3454 |
Julius Caesar (ca. 100 - 44 v. Chr.) |
![]() Julius Caesar is een van de drie mannen die in 60 v. Chr. in Rome de dienst uitmaakten, naast: Pompeius en Crassus. Zij verdeelden onder elkaar de machtigste provincies van het rijk: Syrië, Spanje en Gallië. Julius Caesar werd stadhouder over Gallië. De twee andere mannen kregen het bestuur over de andere provincies. De Romeinse legeraanvoerder en gouverneur van de Romeinse provincie Provence Julius Caesar zag de opdringende Germaanse stammen als een groot gevaar voor Rome. Als daar niets tegen zou worden gedaan, meende hij, zou heel Gallië wel eens in handen van de Germanen kunnen vallen. De Galliërs waren te veel verdeeld en zouden de Germaanse stammen in dat geval niet tegen kunnen houden. Een grote veldtocht werd door Julius Caesar bovendien ook gezien als een mooie gelegenheid om roem en macht te vergaren. rechts: Julius Caesar |
![]() |
![]() |
In 59 v. Chr. viel Julius Caesar Gallië binnen "om de Galliërs van de Germaanse stammen te bevrijden". Via een slimme verdeel- en heerspolitiek wist hij in acht zomercampagnes heel Gallia inclusief het huidige België te onderwerpen.
In 58 v. Chr. kreeg Julius Caesar van de Romeinse Volksvergadering en Senaat als proconsul (stadhouder) een vijfjarig mandaat voor het bestuur over Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina, respectievelijk het huidige Noord-Italië en Zuid-Oost Frankrijk. |
![]() |
In 57 v. Chr. wist Julius Caesar met een list de Veneti bij Vannes (Bretagne) te verslaan en de hele westpunt van Gallië te onderwerpen. Plaatselijke opstanden maakten het de bezetters aanvankelijk nog moeilijk. Door een systematische uitroeiing van de druïden, de geestelijke elite, lossen de veroveraars dit probleem op. Het geromaniseerde schiereiland kreeg de naam Armorika. In 55 en 54 v. Chr. werd door Caesar een invasie op Groot-Brittannië uitgevoerd als antwoord op de steun van de Keltische aristocraten aan het verzet van de bewoners van Armorica (= Bretagne) tegen de Romeinse bezetting. De man met wie Julius Caesar het rijk bestuurde, Pompeius, zag Julius Caesar als een grote rivaal en was bang dat de populaire Caesar te veel macht naar zich zou krijgen. Tussen beide mannen, die beiden een leger achter zich hadden, kwam het in 48 v. Chr. tot een harde strijd, die de vorm aannam van een burgeroorlog, waaruit Caesar uiteindelijk als overwinnaar uit de bus kwam. |
Hetzelfde jaar nog, vertrok Julius Caesar naar Egypte, om dit land volledig aan het gezag van Rome onderwerpen. Het land aan de Nijl was namelijk enorm belangrijk om het graan. Wie de korenschuur van Egypte bezat, had het volk van Rome achter zich. Nadat Julius Caesar Alexandrië had veroverd (47) en Cleopatra samen met haar broer Ptolemaeus XlV op de troon had hersteld (46), keerde hij terug naar Rome, waar hij met grote triomf werd ingehaald en te zijner ere een groots overwinningsfeest werd gehouden met spelen en rijke feestmaaltijden. Cleopatra volgde hem naar Rome, waar zij van 46 tot 44 v, Chr. verbleef. |
![]() |
In 46 v. Chr. werd Julius Caesar door de Senaat voor tien jaar benoemd tot dictator. In feite was hij de eerste keizer van Rome. (Het woord "keizer" is afgeleid van zijn naam, net als Tsar, Kaiser) Als dictator kreeg hij het vrijwel alleen voor het zeggen. Het was nu niet meer de Senaat, die het rijk bestuurde, maar één man. De Senaat hielp alleen Caesars besluiten uit te voeren. De Volksvergadering kreeg nauwelijks meer iets te zeggen. Dat had allemaal wel één voordeel: het was nu afgelopen met de verkiezingspropaganda en de waanzinnige strijd om de staatsambten. Er was veel mis in het rijk. Het grootste deel van de bevolking leefde op de rand van de armoede, wat vooral kwam door uitzuiging door de belastinginners. Slechts een heel klein deel van de Romeinen profiteerde van de welvaart. Om aan al deze misstanden een einde te maken was geen eenvoudige taak. Julius Caesar kon er alleen een begin mee maken; zijn opvolgers zouden zijn karwei moeten afmaken.
Rechts: Julius Caesar |
![]() |
![]() |
Hij voerde nieuwe belastingwetten in en de korenuitdelingen werden beperkt tot alleen de allerarmsten. Aan zijn veteranen gaf hij land, zodat zij een eigen boerenbedrijf konden opbouwen. Zo wilde hij proberen de welvaart meer te verdelen onder de Romeinse onderdanen. Op de ruïnes van de verwoeste stad Carthago werd een nieuw Carthago gebouwd. De nieuwe Romeinse kolonie zou tot grote bloei komen en de streek rond de stad zou de korenschuur van het Romeinse Rijk worden.
Julius Caesar kreeg helaas ook vijanden. Ze noemden hem een tiran en beraamden in 44 v. Chr. een aanslag op zijn leven. Op een dag dat Julius Caesar een vergadering van de Senaat bijwoonde, werd hij door hen met dolksteken vermoord. "Ook gij Brutus?" (tegen enen van zijn moordenaars), waren zijn laatste woorden.
|
laatst bijgewerkt: 23-08-02 |