2405

Lage Landen (900 - 1000)

 Lage landen 880 - 900; Heilige Roomse Rijk (870 - 1200)

Koning Zwentibold van Lotharingen, die in 900 was vermoord in de slag bij Susteren werd opgevolgd door Lodewijk III, koning van Provence, die ook werd uitgeroepen tot koning van Duitsland en in 901 tot keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Lodewijk lV het Kind, de enige wettige erfgenaam van zijn in 899 overleden vader, keizer Arnulf van Karinthië werd toen koning van Duitsland. Hij was echter nog een kind (hij was pas 7 jaar), was vaak ziek en lichamelijk zwak en had dan ook geen enkel gezag. Hij kon dan ook geen enkele weerstand bieden aan de invallen van de Magyaren die zijn rijk teisterden. Toen hij in 911 overleed hield het koninkrijk Lotharingen op te bestaan als zelfstandig koninkrijk "gedegradeerd" tot hertogdom Lotharingen. Het ging wisselend op in het West-Frankische Rijk of Heilige Roomse Rijk.

Links: Oost-Francië sinds 888 volgens het verdrag van Ribemont.

Met de dood van Lodewijk het Kind was er ook een eind gekomen aan het Karolingische Huis. Een bloedverwant van de laatste Karolinger, hertog Koenraad (Konrad) van Franken, afkomstig van een Saksisch huis, werd de eerstgekozen Duitse koning (911-919). Reinier Langhals en andere machtige heren in de zuidelijke Lage Landen wendden zich tot Karel de Eenvoudige (898 -923, koning van West-Francië en beloofden hem als koning te erkennen. Reinier kreeg de titel van markgraaf en was nu de machtigste man in deze streken. De zonen van Reinier, die in 915 overleed, Giselbert en Reinier (Reginar) ll hebben misschien naar een nog hogere titel gestreefd. 

Aan het eind van de 9e eeuw was er, dankzij expedities van keizer Arnulf van Karinthië gelukkig vrijwel een eind gekomen aan de invallen en plunderingen van de Noormannen. Nu de rust goeddeels was weergekeerd, konden de boeren en vissers in de lage landen zich weer meer gaan bezighouden met de dagelijkse dingen van het het leven, zoals het werken op de akkers en het weiden van het vee. Er was echter één groot verschil met vroeger: in het verleden haalden Friese schippers het broodnodige koren uit de landen aan de Rijn. Maar deze eens zo bloeiende handel was door de invallen van de Noormannen nagenoeg verdwenen en ook geld was er nauwelijks meer in omloop. Doordat ook de bevolking langzaam weer wat in omvang toenam, ontstond er een gebrek aan graan en ander voedsel. Er bleef maar één mogelijkheid over: zelf graan gaan verbouwen. Maar akkers en weiden waren er niet genoeg. Op de drassige veen- en op kleigronden die de helft van het jaar onder water stonden, was geen graan te verbouwen. In Friesland werden de terpen verder opgehoogd om op de hellingen wat meer graan te kunnen verbouwen. In het kustgebied hoogden de boeren de kanten van hun weilanden en zelfs de bermen van de wegen op met grond en zaaien daar wat haver. 

Een opstand van de Franse groten tegen Karel lll bracht in 922-923 Robert op de troon. Karel lll werd gevangen gezet. Toen in 923 Robert sneuvelde in de slag bij Soissons, werd hij opgevolgd door zijn schoonzoon Rudolf van Bourgondië (923-936) maar al gauw barstte er een strijd los tussen de nieuwe Franse koning en de Duitse koning Hendrik l van Saksen (919 - 936). Deze maakte in 925 van de anarchie in Frankrijk gebruik om Lotharingen met wapengeweld weer bij zijn rijk in te lijven. Daardoor werd de Schelde definitief de grens tussen het Duitse rijk en Frankrijk. Het zou zeker tot 1648, althans in naam, deel blijven uitmaken van het Duitse rijk. Lotharingen gold wel als een apart geheel, met een eigen kanselier te Trier. Van een Lotharings saamhorigheidsbesef is toen, noch later ooit sprake geweest. 

Giselbert werd door Hendrik van Saksen verheven tot hertog van Lotharingen en uitgehuwelijkt aan zijn dochter Gerberga. Reinier ll werd graaf van Henegouwen. Veel meer dan een bundel rechten en wat wijd verspreid grondbezit hadden zij niet. Een goed voorbeeld van zo'n bundel rechten levert de Utrechtse goederenlijst, die was opgesteld door bisschop Balderik (918-976), toen hij uit Deventer was teruggekeerd in zijn residentie Utrecht (918). Deze behelsde "400 boerderijen, veertig dorpen, geheel of gedeeltelijk, het vijfde deel van de gouw Germepi, het derde deel van de gouw Tessel en tenslotte vele rechten, zoals het visrecht in bepaalde wateren, rechten op koninklijke tienden en op straatvondst."  Reinier ll overleed in 931. 

Hendrik van Saksen had alleen in naam het oppergezag over het hertogdom Lotharingen. Zijn zoon Otto l, die hem na zijn dood in 936 was opvolgd, wenste zijn gezag te laten gelden over hele Duitse rijk. Dit was niet naar de zin van Giselbert en de andere Lotharingse heren. Zodra de koning door een opstand zijn handen vol had, kwamen zij tegen hem in opstand. Zij erkenden Lodewijk lV van Overzee (ca. 936-954), de Karolingische heerser van West-Frankenland als leenheer. 

