2525

Alanen (100 - 430 n. Chr.)

Oost-Europa
De Alanen (Grieks: Alanoi, Latijn: Alauni, Halani) waren een Iraanse nomadenstam, die deel uitmaakte van het volk der Sarmaten en nauw verwant was aan een andere stam, de Roxolanen. Tijdgenoten van de historicus Herodotos nemen echter aan dat de Alanen een hergroepering waren van de Massagaetae

De naam "Alanen" is waarschijnlijk óf aan het woord "Ariërs" (dat van Iraanse afkomst is), óf aan het Oud- en Nieuw-Turkse woord "alan" (territorium, gebied). Het is verwant aan de naam "Iron", waarmee hun Ossetische nazaten zichzelf aanduiden. De naam "Osseten" op haar beurt is afgeleid van het Griekse "Aorsi" (Russisch "Jasy", Georgisch "Ossi"), een andere naam waaronder de Alanen bekend stonden.

De tegenwoordige Osseten, een volk van de Noord-Kaukasus, zijn directe afstammelingen van de Alanen. Hun taal behoorde daarmee tot de noordoostelijke tak van de Iraanse talen, samen met het Sogdisch en het daarvan afstammende Yagnobi. Behoudens de Osseten en een zeer klein aantal Yaghnobi is die tak nu vrijwel uitgestorven.

Oorspronkelijk was dit volk afkomstig uit het noorden van Kazachstan. In de eerste vestigden de Alanen zich in het steppengebied tussen de Dnjepr, de Don en de Oeral, alsmede in de Noord-Kaukasus. In de eeuwen daarna zwierven de Alanen uit over grote delen van Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika.

In de Romeinse keizertijd bewoonde dit volk het gebied in Zuid-Rusland, ten oosten van het koninkrijk der Ostrogoten (Osthrogoti), tussen de Kaspische Zee, de Kaukasus en de Don. Volgens de geschiedschrijver Ammianus Marcellinus leefden ze van vlees en melk, woonden ze in huifkarren en dreven ze hun vee van de ene plek naar de andere, wanneer de weidegronden kaalgegraasd waren. "Ze beroemen zich erop ieder die op hun weg komt te doden en al roemrijke buit rukken ze de overwonnenen het hoofd af, villen ze vervolgens en pavoiseren ze hun oorlogsrossen met de huid".

Tijdens het bewind van Vespasianus (69 - 79) vielen de Alanen in 69 n. Chr. Armenië en het rijk van de Parthen binnen.

De zuidwaartse trek van de Ostrogoten aan het begin van de 3e eeuw vanuit hun gebied aan de Baltische kust, kliefde het thuisland van de Alanen in tweeën: de westelijke groep concentreerde zich in Moldavië en de oostelijke tussen de Don en de Wolga. 

Zo lag de situatie toen de Mongoolse stam, de Hunnen, die voordien het Altaj-gebergte  bewoond had, in het midden van de vierde eeuw naar het westen, in de richting van Europa trok. Rond 355 raakten de Hunnen slaags met de Alanen. Een deel van de Alanen werd verdreven naar het zuiden en westen, de rest werd overheerst door de Hunnen. Nadat rond 375 de Hunnen de Visigoten aan de Djnepr hadden overvleugeld, trokken de verdreven Alanen samen met de verdreven Visigoten naar de oevers van de Donau om toegelaten te worden tot de Romeinse wereld.

Bij de nederlaag van Romeinen tegen de Visigoten in 378 bij Adrianopolis speelden de Alanen een belangrijk rol. Twee jaar later hadden zij zich samen met de Ostrogoten en een detachement Hunnen in Pannonia gevestigd. 

Gebruikmakend van de onenigheid tussen beide helften van het Romeinse Rijk, staken de Alanen samen met de Vandalen in 401 over naar Noricum, de provincie ten zuiden van de Donau (Oostenrijk). Als dank voor hun bewezen diensten in de strijd tegen de Visigoten werden de kolonies van de Alanen in Noricum door Stilicho erkend.

In 406 bevond zich een grote groep Alanen in Zuid-Duitsland bij Mainz op de grens van de Mittel- en Oberrhein. Een gedeelte onder leiding van Respedialis sloot zich aan bij de Vandalen en Sueben die in 406-407 Gallië binnenvielen Lees verder: Westelijke provincies (395 - 407). Een ander deel onder leiding van Goar trad in Romeinse dienst als foederati. Vijf jaar later zouden de Alanen samen met de Bourgonden, de Franken en Alamannen de usurpator Flavius Jovinus steunen die zich in 411 in Gallië tot keizer uitriep.

