3551 |
Dacia - Moesia - Thracia (100 - 200 n. Chr.) |
![]() |
De Dacische Oorlogen (101-102 en 105-106 n. Chr.)
Na het behalen van steun in de Romeinse senaat was |
![]() |
De beroemde brug bij Drobeta werd gebouwd in voorbereiding op de tweede oorlog. Deze brug, waarschijnlijk de grootste van die tijd en de daaropvolgende eeuwen, was ontworpen door Apollodorus van Damascus en was nodig om Dacië opnieuw te overwinnen sinds de "vrede" verloren werd door het Romeinse Rijk. Decebalus kreeg technische en militaire versterking van Traianus om een sterke geallieerde zone te creëren tegen de gevaarlijke noordelijke en oostelijke volken. De spullen werden echter gebruikt om van het Dacische Koninkrijk een grote onafhankelijke kracht te maken. Na zijn onderwerping leefde Decebalus de Romeinse regels een tijdje na, maar organiseerde al snel opstanden onder stammen tegen de Romeinen en plunderde Romeinse koloniën over de Donau. Traianus riep zijn troepen weer bij elkaar in 106 voor een tweede oorlog tegen het Koninkrijk van Dacië. In tegenstelling tot het eerste conflict kende de tweede oorlog verschillende slagen die duur waren voor het Romeinse leger. Hoewel het Romeinse leger veel stammen aan eigen zijde had duurde het een tijd voordat de beslissende slag uitgevochten werd. Dit gebeurde echter uiteindelijk en Rome nam Dacië in. Een aanval tegen de hoofdstad Sarmizegetusa vond plaats aan het begin van de zomer van 106 met deelneming van de legioenen II ADIUTRIX en FLAVIA FELIX en een detachement (vexillatio) van Legio VI Ferrata. De Daciërs sloegen de eerste aanval af maar de Romeinen vernietigden de waterpijpen naar de Dacische hoofdstad. De stad werd tot de grond toe platgebrand. Decebalus vluchtte maar pleegde later zelfmoord. De oorlog ging niettemin door. Met dank aan de gevangenname van een bekende van de Dacische koning, Bicilis, vonden de Romeinen Decebalus' schat in de rivier Sargesia/Sargetia - een fortuin dat door Jerome Carcopino op 165.500 kg goud en 331.000 kg zilver werd geschat. De laatste slag met het leger van de Dacische koning vond plaats in Porolissum (het huidige Moigrad). |
Na hevige weerstand werden de Daciërs in 106 na Chr. definitief verslagen. Hun hoofdstad Sarmizegetusa, werd volledig platgebrand. Decebalus pleegde zelfmoord door zijn eigen keel door te snijden, dit nog liever dan gevangen worden genomen door de Romeinse soldaten. Het is echter aanneembaar dat, terwijl hij op sterven lag, Decebalus gevangen werd genomen door een Romeinse verkenner, Tiberius Claudius Maximus. Ondanks dat hij inderdaad stierf, beweerde de Romeinse propaganda dat zij hem vermoord hadden. Zijn hoofd werd naar Rome gestuurd. De tombe van Tiberius Claudius Maximus haalt op 2 plaatsen aan dat de legionair werd geëerd voor zijn daden in de Dacische oorlogen, waarvan één de gevangename en de terugwinning van Decebalus' hoofd schetst. De meeste burgers van Dacië werden tot slaaf gemaakt of gedood, gedeeltelijk om komende opstanden te voorkomen. Ongeveer 150.000 gevangenen werden als slaven weggevoerd. De Romeinse autoriteiten organiseerden vervolgens een massale kolonisatie van het gebied met immigranten uit Italië en de Romeinse provincies ten zuiden van de Donau, waardoor de romanisering van het gebied werd bevorderd. De overgebleven Daciërs vermengden zich na de verovering met de kolonisten en namen de Latijnse taal over. Hun nakomelingen zouden eeuwenlang meestal worden aangeduid met de naam Walachen, die hun door de Slaven werd gegeven. Pas sinds de 19e eeuw kreeg Dacië de huidige naam Roemenië. |
