3294

Lage Landen (880 - 900)

Lage landen 850 - 880; Oost Francië (870 - 887); Oost-Francië (887 - 900)
In 880 trok een leger Denen door het zuidelijke deel van de lage landen, waarbij Maastricht, Tongeren en Luik in brand werden gestoken en  Deventer werd geplunderd. De palts van Nijmegen werd door de Denen na hun vertrek in brand gestoken. Vanuit de koninklijke vroonhoeve Asselt maakten de Denen het hele gebied rond de Maas onveilig. 

Na de mislukte veroveringstocht van Lotharingen door de West-frankische koningen Karel de Kale (876) en Lodewijk lll (879) werd het vroegere koninkrijk Lotharingen bij het verdrag van Ribemont (880) volledig aan Lodewijk lll van Saksen overgedragen. Voor de Lage Landen had deze deling weinig betekenis. Als gevolg van de invallen van de Noormannen had het centrale gezag veel van zijn betekenis verloren. 

In de winter van 880 pleegden Deense Vikingen in het noorden van Duitsland een inval. Op 2 februari trok hertog Brun van Saksen met zijn vazallen tegen de Vikingen ten strijde, maar het gewapende treffen liep uit op een drama. In een wilde slachtpartij bij Ebbekesdorp, bij Hamburg, kwamen vele Saksen om. Elf graven en achttien edele vazallen sneuvelden, waaronder aanvoerder Brun van Saksen en waarschijnlijk ook Meginhard II, de graaf van Hamaland (861-880). In hetzelfde jaar (880) voeren de drakenboten van Godfrid "de Deen" de Rijn op en brandschatten zijn troepen de handelswijk Birthen, aan de Rijn bij Xanten. Het is mogelijk dat Meginhard II bij deze brandschatting sneuvelde. Birthen ligt tenslotte vlakbij Hamaland. 


Het idee dat de heidense Viking er verbleef deed de middeleeuwse wereld op zijn grondvesten schudden. Tot overmaat van ramp richtte Godfrid er zijn winterkwartier in met de bedoeling om nog lang in Lotharingen te blijven...

links: de keizerlijke palts te Nijmegen

In 881 viel Lodewijk III "de Jongere" de palts, het winterkwartier van Godfrid "de Noorman", in Nijmegen aan, maar deze wachtte de strijd niet af en maakte zich met zijn Vikingen uit de voeten. In 882 plunderde Siegfrid de IJsselsteden Zutphen en Deventer.

Door dit schrikbewind wist Godfrid in hetzelfde jaar een overeenkomst te sluiten met Karel III de Dikke, die in 882 Lodewijk lll van Saksen was opgevolgd. In zijn poging de Noormannen te stuiten beleende hij in 882 Godfrid met de door de dood van Rorik (na 873) vrijgekomen graafschappen. Godfrid zou zich laten dopen en als dank mocht hij dan trouwen met Karel III's achternichtje Gisela, de dochter van de inmiddels overleden koning Lothar II. Bovendien mocht hij zich Hertog van Friesland noemen. Godfrids macht was zo groot geworden dat hij in bronnen soms "rex" (koning) van Friesland werd genoemd. Maar hiermee was Godfrid nog niet tevreden: onderwijl sloot hij een monsterverbond met Hugo ll, hertog Elzas, de bastaardzoon van  Lothar II (855 - 869) van Lotharingen, die het koninkrijk Lotharingen opeiste als zijn rechtmatig erfdeel. Dit complot werd echter verijdeld doordat Godfrid in 885 samen met zijn mannen in Spijk werd vermoord door Eberhard, die daarmee wraak nam op de dood van zijn vader. Na de succesvolle aanslag (z. Hamaland) keerde de rust in het Nederrijnse gebied terug. Het zou bijna honderd jaar duren eer Vikingen opnieuw de Rijn zouden opvaren.

Koning Karel III de Dikke had de uit Friesland afkomstige graaf Gerulf II benaderd Gotfrid onder valse voorwendselen naar de onderhandelingstafel telokken en hem daarvoor als beloning een graafschap in Gotfrids gebied in het vooruitzicht gesteld. Zijn opvolger  Arnulf van Karinthië (887-899) hield zich aan die belofte en in 889 kreeg Gerulf de hem beloofde landgoederen die hij toen al onder zich had, in eigendom (één landgoed in Teisterband, het gebied aan weerszijden van de Waal met Teole (Tiel) als centrum en een tweede gelegen tussen de monding van de Oude Rijn en een grensafbakening die Suithardeshaga werd genoemd en vermoedelijk was gelegen bij Bennebroek. Waarschijnlijk ging het hier om het graafschap Kennemerland (of Kinheim), dat Godfried vanaf 882 in bezit had. Verder kreeg Gerulf een aantal goederen in volle eigendom. Daarbij ging het om een stuk bos en een bouwakker binnen zijn graafschap, ergens gelegen tussen de monding van de Oude Rijn en (vermoedelijk) Bennebroek. Gerulf ll stamde uit een oud adellijk geslacht dat terug ging tot Aldgillus l (ca 623-ca. 680). Gerulf ll overleed omstreeks 896. 

