4401 |
Midden-Oosten (500 - 661) |
|
![]() |
![]() |
Mohammeds aanhangers trokken over het hele Arabische schiereiland, om de Arabische stammen over te halen zich aan te sluiten. Jemen, dat eerst Perzisch was geweest, onderwierp zich eveneens aan de Profeet van de Islam. Arabië, dat nooit eerder onder één heerser had gestaan, was plotseling één machtige staat geworden, met één religie. Alle stammen gehoorzaamden de bevelen van één man, die zijn macht had ontvangen uit de handen van de god Allah zelf. In de naam van Allah verbood Mohammed de eeuwige stamtwisten om bronnen en weideplaatsen. Iedere stad kreeg nieuwe wetten, waaraan men moest gehoorzamen. Eén van die nieuwe wetten verbood het drinken van wijn of andere sterke dranken. Voor de vrije woestijnbewoners was de zwaarste verplichting wel het betalen van schatting aan de profeet. Daar stond tegenover dat de vooruitzichten op oorlogsbuit veel gunstiger waren dan ooit.
Na Mohammeds dood (632) braken onder een aantal Arabische stammen, die zich noodgedwongen aan hem hadden onderworpen, opstanden uit. Deze breidden zich snel uit. Zelfs de stad Medina werd er door bedreigd. Abdallah Abu (Aboe) Bakr (Bekr) (ca. 572 - 634), een vriend en trouwe bondgenoot van Mohammed (hij was één van de eersten die zich tot de islam bekeerde), werd vrijwel unaniem, maar in haast, gekozen tot eerste kalief (= "opvolger") van de moslimgemeenschap. Mohammeds neef en schoonzoon Ali was hierbij niet aanwezig, want hij was bij de dode. Aanhangers van Ali waren het niet met de aanwijzing van Aboe Bakr tot kalief eens. Deze onvrede groeide onder de opvolgers van Aboe Bakr en leidde na de dood van Ali tot de eerste afscheiding in de islam, namelijk van de partij van Ali (sji`at `Ali) of het Sjiisme. Het Soennisme bleef qua aantal volgelingen verreweg de grootste stroming. |
![]() |
Abu Bakr, wist de opstand rebellerende bedoeïenenstammen in Arabië door krachtig optreden snel te bedwingen en voegde daarmee het hele Arabische schiereiland bij het kalifaat. Zodra de opstand was gebroken, zorgde Abu Bakr ervoor dat de Arabieren hun strijdlust en hun zucht om op roof uit te gaan konden afreageren. De buurlanden van het Arabische schiereiland: het Byzantijnse en Parthische rijk lokten dit als het ware uit. Onder zijn leiding werden ook de eerste grote gebieden door de moslims veroverd: Syrië en Mesopotamië. In 634, twee jaar na Mohammeds dood, gaf Aboe Bakr de opdracht alle koranverzen die door Mohammed geopenbaard waren te verzamelen. Veel volgelingen van Mohammed kenden grote delen van de koran uit hun hoofd en veel was ook op perkament, boomschors en kamelenbot opgeschreven, maar er bestond nog geen geschreven standaardversie. Onder kalief Oethman werden deze verzamelde teksten in de juiste volgorde samengebundeld. Volgens moslims is de koran nog steeds authentiek, dat wil zeggen zoals geopenbaard aan de Profeet Mohammed. |
In de vruchtbare boog van Palestina, door Noord-Syrië tot aan de monding van de Eufraat en de Tigris waren, langs de grenzen van de destijds twee machtigste rijken: Perzië en het Byzantijnse Rijk, kleine Arabische rijkjes ontstaan. Beide landen drilden en betaalden de grens-Arabieren om als huurlingen voor hen te vechten. Maar als hun schatkisten leeg waren, hielden zij hun subsidies in en hieven zij zware belastingen van de Arabieren om hun oorlogen te betalen. Zowel in Syrië als in Egypte waren de Byzantijnen gehaat. De bevolking leefde daar onder zware belastingdruk en onverdraagzaamheid van de Byzantijnse bestuurders jegens de talrijke Christelijke sekten. Het Perzische rijk was door de vele oorlogen die het had gevoerd, volkomen in verval geraakt. De Perzen en Byzantijnen waren al eeuwenlang vijanden van elkaar. In het begin van de 7e eeuw hadden de Perzen een het hele Midden-Oosten veroverd, maar werden er vervolgens weer door de Byzantijnen uit verdreven. Zozeer waren de Perzen en Byzantijnen in deze strijd verwikkeld, dat zij het naderende gevaar niet zagen aankomen.
