2533

Europa (1 - 100 n. Chr.)

Europa 51 - 1 v. Chr.

Julius Caesar had in de jaren tussen 58 en 51 voor Chr. Gallië veroverd. Dat wil zeggen: hij consolideerde de Romeinse macht in grote delen van Frankrijk, Zwitserland, België en het stuk van het huidige Duitsland dat links van de Rijn ligt. Hij versloeg de Germaanse troepen van Ariovistus die Gallië waren binnengedrongen bij Mulhouse en drong de Germanen terug over de Rijn. Deze rivier werd de grens tussen de Romeinen en Germanen. Enkele tientallen jaren later probeerde keizer Augustus de grenzen naar het noorden te verleggen. 

Tussen 4 en 6 na. Chr. onderwierp Tiberius Julius Caesar de met hulp van de Cherusken de Longobarden aan de overkant van de Elbe. Tiberius leverde strijd tegen de MarcomannenTussen 7-9 ondernam Tiberius een veldtocht tegen de Pannoniërs en in 11 tegen de Germanen. De Marcomannen die zich omstreeks 8 voor Chr. onder hun koning Marbod (Maroboduus) in Bohemen hadden gevestigd en met de Longobarden en andere Germaanse stammen een machtig rijk vormden wisten zich in 6 na Chr. tegen een Romeinse invasie onder Tiberius te handhaven. In 17 ontstond er echter een stammenstrijd tussen Marbod en de Cherusker Harijamannaz  (= strijder van Erminiaz = de grote), beter bekend als Hermann of Arminius, zoals zijn Romeinse naam luidde), waarbij de Longobarden en de Semnonen zich van de Marcomannen afscheidden. 
In het jaar 9 na Chr. leden de Romeinse legioenen van Publius Quinctilius Varus een vernietigende nederlaag tegen Harijamannaz (Arminius), de vorst der Cherusken in de moerassen van het Teutoburgerwoud ( Augustus) Deze nederlaag betekende vrijwel het einde van de Romeinse expansiedrift naar het noorden. In de jaren daarna werden in Zuid-Duitsland nog wel enige gebieden, gelegen tussen de Rijn en de Donau veroverd, maar daar bleef het bij. Harijamannaz werd vermoord op aanstichten van zijn eigen verwanten, die hem ervan verdachten zich als koning van een groot Germaans rijk te willen opwerpen. Door de taaie weerstand, die hij de Romeinen had geboden, heeft hij een grote betekenis gehad voor de wereldgeschiedenis. Als dit volk in het lage ontwikkelingsstadium, waarin het zich toen bevond, door de Romeinen overwonnen was, zou het geromaniseerd zijn, evenals de Galliërs en dan zou de ontwikkeling van de wereld heel andere wegen zijn gevolgd, dan die, waarlangs de Germaanse volksverhuizing haar voerde.
Na de dood van Augustus (14) brak er een ernstige opstand uit onder de soldaten, die Germanicus, de oudste zoon van Drusus (broer van keizer Tiberius) en oudere broer van de latere keizer Claudius, tijdens de veldtochten van 7-9 en 11 ook al aan had meegestreden aan de zijde van Tiberius en sinds 13 aan het hoofd stond van de legioenen aan de Rijn - met moeite door het doen van vergaande concessies wist te bedwingen. 

Vervolgens ondernam Germanicus van 14-16 expedities over de Rijn. Al zijn krachten spande hij in om de nederlaag in het Teutoburgerwoud te wreken en om Germania te heroveren voor het Romeinse Rijk. 

Zijn veldtocht kon de schande echter maar gedeeltelijk uitwissen. Hij bezocht het slagveld in het Teutoburgerwoud, wees Varus en zijn mannen de laatste eer door hen te begraven en het lukte ook één van de verloren adelaars terug te vinden en daarmee de smaad wat te verzachten. Daarna drong hij het gebied van de Chatti binnen in het stroomgebied van de Fulda en de Eder en legde hun hoofdplaats Mattium in de as (15). Maar bij deze kleine successen bleef het en blijvende resultaten hadden zij niet. Zijn hoop zijn vader Drusus te evenaren (hij had de naam Germanicus van zijn vader geërfd) en een belangrijk deel van Germania te heroveren, ging niet in vervulling. Germanicus was jong en onvoorzichtig en Arminius bleek op den duur een hardnekkige tegenstander. Keizer Tiberius beval zijn neef daarom zijn troepen achter de Rijn terug te trekken en de Germanen hun onderlinge tweedracht uit te laten vechten, die hen in ieder geval ongevaarlijk maakte voor Rome. Germanicus keerde terug naar Rome en werd tijdens een triomftocht groots onthaald (17). Daarna werd hem het gebied van de oostelijke provincies met imperium maius toegewezen.

De nederlaag van Varus betekende vrijwel het einde van de Romeinse expansiedrift naar het noorden. In de jaren daarna werden in Zuid-Duitsland nog wel enige gebieden, gelegen tussen de Rijn en de Donau veroverd, maar daar bleef het bij. Eeuwen lang liep de grens van het Romeinse rijk dwars door Duitsland en wel van de Rijn tussen Remagen en Andernach naar de Donau in de buurt van Regensburg. Hier ontstond de limes, een versterkte grens met palissade, wallen, uitkijktorens en forten, niet onoverwinnelijk, maar een paar honderd jaar lang toch voldoende om de Germanen op een afstand te houden.