![]() |
De Dacische Oorlogen waren een grote triomf voor Rome en haar legers. Traianus riep een totaal van 123 dagen van feest uit. In Rome liet hij van de oorlogsbuit een schitterend forum bouwen, waar in 113 de Zuil van Traianus werd geplaatst, waarop zijn veldtocht in Dacië als een soort stripverhaal is afgebeeld. Dacië werd formeel geannexeerd. De Romeinen noemden het Roemeense deel 'Colonia Dacia'. Dacië's rijke mijnen werden veilig gesteld. Zij vormden een nuttige financiële bron voor komende veldtochten van Rome en hielpen met de snelle expansie van Romeinse steden in Europa. |
![]() |
De twee oorlogen waren belangrijke overwinningen in de Romeinse expansionistische campagne, waarmee Traianus de bewondering van de bevolking afdwong. Het einde van de Dacische Oorlogen markeerde een periode van groei en relatieve vrede in Rome. Een groot bouwproject begon dat de infrastructuur van het Romeinse Rijk verbeterde. Traianus werd een eerlijke keizer, waarmee hij de weg baande voor verdere interne uitbreiding en versterking binnen het Romeinse Rijk als geheel. (Dacische Oorlogen - Wikipedia)
Links: Dacische strijders |
Na de dood van ± 150, tijdens het bewind van keizer Ook In 166 n. Chr. deden de Marcomannen, opgejaagd door hun agressieve buren uit het oosten, de Alanen, een inval in de provincie Pannonië (nu Hongarije) en vroegen daar vergunning om er zich te vestigen. Romes reactie bestond uit een botte weigering en een snelle veldtocht waarin ze werden teruggedreven. Het leek een storm in een glas water, maar kort daarop (167) trok een grote horde Marcomannen, Quadi en Lazygen andermaal over de grens. Zodra deze door de Romeinse versterkingen heen waren, lag het land voor hen open. De Romeinse burgers stonden machteloos. In geen 270 jaar hadden zij een buitenlandse vijand binnen hun landsgrenzen gezien en bovendien hadden de Romeinen de verdediging geheel overgelaten aan een leger beroepssoldaten. Enkele vijandelijke troepen drongen helemaal door tot aan Acquileia - gevaarlijk dicht bij het hart van Italië. Marcus Aurelius bedacht zich niet. Hij liet snel versterkingen komen uit Azië en dreef de invallers in een serie succesvolle veldtochten terug en drong zelfs diep in barbaars grondgebied door. Hij was van plan twee nieuwe provincies, Marcomannia in Bohemen en Sarmatia in de inspringende hoek tussen Pannonië en de westgrens van Dacië te stichten. Er werden uitgebreide voorbereidingen getroffen: garnizoenen werden op strategische punten gestationeerd en grote aantallen van hun bezittingen beroofde Germanen en Sarmatiërs werden op transport gesteld, deels om dienst te nemen in de hulptroepen, deels om in de noordelijke provincies kolonies te vormen. Voordat de pas veroverde gebieden echter deugdelijk konden worden georganiseerd, zag Marcus Aurelius zich gedwongen een opstand in Syrië te onderdrukken en tegen de tijd dat hij zijn handen weer vrij had, was de situatie andermaal verslechterd. Toen na de moord op senator Marcus Didius Julianus (193) de Donautroepen Septimus Severus naar voren hadden geschoven als kandidaat voor het keizerschap wierp Pescennius Niger zich op als pretendent, gesteund door het leger aan de Eufraat, maar hij werd verslagen en de stad Byzantium, die zich achter hem had geschaard, werd verwoest (194). Tijdens het bewind van![]() |
laatst bijgewerkt: 10-05-07 |