4405 |
Mohammed (570 - 632) |
![]() |
![]() In Mekka woonde een jongen. Mohammed heette hij. Hij werd geboren omstreeks het jaar 570. Z'n vader en moeder waren gestorven toen hij nog maar heel klein was. Nu woonde hij bij z'n grootvader. Bijna elke dag kon je hem op de markt vinden. Daar hielp hij de kooplieden en zo verdiende hij wat geld. Dat was hard nodig, want Mohammed was arm en z'n opa ook. Als hij geen werk had, keek hij vaak naar de pelgrims die Mekka kwamen bezoeken. Er kwamen er heel wat, want Mekka was een heilige stad. Van heinde en ver kwamen er pelgrims naar de heilige steen, de Kaäba, en gingen daar bidden. |
De Kaäba is een kubusvormig gebouw in de stad Mekka. In één van de hoeken van dit gebouw was een zwarte steen gemetseld, die door de Arabieren, al ver voor de komst van de Islam, als heilig werd beschouwd. Vóór de komst van de Islam was deze Kaäba namelijk al een belangrijk heiligdom van de Arabieren. Behalve deze Heilige Zwarte Steen vereerden de Arabieren vele honderden andere goden en godinnen. In de Kaäba had iedere stam een beeld geplaatst van zijn eigen god. Mohammed liet deze beelden verwijderen. De Kaäba, het Huis van God, werd het Heiligdom van de Islam. Het gebouw werd bedekt met een zwart kleed, waarop in gouddraad teksten uit de Koran waren geborduurd. |
Tegen wie ze precies baden, wist Mohammed niet. Hij had gehoord dat er wel driehonderd goden waren en al die reizigers baden weer apart voor hun eigen goden. Mohammed begreep dat niet. Hij had gehoord dat de Joden maar één god hadden en ook de Christenen hadden maar één god. Hoe zat dat precies met al die goden ? Mohammed dacht daar veel over na. Ook toen hij ouder was geworden en als kameeldrijver bij de koopmansvrouw Chadidja voor de karavaan moest zorgen. Dat was een gevaarlijk baantje, want zo'n hele rij kamelen moet dwars door de woestijn trekken met z'n koopwaar. Honger en dorst lagen dan op de loer, en ook rovers. Die wilden wel een rijke buit. Mohammed zorgde goed voor de karavaan. Als hij andere kooplieden ontmoette, vroeg hij vaak in welke goden zij geloofden. Zo kwam hij steeds meer te weten over Christenen en Joden.
Volgens een legende ontmoette volgens een oude legende de 12-jarige Mohammed in die tijd in Shaam een Christelijke monnik, Sergius Bahira geheten. Onderweg aan de Shaam-streek stopte de karavaan voor een rustpauze. Tijdens deze pauze kwam een christelijke monnik, Bahira genaamd, naar hem toe en zag de eivormige moedervlek op het schouderblad van Mohammed. Dit was volgens hem "het Zegel der profeten", het teken van de "laatste profeet" die een Goddelijke boodschap zou verkondigen. Daarna zou Bahira hem de Islam hebben ingefluisterd. Maar er bestaat naast deze Islamitische versie van deze legende ook een Christelijke versie. Bahira had, voordat hij Mohammed ontmoette, visioenen gehad. Op de Sinaï-berg zag hij enorme dierenfiguren, zoals een witte leeuw met twaalf hoorns en een panter gekleed in bloed. Deze dierenfiguren zouden de dynastieën symboliseren van de Islam en zouden willen laten zien dat die macht tijdelijk is. De visioenen eindigden met de terugkeer van Christus en de Dag des Oordeels. |
![]() |
Bahira zag nu een wolk boven Mohammed zweven, die voorspelde dat Mohammed was voorbestemd om de voorspelling van de zonen van Ismaël (uit het Bijbelboek Genesis) in vervulling te brengen. "Hoe weet u dat?", had Mohammed Bahira gevraagd. En Bahira antwoordde dat God hem dat in een visioen had laten weten. Mohammed wilde weten wie God was en zo ontstond er een gesprek waarin de monnik hem stap voor stap inwijdde in de basisbeginselen van het Christendom. Mohammed bekeerde zich tot het monotheïsme en hij wilde nu het nieuwe geloof ook onder zijn mensen verkondigen. Mohammed vroeg de monnik hoe hij de Arabieren kon winnen voor het geloof in één god. Bahira bedacht een list: hij zou een wonder in scéne zetten. Hij zou een boek schrijven, dat op de hoorns binden van een koe en naar Mohammed sturen. Mohammed zou dan tegen zijn mensen zeggen dat God hem een boek gezonden had.Het plan slaagde. De Arabieren zagen er een wonder in en bekeerden zich tot één god. "Een boek op de hoorns van een koe" klinkt misschien voor ons vreemd, maar het is een verwijzing naar het tweede hoofdstuk van de Koran, dat "de koe" heet. In de vroegste niet-Islamitische teksten over de islam wordt vaker verwezen naar "het boek van de koe". Wat dat precies is, weten we niet.De truc met de koe blijkt te werken. De Arabieren bekeren zich tot het monotheïsme. Maar Mohammed merkte daarna dat zij voortdurend terugvielen in de oude gebruiken van het meergodendom. Hij ging terug naar Bahira en vroeg hem om raad. De monnik koos voor een pragmatische benadering.. Hij paste de leer en de voorschriften waar nodig aan. De manier waarop dit gebeurde, weerspiegelde de godsdienstige discussies van die tijd. De Christenen geloofden in de menswording van Christus in het bestaan van een goddelijke drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De moslims hadden een een veel abstracter beeld van God. Zij vonden het Christelijke godsbeeld te lichamelijk. In de Syrisch-christelijke legende doet Bahira aanvankelijk zijn best om Mohammed in te wijden in het mysterie van de die-eenheid. Alle rituele handelingen die hem leert, zijn opgebouwd uit drie deelhandelingen, die symbolisch naar de drie-eenheid verwijzen. Het bidden bijvoorbeeld bestaat uit: gaan zitten, vooroverbuigen en weer opstaan. Bahira leert Mohammed ook de befaamde openingsformule van de Koran: "in naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige" en legt uit dat de drie delen van deze formule verwijzen naar de vader, de zoon en de Heilige Geest. Al snel blijkt dat de Araberen het mysterie van de drie-eenheid niet kunnen bevatten. Bahira besluit daarom heel pragmatisch, om zijn beschrijving van God aan te passen. Hij beschrijft God als ondoordringbaar, ondeelbaar, niet horend en niet ziend, zoals in de Koran ook gebeurt. Door God zo "als een steen" te beschrijven zou het monotheïsme voor de Arabieren gemakkelijker te accepteren zijn. Ze waren namelijk gewend om stenen te aanbidden. Bahira paste nog meer dingen aan. De Arabieren hebben er moeite mee om naar het Oosten te bidden, zoals de Cristenen doen. Ze bidden liever in de richting van Mekka, naar de Zwarte Steen, die ze van oudsher al aanbidden. Dus verandert de monnik de bidrichting. En het aantal gebeden, vijftig per dag, wordt op verzoek van Mohammed teruggebracht tot het praktisch haalbare van vijf per dag. Die verandering zijn in de islamitische traditie historisch. Mohammed reist naar de hemel en hoort van God dat moslims vijftig keer per dag moeten bidden. Daarna raadde Mozes hem aan om bij God te vragen om een vermindering tot vijf keer per dag. Volgens de Christelijke versie van de Bahira legende komt alles hierop neer: Bahira probeerde door middel van Mohammed de Arabieren te bekeren tot het Christendom. Dat lukte echter maar ten dele. Hij moest voortdurend concessies doen en rekening houden met de bestaande Arabische gebruiken. Daardoor werd de Islam niet meer dan een versimpelde, verwaterde versie van het Christendom, géén universele religie, maar een aangepaste religie voor Arabieren, voor mensen die nog niet rijp waren voor het Christendom zelf. Mohammed was volgens geen echte profeet, want hij had geen wonderen verricht.. De Islam echter ziet de koran als een wonder. Mohammed was ongeletterd en het was ondenkbaar dat hij de "onnavolgbare stijl" waarin de koran geschreven is, zelf had bedacht. Die stijl was de mooiste die er bestond en kon alleen van God afkomstig zijn. De Bahira-legende was een reactie hierop: die stijl was gewoon afkomstig van een Christelijke monnik. Een ander wonder dat in de islamitische traditie wordt genoemd, is Mohammeds nachtelijke reis naar Jeruzalem. Hij zou in één nacht heen en weer gereisd zijn naar het het Heilige Land. In de Bahira legende wordt dit wonder, net als het wonder van de koran, gereduceerd tot een goedkope vorm van bedrog. Bahira vertelt Mohammed hoe Jeruzalem er uit ziet, waarna Mohammed kan vertellen over een wonderbaarlijke reis naar Jeruzalem. De legende zegt dus dat er niets goddelijks aan de koran of de islam is. Maar de Christenen erkennen wél dat er een goddelijk aandeel was in de macht van die de islam in het Midden-Oosten had gekregen. |
Chadidja was blij met zo'n goede kameeldrijver. En ze vond hem erg aardig. Dat zij erg rijk was en hij arm, kon haar niets schelen. En dat Mohammed wel vijftien jaar jonger was dan zijzelf, vond ze niet belangrijk. Daarom vroeg ze op een dag aan Mohammed of die met haar wilde trouwen. Mohammed was eerst helemaal verbouwereerd geweest, maar tenslotte had hij ja gezegd en toen waren ze getrouwd.