 

Dat deze niet werden geërfd door Waldger, die in veel geschiedenisboeken wordt genoemd als Gerulfs oudste zoon, kan worden verklaard doordat deze Waldger zeer waarschijnlijk niet Gerulfs oudste zoon, maar een pleegzoon was. Walgers echte vader was, Radboud V (ca. 848-874). Deze was heer van Neder-Friesland en samen met Raginer, de hertog van Hasbain en Henegouwen had hij gestreden tegen de Noormannen en was in deze strijd in 874 gesneuveld. Zijn toen eenjarig zoontje Walger werd daarna geadopteerd door zijn zwager Gerulf ll, die tegelijk als voogd de bezittingen in Teisterband beheerde die Waldger van zijn vader had geërfd. Deze bezittingen bestonden uit een aantal hoeven en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch. Deze goederen kwamen na de dood van Gerulf ll in het bezit van Waldger. Dirk, de jongere broer van Waldger, erfde het grafelijke gezag over Kennemerland, Rijnland en mogelijk nog andere delen van het latere graafschap Holland, waarschijnlijk omdat Gerulf kinderloos was gestorven. Volgens de overlevering stichtte Walger aan het eind van de 9e eeuw in Tiel een klooster, mogelijk voor het zielenheil van zijn vader en als begraafplaats voor zijn ouders, zichzelf en zijn nakomelingen. Walger overleed in 936.

Gardulf, een broer, oom of neef van Gerulf, die ook een aandeel had in het verraad van Gotfrid de Deen ontving het graafschap Sudergo en half Urk

Eberhard kreeg hij van keizer Arnulf de titel "dux Frisia", een titel die hij van Godfried "de Noorman" overnam. Dux dient letterlijk vertaald te worden als legeraanvoerder en niet in de latere betekenis van een adellijke rang. Om het hertogelijke ambt inhoud te kunnen geven kreeg Eberhard waarschijnlijk ook enkele goederen toegewezen, die over heel Friesland lagen verspreid. Zonder economische basis kon ook in de Middeleeuwen geen ambt bestaan. Als opvolger van Gotfrid "de Deen" werd Eberhard belast met de verdediging van het noordoostelijke kust van het Duitse rijk en moest hij het gebied beschermen tegen invallen van de Noormannen. 

Eberhard nam de verdediging van het rijk serieus. Het was hem duidelijk dat hij geen snelle keizerlijke hulp hoefde te verwachten tegen de Vikingen wanneer dat nodig zou zijn, de brute plundering van Zutphen was daarvan een duidelijk bewijs geweest. Daarom liet Eberhard vrijwel meteen na de aanslag op Gotfrid in heel Friesland en in zijn eigen graafschap ringburchten aanleggen, waar de lokale bevolking met hun levende have in tijden van nood hun toevlucht kon zoeken. Mogelijk werden de oude walburgen Duno (bij Arnhem) en Hunnenschans (Uddel) door Eberhard versterkt. In ieder geval verscheen er een nieuwe walburcht bij Zutphen en werd ook de handelswijk Deventer door hem omwald.
In Friesland was Eberhard waarschijnlijk de oprichter van de burchten Oostburg, Souburg, Domburg, Middelburg, Burg-Haamstede, Rijnsburg en Den Burg, allen vanaf 880 opgericht. Ook de Hunenborg (Oldenzaal) wordt rond deze tijd opgericht, maar of dit onder bevel van Eberhard werd gedaan is niet zeker..In de praktijk bleek het eigen verdedigingssysteem goed te werken, want het aantal Vikinginvallen verminderde drastisch. Blijkbaar waren Vikingen de belegerkunst niet machtig.