De Arabische Volksverhuizing (632-750) die door Abu Bakr in gang werd gezet, was niet aangewakkerd door louter godsdienstig fanatisme. Honger en belustheid op oorlogsbuit waren de voornaamste motieven. Abu Bakr maakt slechts enkel het begin ervan mee. In een gelijktijdige oorlog tegen de Perzen en de Byzantijnen, veroverden de vurige strijders voor de Islam grote gebieden in het Midden-Oosten. De onderdrukte Arabieren zagen de Moslims meer als bevrijders dan als veroveraars en sloten zich dan ook snel bij hen aan om hun vroegere heren te bestrijden. Christenen en Joden mochten hun eigen geloof behouden, maar werden verplicht om een speciale belasting te betalen. De geniaalste, onverschrokkenste, maar ook de wreedste aanvoerder van de Moslimstrijders was Khalid. Hij had de bijnaam "het Zwaard van de Islam". Zijn tactiek in de strijd was: de vijand in de woestijn plotseling aanvallen, eventueel snel terugtrekken en opnieuw aanvallen. De grootste kracht van de Moslimstrijders was de snelle aanval van soldaten te paard. Khalid begon met de verovering van het oude land tussen Eufraat en Tigris en trok vervolgens ten strijde tegen de Perzen. Al spoedig was het lot van het Perzische rijk beslist. In een grote veldslag overwonnen de Arabieren een tweemaal zo sterk leger. Daarna viel de Perzische hoofdstad met haar enorme schatten in handen van de woestijnbewoners. Intussen veroverden de Arabieren door een aantal overwinningen in combinatie met verraad van de kant van de bewoners, Syrië en een groot deel van Palestina. Damascus werd na haar inname in 635, niet, zoals gebruikelijk, geplunderd en vervolgens in de as gelegd. De bewoners van de stad hoefden ook niet bang te zijn dat zij van al hun bezittingen werden beroofd en dat zij als slaven werden weggevoerd. De enige plicht die de mensen uit Damascus hadden was erkennen van de nieuwe Moslimheerschappij en het betalen van belasting. De moslims waren niet direct uit op bekering tot de islam, maar lieten de andere gelovigen ('Mensen van het boek') veelal in hun waarde. Christenen en Joden mochten hun eigen geloof behouden, maar werden verplicht een speciale belasting te betalen. In de door de Moslims veroverde gebieden zag de vroeger zwaar onderdrukte bevolking de Moslims als bevrijders en niet als veroveraars en vaak sloten zij zich bij hen aan om hun vroegere heren te bestrijden. De Byzantijnen werden door de bevolking gehaat omdat zij moesten leven onder zware belastingdruk en onverdraagzaamheid van de Byzantijnse bestuurders jegens de talrijke Christelijke sekten. De mensen die in de veroverde gebieden woonden waren vaak veel beter af dan onder hun vroegere overheersers. Mensen, die geen verzet hadden gepleegd, mochten hun bezittingen behouden. Land en bezittingen van mensen die zich wél hadden verzet, werden als oorlogsbuit in beslag genomen. De Moslims lieten echter het liefst de mensen op hun eigen stukje grond wonen. Die mensen konden belastingen betalen om de veroveringen te kunnen betalen en hun akkers en weiden leverden voedsel om de soldaten te voeden. In de veroverde gebieden bouwden de Arabieren overal militaire versterkingen, die werden bemand met goed betaalde beroepssoldaten en hun gezinnen. Rondom verscheidene van die militaire kolonies ontstonden na verloop van tijd belangrijke steden. De meeste bewoners van de veroverde gebieden bekeerden zich binnen twee generaties tot de Islam, maar in de eerste jaren werd de Islam niet opgedrongen. Het Arabisch, de taal van de Koran werd de lingua franca van het Midden