In de tweede helft van het jaar 39 trok Caligula met twee legioenen naar de Rijn en voerde een kort aanvalletje op Germanië uit. Het werd een schertsvertoning met in scene gezette aanvallen over de Rijn die door de keizer triomfantelijk werden afgeslagen.

Tijdens de regering van keizer Claudius (41-54) werd Brittannië veroverd (43) en Thracië (46). Daarna pakte hij de grensverdediging aan. Zo gaf hij de limes zijn definitieve vorm.

Germanië en de Donau-provincies
In Claudius' dagen was het inmiddels duidelijk geworden dat de Rijn-Donau-linie een natuurlijke en gemakkelijk te verdedigen noordgrens van het rijk vormde. Generaties lang zouden de twee grote rivieren de noordgrens vormen van de verstedelijkte Romeinse wereld. De grensprovincies (Germania Suprior, Germania Inferior en Raetia en Vindelicia) ontwikkelden een geheel eigen cultuur. De legioenen waren er permanent gestationeerd in hun forten en versterkingen. Veel van die vestingen, vooral als zij op strategische punten langs de rivieren gelegen waren, voeren wel bij de handel die hen passeerde. Kolonisten en kooplieden werden erdoor aangetrokken en vici (dorpachtige nederzettingen buiten de forten) ontwikkelden zich tot grotere of kleinere steden die bestuursfuncties kregen. Bovendien werden er vlak bij de grens coloniae gesticht om een reserve aan veteranen te kweken en centra voor de ontwikkeling van steden te vormen. Veel moderne steden als Nijmegen, Xanten, Neuss, Keulen, Bonn, Koblenz, Trier, Mainz, Regensburg en Boedapest danken hun ontstaat aan deze periode.

Na de moord op keizer Nero in het jaar 68, brak er een onrustige tijd aan. Veertien jaar lang had Nero - zelfs naar Romeinse maatstaven - het rijk slecht en wreed bestuurd. Zijn opvolger Galba werd na zeven maanden eveneens vermoord, in het jaar 69, dat wel eens het jaar van de vier keizers werd genoemd. Overal in het rijk begonnen de legers hun eigen kandidaat naar voren te schuiven, die vervolgens onderling met elkaar op de vuist gingen. In Rome zelf stelde de Praeteriaanse Garde Otho als kandidaat voor het keizerschap. Maar na drie maanden pleegde Otho zelfmoord, toen zijn situatie hopeloos werd na een militaire nederlaag tegen de troepen die Vitellus steunden. In Spanje was het Galba die zijn pretenties kenbaar maakte en in Africa was dat Clodius Macer. Uiteindelijk ging de strijd om nog twee pretendenten: Vitellius, die van uit het Rijngebied (Keulen) naar voren was geschoven en Vespasianus die vanuit het oosten (Alexandrië) de trom roerde. 

In de chaos die daardoor ontstond, kwamen de Bataven Frisii en Chatti tegen de Romeinen onder leiding van Julius Civilis in opstand (ca. 65 ( Batavenopstand). Nadat in 69 n. Chr. Vespasianus door de Romeinse troepen aan de Donaugrens was uitgeroepen tot keizer en zijn concurrent Vitellius was uitgeschakeld, werd deze opstand neergeslagen. Trajectum (Utrecht) werd als castellum hersteld, hoewel nog steeds opgetrokken uit hout, vlechtwerk en leem. Pas in de de loop van de tweede eeuw zou het castellum een stenen kamp worden dat onderdak bood aan nog steeds één cohort. Om herhaling te voorkomen werden de troepen weliswaar nog wel geworven onder de overwonnen volkeren, maar niet meer gestationeerd in hun geboortestreek maar ver weg elders gelegerd. Voor hen kwamen vreemde eenheden voor terug in de plaats. Zo kon het gebeuren dat Bataven werden aangetroffen in de Boven-Donau in het Castra Batava, waarnaar Passau is genoemd), Friezen in Brittannië en Chauken in Klein-Azië en Egypte. Tegelijkertijd werden er aan de Rijn eenheden uit Gallië, Spanje of Thracië gelegerd. Mede door deze maatregel slaagde de Romeinse overheid erin de rust in het Rijk lange tijd te behouden tot het eind van de tweede eeuw: de Pax Romana.

Tijdens het bewind van Vespasianus kregen de steden in Spanje uitgebreider rechten en r werden tal van coloniae gesticht in de verst gelegen provincies, waardoor de romanisering sterk werd bevorderd. 

In 83 hield Domitianus (81-96) een (straf?) expeditie tegen de Chatti ten noorden van het Taunusgebergte. Daarna heroverden de Romeinen het gebied tussen de Donau en de Rijn, dat door de Germanen daarvoor al was verlaten.

Toen aan het eind van de 1e eeuw na Chr. Tacitus een beschrijving gaf van Germanië, maakte hij vluchtig melding van een stam, de Goten, die een gebied bewoonden aan de Baltische kust en leefden onder de strikte heerschappij van koningen. 

Romeinse Rijk (98 - 117 n. Chr.)  Oost-Europa (100 - 200 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 19-03-03

Colofon