2405 |
Lage Landen (900 - 1000) |
![]() Koning |
![]() |
![]() ![]() Links: Oost-Francië sinds 888 volgens het verdrag van Ribemont. |
Met de dood van Lodewijk het Kind was er ook een eind gekomen aan het Karolingische Huis. Een bloedverwant van de laatste Karolinger, hertog ![]() ![]() Aan het eind van de 9e eeuw was er, dankzij expedities van keizer Arnulf van Karinthië gelukkig vrijwel een eind gekomen aan de invallen en plunderingen van de Noormannen. Nu de rust goeddeels was weergekeerd, konden de boeren en vissers in de lage landen zich weer meer gaan bezighouden met de dagelijkse dingen van het het leven, zoals het werken op de akkers en het weiden van het vee. Er was echter één groot verschil met vroeger: in het verleden haalden Friese schippers het broodnodige koren uit de landen aan de Rijn. Maar deze eens zo bloeiende handel was door de invallen van de Noormannen nagenoeg verdwenen en ook geld was er nauwelijks meer in omloop. Doordat ook de bevolking langzaam weer wat in omvang toenam, ontstond er een gebrek aan graan en ander voedsel. Er bleef maar één mogelijkheid over: zelf graan gaan verbouwen. Maar akkers en weiden waren er niet genoeg. Op de drassige veen- en op kleigronden die de helft van het jaar onder water stonden, was geen graan te verbouwen. In Friesland werden de terpen verder opgehoogd om op de hellingen wat meer graan te kunnen verbouwen. In het kustgebied hoogden de boeren de kanten van hun weilanden en zelfs de bermen van de wegen op met grond en zaaien daar wat haver. |
Een opstand van de Franse groten tegen Karel lll bracht in 922-923 ![]() ![]() ![]() Giselbert werd door Hendrik van Saksen verheven tot hertog van Lotharingen en uitgehuwelijkt aan zijn dochter Gerberga. Reinier ll werd graaf van Henegouwen. Veel meer dan een bundel rechten en wat wijd verspreid grondbezit hadden zij niet. Een goed voorbeeld van zo'n bundel rechten levert de Utrechtse goederenlijst, die was opgesteld door bisschop Hendrik van Saksen had alleen in naam het oppergezag over het hertogdom Lotharingen. Zijn zoon In de slag van Andernach aan de Rijn (939) werden Giselbert en zijn bondgenoten verslagen. Giselbert zelf verdronk bij zijn vlucht in de Rijn. Lotharingen was nu opnieuw onder gezag gekomen van de Duitse keizer. Otto l besloot de zaken nu anders te gaan aanpakken. Hij stelde sterke familieleden tot hertog van Lotharingen aan. Eerst kreeg zijn broer Hendrik een kans. Maar dit was geen succes. Hij werd door de Lotharingers verdreven. In 944 stelde Otto zijn schoonzoon Koenraad de Rode, die geen enkele betrekking had met deze streken aan als hertog. In 953 kwam deze echter zelf in opstand tegen zijn koning. Maar de Lotharingers volgden hem niet. Reinier lll, een neef van Giselbert, keerde zich tegen Koenraad, niet omdat hij koning Otto trouw wilde blijven, maar omdat hij hoopte daardoor zijn familiebezittingen terug te krijgen. Koning Otto besloot toen om zijn jongste broer Brun te bekleden met de functie van aartsbisschop van Keulen en tegelijkertijd met de hertogelijke waardigheid in Lotharingen. Ook kreeg Brun het gezag over de bisdommen van Luik en Kamerijk. Dit bleek en goede zet te zijn. Brun, die nu tot over Lotharingen zou regeren tot 965, onderhield goede betrekkingen met zijn oude leermeester bisschop Balderik van Utrecht, die van koning Otto vele voorrechten ontvangen had en slaagde erin Reinier lll te bedwingen en van zijn goederen te beroven. Na zijn dood in 965 werd Opper-Lotharingen onder een eigen hertog geplaatst. Neder-Lotaringen, waarvan de zuidgrens ruwweg samenviel met die van het tegenwoordige België - overigens volkomen toevallig - schijnt tot 977 geen eigen hertog te hebben gekregen. De Saksische koningen zouden hier voortaan hun invloed doen gevoelden via de bisschoppen. |
|
Onder ![]() ![]() Tot hertog van Neder-Lotharingen benoemde Otto ll in 977 een Karolinger: Karel, de zoon van de Franse koning |
Na de dood van Karel (ca. 993) werd zijn zoon Otto hertog van Neder-Lotharingen. Herhaaldelijk vertoefde de leden van het vorstenhuis nu ook in onze streken, met name op de palts te Nijmegen. |
![]()
|
In de afgelopen eeuw hadden de plaatselijke potentaten in de Lage Landen van het machtsvacuüm na Lotharius II geprofiteerd en was het enorme graafschap Hamaland ontstaan.
Een ander machtig man in de Lage Landen was graaf Ansfried, die graaf was van Brabant en in 985 de koninklijke bezitting Medemblik in bezit kreeg, dat een belangrijk centrum voor handelsverkeer was. Er waren koninklijke tienden en er was zelfs een een "munt": er werden dus munten geslagen. Ook was er een tolhuis. De tol, de munt en de cijns kreeg graaf Ansfried in leen van keizer |
![]() |
Ansfried was gehuwd met Hilsondis of Hereswint, gravin van Strijen. Samen met zijn vrouw stichtte Ansfried in 992 een klooster in Thorn; waar zijn dochter Benedicta abdis werd. Al gauw werd het klooster, dat viel onder het bisdom Luik, een wereldlijk stift, waar uitsluitend jonkvrouwen van hoog adellijk gehalte hun onderkomen vonden. In tegenstelling tot een normaal klooster waren de vrouwen niet gebonden aan enige gelofte en mochten zij uittreden en trouwen. Otto lll benoemde Ansfield in 995 tot bisschop van Utrecht. In 1006 maakte Ansfried de laatste inval van de Noormannen in Utrecht mee. Toen hij oud en blind was geworden, trok hij zich in het klooster Hohorst te Amersfoort terug, waar hij waarschijnijk op 3 mei 1010 overleed. Na zijn dood gaat het markgraafschap Antwerpen over op Godfried van Verdun, hertog van Neder-Lotheringen. |
laatst gewijzigd: 11-07-04 |