In de slag van Andernach aan de Rijn (939) werden Giselbert en zijn bondgenoten verslagen. Giselbert zelf verdronk bij zijn vlucht in de Rijn. Lotharingen was nu opnieuw onder gezag gekomen van de Duitse keizer. Otto l besloot de zaken nu anders te gaan aanpakken. Hij stelde sterke familieleden tot hertog van Lotharingen aan. Eerst kreeg zijn broer Hendrik een kans. Maar dit was geen succes. Hij werd door de Lotharingers verdreven. In 944 stelde Otto zijn schoonzoon Koenraad de Rode, die geen enkele betrekking had met deze streken aan als hertog. In 953 kwam deze echter zelf in opstand tegen zijn koning. Maar de Lotharingers volgden hem niet. 

Reinier lll, een neef van Giselbert, keerde zich tegen Koenraad, niet omdat hij koning Otto trouw wilde blijven, maar omdat hij hoopte daardoor zijn familiebezittingen terug te krijgen. Koning Otto besloot toen om zijn jongste broer Brun te bekleden met de functie van aartsbisschop van Keulen en tegelijkertijd met de hertogelijke waardigheid in Lotharingen. Ook kreeg Brun het gezag over de bisdommen van Luik en Kamerijk. Dit bleek en goede zet te zijn. Brun, die nu tot over Lotharingen zou regeren tot 965, onderhield goede betrekkingen met zijn oude leermeester bisschop Balderik van Utrecht, die van koning Otto vele voorrechten ontvangen had en slaagde erin Reinier lll te bedwingen en van zijn goederen te beroven. Na zijn dood in 965 werd Opper-Lotharingen onder een eigen hertog geplaatst. Neder-Lotaringen, waarvan de zuidgrens ruwweg samenviel met die van het tegenwoordige België - overigens volkomen toevallig - schijnt tot 977 geen eigen hertog te hebben gekregen. De Saksische koningen zouden hier voortaan hun invloed doen gevoelden via de bisschoppen.

Onder Otto ll (973-983), Otto lll  (983-1002) kregen de plaatselijke heren in de Lage landen wat meer armslag. De zonen van Reinier lll, Reinier lV en lambrecht kregen zelfs de kans terug te keren naar hun goederen. Reinier lV werd de stamvader van de graven van Henegouwen, Lambrecht, die graaf van Leuven werd, was de stamvader van de hertogen van Brabant. 

Tot hertog van Neder-Lotharingen benoemde Otto ll in 977 een Karolinger: Karel, de zoon van de Franse koning Lodewijk lV van Overzee. Die waardigheid had niet zoveel meer te betekenen, want het het rijksgezag steunde voortaan op de bisschoppen. Na de dood van bisschop Balderik werd Folcmar op de Utrechtse zetel benoemd. Hij was kanselier geweest van Otto ll en volkomen vertrouwd met de doeleinden van Otto's politiek en ook bereid die in zijn nieuwe functie te bevorderen. De keizer van zijn kant versterkte zijn machtspositie door hem verscheidene graafschappen en andere rechten te schenken, In Luik stelde Otto ll Notker aan als bisschop (972-1008). Hij geldt als de grondlegger van het vorstendom Luik en begeleidde driemaal de Duitse koning naar Italië. 

Na de dood van Karel (ca. 993) werd zijn zoon Otto hertog van Neder-Lotharingen.
Herhaaldelijk vertoefde de leden van het vorstenhuis nu ook in onze streken, met name op de palts te Nijmegen.

 

In de afgelopen eeuw hadden de plaatselijke potentaten in de Lage Landen van het machtsvacuüm na Lotharius II geprofiteerd en was het enorme graafschap Hamaland ontstaan. 

Een ander machtig man in de Lage Landen was graaf Ansfried, die graaf was van Brabant en in 985 de koninklijke bezitting Medemblik in bezit kreeg, dat een belangrijk centrum voor handelsverkeer was. Er waren koninklijke tienden en er was zelfs een een "munt": er werden dus munten geslagen. Ook was er een tolhuis. De tol, de munt en de cijns kreeg graaf Ansfried in leen van keizer Otto lll (983 - 1002). Tegelijkertijd schonk deze koning een andere graaf, Dirk ll (939 - 988) van Holland het gebied tussen de wateren Medemelacha en Chinnelosara. Dit stuk land, dat deze graaf tot nu toe van Otto lll in leen had, lag waarschijnlijk tussen de Middenleek, waaraan Medemblik zijn naam dankt en het riviertje Chinnelosare langs de grens van Kennemerland. Deze schenking vond twee maanden later plaats na de schenking aan graaf Ansfried (25 augustus 985). In 995 werd Ansfield tot bisschop van Utrecht gewijd. Daarmee verwierf de kerk alle rechten in Medemblik. 

Ansfried was gehuwd met Hilsondis of Hereswint, gravin van Strijen. Samen met zijn vrouw stichtte Ansfried in 992 een klooster in Thorn; waar zijn dochter Benedicta abdis werd. Al gauw werd het klooster, dat viel onder het bisdom Luik, een wereldlijk stift, waar uitsluitend jonkvrouwen van hoog adellijk gehalte hun onderkomen vonden. In tegenstelling tot een normaal klooster waren de vrouwen niet gebonden aan enige gelofte en mochten zij uittreden en trouwen. Otto lll benoemde Ansfield in 995 tot bisschop van Utrecht. In 1006 maakte Ansfried de laatste inval van de Noormannen in Utrecht mee. Toen hij oud en blind was geworden, trok hij zich in het klooster Hohorst te Amersfoort terug, waar hij waarschijnijk op 3 mei 1010 overleed. Na zijn dood gaat het markgraafschap Antwerpen over op Godfried van Verdun, hertog van Neder-Lotheringen.

  Lage Landen (1000 - 1100)

laatst gewijzigd: 11-07-04