Oosten. Het geloof in één leider of kalief, zowel wereldlijk als religieus, leidde tot verschillende kalifaten of rijken. In deze tijd verklaarden de Arabische moslims de oemma, één land voor alle moslims, als (religieus) ideaal te zien. Maar al gauw kwamen er scheuren in het verenigde Midden-Oosten. In het oosten werd Perzië weer snel onafhankelijk. Met de dood van kalief Ali nabij de stad Koefa in 634 trad een definitieve scheuring op binnen de Islam; het soennisme en het sjiisme ontstonden. Het rijk werd verscheurd door onenigheid, opstanden en burgeroorlogen, die gepaard gingen met veel bloedvergieten en geweld. Syrië scheidde zich af en werd een vrijwel onafhankelijke staat. Kalief Omar (634- 644) Abu Bakr werd opgevolgd door de soenitische kalief Omar (634- 644). Hij vestigde zijn heerschappij op het gehele Arabische schiereiland, sloeg het laatste verzet in Syrië neer. Niet alleen aangewakkerd door godsdienstig fanatisme, maar ook honger en belustheid op oorlogsbuit trokken de vurige strijders voor de Islam trok Omar in een gelijktijdige ten strijde tegen de Perzen en de Byzantijnen. In 634 werd Palestina met de stad Jeruzalem veroverd. in 637, Mesopotamië, in 640 Egypte en Syrië met de stad Damascus en in 642 het inmiddels bijna geheel christelijke rijk der Sassaniden door de inname van Ctesiphon. In het noorden werden de Moslims tegengehouden door de Chazaren. Vervolgens verwoestten de legers van Omar het Nieuw-Perzische rijk en het inmiddels bijna geheel christelijke rijk der Sassaniden, stichtte de handelsstad Basra aan Sjat-el-Arab, veroverden met geweld het gehele, intussen christelijke, Egypte waar het monnikendom was ontstaan. Zij veroverden en verwoestten daar de christelijke cultuurmetropool Alexandrië (641) en stichtten de nieuwe hoofdstad Cairo. Dat hij in 637 “zonder strijd” Jeruzalem innam, verandert niets aan het feit, dat daarna de daar wonende christenen tot tweederangs burgers werden gedegradeerd. Misschien ontstond met de islamitische verovering van Jeruzalem, misschien ook pas later, het verhaal van de ‘hemelvaart’ van Mohammed aldaar. Tijdens zijn leven was Mohammed beslist en zeker in de heilige stad na zijn uitroeping tot ‘profeet’. In 691 of 692 bezocht Omar de Tempelberg, waar later de Rotskoepel werd gebouwd. Osman (644-656) Op Omar volgde Othman ofwel Osman (644-656), die systematisch vanuit Cairo te vuur en te zwaard heel Noord-Afrika onderwierp, dat is het gehele christelijk-Romeinse cultuurgebied, inclusief de verovering en verwoesting van Carthago. Dit grote gebied begon onder de mohammedaanse terreur eerst weinig, dan geleidelijk meer en meer in een woestijn te veranderen, zoals nu bijna overal waar moslims wonen woestijn is ontstaan. Osman wilde het gehele Middellandse Zeegebied veroveren. Hij begon met de steden Tripolis, Cyprus en Rhodos, maar werd bij een opstand in Medina verslagen. |
![]() |
Ali (656 - 661)
In 656 volgde Ali, de schoonzoon van Mohammed, hem op als kalief. Vanuit Syrië trok Muawija tegen hem op, die het kalifaat voor zich opeiste. Het kwam tot een bloedige burgeroorlog, waarvan vooral Christenen het slachtoffer werden. Ali werd in 661 vermoord. De Omayaden, genoemd naar een verwant van de ‘profeet’ Omaya, veroverden het kalifaat. De eerste kalief uit deze nieuwe stam was Muawija. Links: donkergroen: het rijk van de Islam bij de dood van Mohammed in 632, Iets donkerder groen de veroveringen tijdens de eerste vier kaliefen, donkergroen de veroveringen door de Omayyaden tot 715. |
laatst bijgewerkt: 13-04-06 |