In 891 werden de Denen bij Leuven door Arnulf van Karinthië, definitief verslagen. Eberhards status werd vooral door graaf Waldger III van Teisterbant met jaloezie bekeken. Hij was de zoon van Radboud V van Neder-Friesland, en graaf Gerulf van Kennemerland was zijn pleegvader. Waldger III stamde af van een geslacht dat al eeuwenlang in Friesland gevestigd was en hij had mogelijk Fries koninklijk bloed in zijn aderen. Hij had lijdzaam moeten toezien dat een "buitenlander" de belangrijkste baan in zijn vaderland had gekregen. En dat voor een daad die voor een groot deel op conto van zijn familie moest worden bijgeschreven. Toen bisschop Odilbald van Utrecht (866/70-899) zich na enkele omzwervingen op aanraden van keizer Arnulf van Karinthië in Deventer vestigde, was dat Waldger III opnieuw een doorn in het oog. Een dergelijk prestieus instituut had Waldger III liever in de oorspronkelijke omgeving van Nifterlake (Utrecht), onder zijn eigen invloed. Het advies van keizer Arnulf was niet zo vreemd als de recente versterking van Deventer in acht wordt genomen. Waldger III wilde dat de bisschopszetel naar Utrecht terugkwam, maar vond Eberhard op zijn pad. Eberhard was fel tegen hervestiging in Utrecht en wist deze verhuizing te voorkomen. Waldger III voelde zich opnieuw door Eberhard gedwarsboomd en was woest. Hij zag nog maar een oplossing: Eberhard door moord uit de weg ruimen. Die kans greep Waldger aan in 898 toen hij Eberhard vergezelde tijdens een jachtpartij. Eberhard had waarschijnlijk geen enkel vermoeden dat Waldger III een wrok tegen hem koesterde, anders was hij nooit met hem uit jagen gegaan.

De moord op Eberhard bleef vreemd genoeg onbestraft, want er volgden geen sancties van de pas gekroonde koning van Lotharingen Zwentibold, de bastaardzoon van Arnulf van Karinthië (895-900), terwijl het misdrijf niet mis was. Blijkbaar had Waldger III met Reginar (Reinier) I , bijgenaamd "Langhals" een machtige beschermer in Lotharingen, die hem vrijwaarde van strafvervolging. Bovendien was Waldger III een achterneef van Waldrada, de echtgenote van Lotharius II, koning van Lotharingen (855- 869). Als opvolger van Eberhard benoemde keizer Arnulf diens broer, Meginhard III, als hertog van Friesland, waarmee de zaak was afgedaan. 

Zwentibold regeerde sinds 895 als koning over het koninkrijk Lotharingen, dat in 880 volgens het verdrag van Ribemont aan Oost-Francië was overgedragen. Arnulf van Karinthië beschouwde dit gebied blijkbaar nog als verschillend van zijn overige landen. Zwentibolds heerschappij werd door de Lotharingse graven betwist. Hij zou een slecht staatsman, ongeremd en wreed zijn. Lotharingen lag na invallen van de Noormannen in puin. Zwentibold probeerde het rijk met hulp van de kerk en de plaatselijke adel weer op te bouwen, maar zou veel tegenwerking krijgen van zijn tegenstanders. 

Al direct na zijn aanstelling kreeg Zwentibold te maken met een inval van Karel III 'de Eenvoudige' (893 - 923) van West-Francië omdat hij Odo (Eudes), de graaf van Parijs had gesteund toen deze in opstand kwam tegen de West-Frankische koning, wat overigens niet in zijn opzet slaagde. 

Zwentibold maakte twee belangrijke fouten: In 896 confisqueerde hij de graafschappen van de broers Matfried (IV) en Gerhard van Gulikgouw en twee jaar later in 898, toen hij Gerhard weer in zijn eer wilde herstellen en hij zijn machtigste leenman, Reginar (I), bijgenaamd 'Langhals', grootgrondbezitter en graaf van verscheidene gouwen in de Maasstreek, uit zijn raad zette. 

In 899 stierf keizer Arnulf van Karinthië en stond Zwentibold er helemaal alleen voor en strijd verhevigde zich. Ook de nieuwe keizer Lodewijk III de Blinde keerde zich tegen hem en de adel steunde Arnulfs zoon Lodewijk het Kind en kroonden hem in 900 te Forchheim tot koning. De Lotharingse prinsen haalden hem het land binnen en huldigden hem in maart in de palts Diedenhofen. In een veldslag aan de Maas bij Susteren (900) werd Zwentibold door Matfried (IV) en Gerhard (I) van Gulikgouw, die niet vergeten waren wat hen in 896 was aangedaan, vermoord. Zwentibold werd begraven in de abdij van Echternach.

 

  Lage landen (900-1000)

Laatst gewijzigd: 15-12-07

colofon