4045

Keizerlijke landgoederen (paltsen)

Middeleeuwse kastelen; Leenstelsel
Op veel plaatsen lagen keizerlijke landgoederen of paltsen. Van de opbrengst van deze landgoederen leefde de keizer. Zij werden beheerd door rentmeesters of meiers. Deze zorgden voor de inzameling van de belasting. De mensen betaalden die niet met geld, maar met producten van hun land. Een boer moest bijvoorbeeld vijf kazen, twee manden eieren, tien kippen, twee hammen of een zak rogge afstaan. Keizer Karel de Grote reisde met zijn hele hofhouding van de ene palts naar de andere. Van te voren was de belasting gebracht: graan, varkens, kippen, ganzen, eieren, bonen en hout. Als de belastingen waren opgegeten, vertrok de koning weer. Zo reisde Karel de Grote zijn hele rijk door. 

Karel de Grote liet zo'n paltsboerderij bouwen bij Nijmegen (± 770): het Valkhof. Hier kwam hij met zijn gevolg jaren achtereen een paar weken logeren. 

De koningshoeve zag er indrukwekkend uit met zijn kerk en schuren. Timmerlieden, ijzersmeden, bakkers en bierbrouwers waren er steeds aan het werk. Een eeuw later werd het gebouw door brand verwoest. Weer een eeuw later werd er een nieuwe palts gebouwd. Daar is alleen een kapel van overgebleven. Deze heeft dezelfde vorm als de kapel van Karel de Grote in Aken.

Overal waar de koning verscheen, werden geweldige feesten gehouden. Vrouwen en kinderen, monniken, schrijvers, muzikanten en koks reisden met de koning mee het hele Frankische rijk door. Wie klachten had over zijn graaf, kon dat aan de koningsboden vertellen. Bijvoorbeeld als de graaf te veel kippen, varkens of ganzen als belasting liet betalen. 

Maar bijna niemand durfde te klagen. Als de koningsboden weg waren, had de graaf het immers weer voor het zeggen. En wie weet hoe hij wraak zou nemen op de klager? Vaak gebeurde het ook dat de graven de koningsboden omkochten. Zijn belangrijkste paleis liet Karel de Grote bouwen in Aken. Daarbij hoorde ook een kapel die nu een deel is van de Dom. In de Keizer Karel Kapel is nu nog Karels marmeren troon te zien. 

Voortdurend was Karel de Grote op reis, maar het was voor hem natuurlijk onmogelijk om de honderden graven, hertogen en kloosters persoonlijk te controleren. Zeker toen hij na 806 door jicht geplaagd werd en zijn paleis te Aken vrijwel niet meer verliet. Daar waar hij niet zelf kon komen, stuurde hij afgevaardigden: de koningsboden. De koningsboden bezochten vooral graven, bij wie de belastingen te weinig opleverden of tegen wie klachten over eigenmachtig optreden onderzocht moesten worden. 

Om de medewerking van een graaf te bewerkstelligen, schreef een koninklijke wet voor, dat het onderzoek van de koningsboden tijdens het onderzoek ten laste kwam van de graaf. Als het onderzoek niet vlotte, kon dat wel eens het faillissement van de graaf betekenen. Ondanks deze slimme constructie kwam corruptie veelvuldig voor.

Reizen was in de tijd van Karel de Grote bijzonder moeilijk. De wegen waren erg slecht. De mooie Romeinse wegen en bruggen bestonden niet meer. Niemand had ze na het vertrek van de Romeinen gerepareerd. Ze waren verdwenen of onbruikbaar geworden. Men reisde nu langs karrensporen of zandpaden. Bij mooi weer stoof het stof in grote wolken omhoog. Na een flinke regenbui stonden de wegen vol modderpoelen. Reizen was in die tijd ook erg gevaarlijk. Veel wegen liepen door eenzame streken. Heel wat reizigers werden op deze stille wegen overvallen, beroofd en vermoord. In het zuiden van het rijk moesten reizigers op hun hoede zijn voor slavenhandelaars, die mensen vingen om ze aan de Arabieren te verkopen.

laatst gewijzigd: 31-01-04

colofon