Met de Vandalen onder koning Gunderic (Gonderic), baanden de Alanen en Vandalen zich in 407 een weg door Gallië, waar zij op grote schaal aan het plunderen sloegen. De Romeinen waren door de opstand van Constantijn lll in Brittannië en uit angst voor nieuwe Germaanse invasies in Italië niet in staat de barbaarse invallers uit Gallië te verdrijven. Een deel van de Alanen vestigde zich rond Orléans, waar zij net als de Vandalen de status kregen aangeboden van "hospitalitas" als "gasten" van de Gallo-Romeinse landeigenaren in Noord-West Gallië, die gedwongen werden 2/3 van hun graanoogst aan de Germaanse heersers af te staan.

Na de terechtstelling van Stilicho (408) Alaric en de Visigoten in Italië stak een deel van de Alanen samen met de Vandalen de Pyreneeën over naar Noord-Spanje (409). Mogelijk werden zij verdreven door de legioenen van Constantijn lll, die inmiddels was uitgeroepen tot deelkeizer, onder druk van de Franken of louter uit behoefte aan nieuwe roof- en plundertochten.

Tot 418 bestond op het Iberisch schiereiland een Alaans koninkrijk, waaraan Catalonië (Got-Alanië) haar naam dankt.

In 418) werden de Alanen door de Visigoten - die optraden als bondgenoten van de Romeinen, verslagen. De overgeblevenen verenigden zich met de Vandalen, wier koning Gaiseric (Geiseric, Genseric) de titel Rex Vandalorum et Alanorum aannam. Samen trokken zij naar Noord-Afrika (429) en ondernamen zij de tocht naar Carthago.

De overlevenden van de Alanen zoeken hun toevlucht bij de Asding-Vandalen die eerder door hen tijdens de inval in Gallië bij een aanval van de Franken van vernietiging waren gered. Onder de Vandaalse koning Geiseric steken ze over naar Noord-Afrika waar in 428 het koninkrijk der Vandalen en Alanen wordt gesticht, dat later ook Sardinië, Corsica en van 440 tot 490 ook Sicilië zal omvatten. Dit rijk houdt tot 534 stand en wordt dan in het Byzantijnse rijk ingelijfd. Hun vroegere, door de Goten overwonnen rijk, op het Iberische schiereiland leefde voort onder de naam Got-Alanië nu Catalonië genoemd.

Het andere deel van de Alanen, trad na de invasie in Gallië (407) onder koning Goar, trad in Romeinse dienst en mochten zich na bewezen diensten vestigingen als foederati vestigen in de streek rond Aurelianum (Orléans). In de loop van deze eeuw worden ze vaak genoemd bij gevechten in Gallia Cis- en Transalpina onder hun koning Saul die de Romeinse functie praefectus kreeg.

Onder koning Sangiban vochten zij samen met de Romeinse generaal Aetius op de Catalaunische velden tegen de Hun Attilla (451). ( Westelijke Provincies 45-453). Een paar jaar later werden de Alanen van Aurelianum door de Visigoten verslagen. Zij gingen daarna op in het Gotische koninkrijk van Toulouse.

Koning Sambida aanvaardde in 440 een vestiging bij Valence. Later stichtten zij boven de Loire een koninkrijk ten noorden van Orleans. In Bretagne kreeg koning Eochar van de bisschop van Auxerre in 447 eigen land.

Plaatsnamen in geheel Frankrijk zoals in de Ardennen de plaatsen Allaincourt en Alland'huy en twee plaatsen Sampigny, 9e eeuw Sampiniacum, waarvan één aan de bovenloop van de Maas, herinneren aan hun vestigingen.

Onder hun koning Goar en later koning Addac vestigden de Alanen zich in de centrale provincies Lusitania en Carthaginiensis (dat later naar hen Catalonië werd genoemd). In 448 versloeg Goar in Romeinse dienst de Bagaudae in Armorica en de met hen verbonden Bretonnen.In de Middeleeuwen zouden Alanen een overwegend militaire rol spelen in het Byzantijnse Rijk en het Kievse Rijk.

laatst bijgewerkt: 20-09-10

colofon