin aanwezige vloot van piratenschepen. Kort daarna (1830) werd het gebied door Frankrijk bezet zodat de piraten geen kans meer hadden om hun praktijken te hervatten. Gemaakt: 21-10-09 |