Steeds vaker ging Mohammed nadenken over wat God precies van de mensen wil. Hij ging dan soms in z'n eentje de bergen in om goed na te denken. Op een dag kwam hij opgewonden thuis. Hij had een engel gezien en die had hem gezegd dat er maar één god was: Allah. In de tijd van Mohammed werd de god Allah door vele Arabieren al vereerd als de schepper van hemel en aarde. Allah, Islam en Moslim zijn Arabische woorden. Iedereen, zo verkondigde de engel, moest alleen maar in deze éne god geloven. Vijfmaal per dag moesten zij voor hem bidden en de mensen moesten anders gaan leven: het moest afgelopen zijn met roven en bedriegen. Rijke mensen moeten een deel van hun bezit geven aan de armen. Ieder mens moet, als hij gestorven is, zijn daden verantwoorden. Als je in je leven je best hebt gedaan, kom je in de hemel terecht. Maar heb je dat niet gedaan, dan kom je in de hel. Hij, Mohammed, moest de boodschapper van Allah zijn en de mensen in de wereld dit allemaal vertellen. Dat deed Mohammed. Hij ging naar de markt en vertelde wat hij had beleefd en gehoord. Een paar mensen wilden wel naar hem luisteren, maar anderen vonden hem een onruststoker. |
Mohammed kreeg vooral veel aanhang onder de mensen die arm waren of slaaf. De boodschap die Mohammed hen bracht, was voor hen de enige hoop op een voor hen betere toekomst. Al spoedig werd het de machthebbers van de stad Mekka duidelijk dat het hele bestaan van de stad werd bedreigd door een leer die het geloof in de goden van de Kaäba aan het wankelen bracht. De inwoners van Mekka hadden immers hun voornaamste bestaansbron in de jaarlijkse bedevaarten naar de tempel met de daaraan verbonden jaarmarkten. Een andere bron van inkomsten dan de handel was er niet in het waterarme, onvruchtbare dal, waarin de stad lag. Mensen die rijk waren zagen in Mohammed een bedreiging. |
![]() |
![]() |
Als hij erin zou slagen om veel mensen voor zich te winnen, dan zou hij wel eens de baas kunnen worden in de stad. Dan was het gedaan met hun bevoorrechte leventje. Er waren in Mekka ook mensen, die aan de pelgrims die in de stad kwamen om Zwarte Steen en de Godenbeelden in de Kaäba te vereren, hun brood verdienden. Ook die mensen zagen in Mohammed een bedreiging. Al deze mensen weigerden naar Mohammed te luisteren en begon-nen hem uit te maken voor een dromer, een krankzinnige dichter en een leugenaar. Enkele volgelingen van Mohammed werden afgeranseld. Sommigen van hen werden zelfs gestenigd en gedood.
Op den duur werd het voor Mohammed in de stad zo gevaarlijk, dat hij uitweek naar Jathrib, (622), een stad 350 kilometer ten noorden van Mekka. (Na de komst van Islam werd deze naam veranderd in Medinat-an-Nabi, "de stad van de Profeet", later vereenvoudigd tot "Medina" (= stad). Links: Mohammed arriveert in Medina |
Hard trad Mohammed op tegen allen die zich tegen de Islam keerden. Uit wraak voor hulp aan het leger uit Mekka, werden 600 Joodse mannen onthoofd en hun vrouwen en kinderen tot slaven gemaakt. Mohammed hield zijn volgelingen voor, dat zij slechts één taak hadden in hun leven: te strijden voor de Islam. Onderlinge ruzies deden de zaak geen goed. Daardoor verzwakten de Arabieren zich alleen maar. Daarom riep Mohammed de Arabische stammen op om hun oude veten bij te leggen. In het jaar 630 marcheerde onder aanvoering van Mohammed een leger van 10.000 man naar Mekka. De stad verweerd zich nauwelijks. Nadat de volgelingen van Mohammed zich van de stad hadden meester gemaakt werd de Kaäba "gereinigd". De afgodsbeelden van de goden werden omvergehaald. Verder werd bepaald dat niemand, behalve Moslims, de stad mocht binnengaan. Aan het eind van zijn leven hadden vrijwel alle Arabische stammen Mohammed gehuldigd. Zij betaalden hem schatting (tienden) en hadden zich verplicht hem in de oorlog bij te staan. laatst bijgewerkt: 12-06-02 |