5403

Lage Landen (850 - 880)

Lage landen 800 - 850; Midden-Francië (843 - 855); Lotharingen (855 - 870); Oost-Francië (870 - 887)


In de tweede helft van de 9e eeuw kwam door de invallen van Noormannen de handel op de Noordzee nagenoeg stil te liggen. In 857 werd Dorestad tijdens de afwezigheid van de Noormannenaanvoerder Rorik door Deense plunderaars volledig in de as gelegd en bleef meer dan 60 jaar een ruïne. 

Bisschop Hungerus (Hunger) van Utrecht, (854 - 866) slaagde er aanvankelijk merkwaardig genoeg in goede betrekkingen met de Noormannen te onderhouden. Door zijn toedoen liet de Vikinghoofdman Rorik, die in 841 van keizer Lotharius het leenheerschap had verkregen, zich in 862 zelfs dopen.

H. Jeroen van Noordwijk

In 856 werd het vissersdop Northgo (Noordwijk) door de Noormannen overvallen. Nadat zij het dorp en het kerkje hadden leeggeroofd werd de Schotse pastoor Jeroen (Hieron, Jeron), die geweigerd had aan de goden van Noormannen offers te brengen met zwaar mishandeld en tenslotte onthoofd. Zijn stoffelijke resten, die in 955 na een verschijning van de heilige Jeroen aan de boer Northbodo, werden teruggevonden, werden op last van graaf Dirk II van Holland in overleg met bisschop Folcmar van Utrecht tussen 983 en 988 opgegraven en naar het klooster van Egmond gebracht. 

Egmond werd dankzij deze translatie de plaats waar de heiligen die in Holland waren gestorven (Adalbert en Jeroen), hun laatste rustplaats vonden. Noordwijk hield zijn heilige pastoor in ere. Rond 980 werd een Romaanse kapel ter ere van hem gebouwd. Deze kapel werd al gauw een bedevaartsoord. In 1303 bouwde men op de plek van deze kapel een grote stenen kerk, de voorloper van de huidige St. Jeroenskerk. In 1429 werd Noordwijk officieel een bedevaartsoord. De relieken van de martelaar zijn in de abdijkerk van Egmond en in Noordwijk bewaard gebleven tot aan de troebelen van de protestantse tijd. Bij de verwoesting van de abdij van Egmond door de troepen van Sonoy werden de relikwieën nog inderhaast gered, maar het hoofd ging verloren. De relikwieën werden met vele andere overgebracht naar Keulen, later naar Haarlem. In 1892 werden de relieken van St. Jeroen naar Noordwijk overgebracht.

± 863 werd Dorestad voor de zoveelste maal door de Noormannen geplunderd, maar in hetzelfde jaar werd de Denen bij Dokkum door de Friezen een zware nederlaag toegebracht en een jaar later (864) wist graaf Boudewijn met de IJzeren Arm in Vlaanderen een grote aanval van de Denen af te slaan. Maar van de Deense plunderingen waren de bewoners van de lage landen echter nog niet af. In hetzelfde jaar (864) kwamen de Friezen tegen Rorik  in opstand  wisten hem daarbij te verjagen, maar Lotharius ll herstelde hem in zijn functie. Na de plundering in 863 werd Dorestad niet meer heropgebouwd. Andere nederzettingen zoals Deventer, Tiel en Stavoren zouden Dorestads functie overnemen.  

Op Wieringen werden in 1996 drie zilverschatten uit de 9e eeuw gevonden. Het betrof hier schatvondsten met een duidelijk Vikingen-signatuur, de eerste van die soort in Nederland. 
De eerste schat bevat 6 complete massieve zilveren armbanden, een armring, riembeslag, muntsieraden, 16 zilverbaren, 79 Kaolingische munten en fragmenten van een sluiting van een fibula (mantelspeld). Deze vondst was verborgen in een Badorf pot. De tweede schat - bestaande uit 165 ongemunt zilver, Kalolingische en Arabische munten - was vermoedelijk eveneens in een aardewerk pot van het Badorf type, waarvan scherven zijn aangetroffen. Datering ca. midden 9e eeuw. De derde schat betrof opnieuw Arabische en Karolingische munten en fragmenten van sieraden.

Wieringen bezat in de Vroege Middeleeuwen een aantal grotere boerderijen, die eigendom waren van de koning en van diverse kerken en kloosters. De boeren waren verplicht om een tiende deel van de opbrengst van het land en van het jonggeboren vee (de zogenaamde tienden) af te staan aan de leenheer. De inning van de tienden (een soort belasting in natura dus) maakte Wieringen tot een van de wingewesten van Rorik, hoewel men zich van dat economisch profijt geen grootse voorstelling moet maken. Hoe dan ook zal Rorik, om de inning van de belastingen goed te laten verlopen, en ook om op andere manieren controle uit te oefenen, een deel van zijn manschappen hebben moeten uitzenden naar Wieringen. Het wordt dan ook waarschijnlijk geacht dat de zilverschat van Wieringen heeft toebehoord aan een Deen die zich in het gevolg van Rorik heeft bevonden. Dat hij de schat begraven heeft maakt duidelijk dat hij zich hier voor langere tijd gevestigd heeft.
Verdrag van Meerssen (870)
Misschien had uit het gebied van Lothar ll een afzonderlijke staat kunnen groeien, als hij niet zonder wettige kinderen zou zijn gestorven. Nu werd na zijn dood in 869 zijn gebied bij het verdrag van Meersen in 870 verdeeld tussen zijn beide ooms, de Oost-Frankische koning Lodewijk ll de Duitser (840-876) en de West-Frankische koning Karel ll de Kale (840-877). De Maas en Ourthe golden ruwweg als grens. Alles wat ten oosten en ten noorden daarvan lag kwam aan Lodewijk de Duitser, de rest aan de Karel ll de Kale
Rorik keerde voor korte tijd terug naar Denemarken en ontpopte zich tot een groot staatsman. Hij sloot een verbond met Karel de Kale, koning van het West-Frankische rijk en wist tegelijkertijd goede contacten op te bouwen met Lodewijk de Duitser van het Oost-Frankische rijk.

In 870 keerde hij weer terug naar Frisia, machtiger dan ooit te voren en als officieel vazal van Karel de Kale. Om meer politieke dan religieuze redenen was hij ondertussen bovendien tot het christendom bekeerd (862). 

Op de litho van Willem Steelink uit 1892 ontvangt Karel de Kale in 870 de Noorman Rorik in Nijmegen.

\

Rorik en andere Noordse leenmannen van de Franken konden de invallen van hun landgenoten echter niet voorkomen. Na 873 horen we niets meer van Rorik. 

In 879 kwamen de Noormannen terug en onder leiding van hun aanvoerder Godfrid "de Deen" plunderden zij de Vlaamse en Noordfranse kusten, waarbij zij weinig tegenstand ontmoetten. De gevreesde vikinghoofdman was een een neef van Rorik, maar dit weerhield Godfrid er niet van Friesland te teisteren met zijn roofzuchtige troepen. Godfrids ambities reikten verder dan die van zijn neef. Hij wist ook beter dan zijn voorganger de keizerlijke (half-)broers tegen elkaar uit te spelen. 

  Lage landen (880 - 900)

laatst bijgewerkt: 22-12-03

colofon